Выбрать главу

Hij was gekomen om aan te vallen, om uit te rijden voor Malkier. Andère kwam links naast hem rijden, de jonge Kaisel uit Kandor rechts van hem. Hij voelde iets in de verte, iets wat hem de laatste tijd kracht gaf. De binding was veranderd. De gevoelens waren anders.

Hij voelde Nynaeve nog steeds, zo prachtig, vol liefde en hartstocht achter in zijn geest. Hij had verdriet moeten voelen bij de wetenschap dat zij nu zou lijden als hij stierf, in plaats van iemand anders, maar het gevoel dat hij dicht bij haar was – voor de laatste keer – gaf hem kracht.

De warme wind leek te droog; hij rook naar stof en aarde en trok het vocht uit zijn ogen, zodat hij vaak moest knipperen.

‘Het is passend,’ zei Kaisel.

‘Wat?’ vroeg Lan.

‘Dat we hier aanvallen.’

‘Ja,’ beaamde Lan.

‘Maar het is ook stoutmoedig,’ zei Kaisel. ‘Het bewijst aan de Schaduw dat we ons niet laten verslaan, dat we ons niet verstoppen. Dit is üw land, heer Mandragoran.’

Mijn land, dacht hij. Ja, dat was het. Hij spoorde Mandarb aan. ‘Ik ben al’Lan Mandragoran,’ brulde Lan. ‘Heer van de Zeven Torens, Verdediger van de Muur van de Eerste Vuren, Drager van het Zwaard van de Duizend Meren! Ooit was ik Aan’allein, maar die titel weiger ik, want ik ben niet langer alleen. Vrees mij, Schaduw! Vrees mij en weet dit: ik ben teruggekeerd voor wat van mij is. Ik ben dan misschien een koning zonder land, maar ik ben nog steeds een koning!’

Hij brulde en hief zijn zwaard. Achter hem rees gejuich op. Hij stuurde nog een laatste, krachtige vlaag van liefde naar Nynaeve toe terwijl hij Mandarb in galop dreef.

Zijn leger stormde achter hem aan, allemaal te paard; Kandori, Arafellers, Shienaranen en Saldeanen. Maar de meesten waren Malkieri.

Lan zou niet verbaasd zijn als hij elke man in zijn koninkrijk die nog een wapen kon vasthouden nu bij zich had.

Ze reden juichend naar voren, zwaaiend met zwaarden en lansen. De hoefslagen klonken als de donder, hun stemmen als bulderende golven, hun trots was sterker dan de stralende zon. Ze waren met twaalfduizend man. En ze stormden op een leger van minstens honderdvijftigduizend monsters af.

Deze dag zal eervol in de herinnering blijven, dacht Lan. De Laatste Aanval van de Gouden Kraanvogel. De val van de Malkieri. Het einde was gekomen. Ze zouden het met geheven zwaard tegemoet treden.

En zie, de wereld zal getuige zijn van de verzwakking van de kerker van de Grootste, als de ledematen van diegenen die hem geschapen hadden. Wederom zal Zijn roemrijke mantel het Patroon van alle dingen smoren, en de Grote Heer zal Zijn hand uitstrekken om op te eisen wat hem toebehoort. De opstandige naties zullen worden kaalgeslagen, hun kinderen zullen wenen. Er zal geen ander zijn dan Hij en degenen die hun blik naar Zijne Majesteit hebben gericht.

Op die dag, wanneer de Nar met Eén Oog door de zalen van rouw reist en de Eerste Onder het Ongedierte zijn hand uitstrekt om vrijheid te brengen aan Hij die zal Vernietigen, zullen de laatste dagen van trots voor de Gevallen Smid aanbreken.

Voorwaar, de Gebroken Wolf, degene die de Dood heeft gekend, zal vallen en worden verteerd door de Torens van Middernacht. En zijn vernietiging zal vrees en smart in het hart van mensen brengen en hun wilskracht doen beven.

En dan zal de Heer van de Avond komen. Hij zal onze ogen nemen, want onze ziel zal voor Hem buigen. Hij zal onze huid nemen, want ons vlees zal Hem dienen. Hij zal onze lippen nemen, want alleen Hem zullen we prijzen. En de Heer van de Avond zal tegenover de Gebroken Held staan, zijn bloed vergieten en ons de schitterende Duisternis brengen. Laat het geschreeuw beginnen, o volgelingen van de Schaduw. Smeek om uw vernietiging!

—uit de Voorspellingen van de Schaduw