Выбрать главу

‘Het Licht hale je, wacht op mij!’ riep Perijn.

Als we wachten, raken we de prooi kwijt. Rennen, Jonge Stier!

Perijn knarste met zijn tanden. Springer was nu nog maar een vlekje in de verte, bijna bij de bomen. Perijn wilde over die visioenen nadenken, maar daar was geen tijd voor. Als hij Springer kwijtraakte, wist hij dat hij de wolf vannacht niet meer terug zou zien. Best, dacht hij gelaten.

Het landschap bochelde om hem heen, gras schoot in een flits langs. Het leek wel alsof Perijn honderd passen met één stap had overbrugd. Hij zette nog een stap en schoot naar voren. Achter hem was een vaag waas te zien.

Het gras week voor hem uiteen. De wind blies met een geruststellend gebrul in zijn gezicht. De oerwolf binnen in hem kwam tot leven. Perijn bereikte het bos en minderde vaart. Elke stap bracht hem nu met een sprong van slechts tien voet verder. De andere wolven waren daar ook, en ze kwamen dichterbij en renden opgewonden met hem mee.

Twee poten, Jonge Stierf vroeg Eikendanser. Ze was een jeugdige wolvin met een vacht zo licht dat hij bijna wit was en een zwarte streep over haar rechterflank.

Hij gaf geen antwoord, hoewel hij zichzelf wel toestond met hen mee te rennen tussen de bomen. Wat een klein bosje had geleken, was een uitgestrekt woud geworden. Perijn liep langs stammen en varens en voelde de grond onder zijn voeten nauwelijks. Zó moest je rennen. Krachtig. Energiek. Hij sprong over omgevallen bomen heen, en zijn sprongen brachten hem zo hoog dat zijn haar langs de onderzijde van takken streek. Hij landde soepel. Het bos was van hem. Het behoorde hem toe, en hij begreep het. Zijn zorgen begonnen te vervagen. Hij liet zichzelf alles aanvaarden zoals het was, niet zoals hij vreesde dat het misschien zou worden. De wolven waren zijn broeders en zusters. Een rennende wolf in de echte wereld was een meesterwerk van evenwicht en beheersing. Hier – waar de natuurwetten zich aan hun wil onderwierpen – waren ze veel meer. Wolven sprongen op en zetten zich af tegen bomen langs de zijkanten; niets hield hen op de grond. Sommige sprongen zelfs in de takken en zweefden van boom naar boom. Het was heerlijk opwindend. Had hij ooit eerder zo het gevoel gehad dat hij leefde? Dat hij zozeer deel uitmaakte van de wereld om hem heen en er tegelijkertijd meester over was? De ruige, vorstelijke lederbladbomen werden afgewisseld met taxussen en af en toe een sierlijke koortsstruik in volle bloei. Hij lanceerde zichzelf de lucht in toen hij langs zo’n struik kwam, en de wind die hij maakte trok een storm van scharlakenrode bloesems van de takken. Ze kolkten om hem heen in een wervelend waas, gevangen in de luchtstromen, en wiegden hem in hun zoete geur.

De wolven begonnen te huilen. Voor mensen klonk alle wolvengehuil hetzelfde, maar voor Perijn was er een duidelijk verschil. Dit was gehuil van pret, het begin van de jacht.

Wacht. Dit is wat ik vreesde! Ik mag mezelf niet laten vangen. Ik ben een man, geen wolf, dacht hij.

Op dat ogenblik ving hij echter de geur van een hertenbok op. Een groot dier, een waardige prooi. Het hert was hier pasgeleden langsgekomen.

Perijn probeerde zich in te houden, maar de drang bleek te sterk. Hij stormde over het wildspoor achter die geur aan. De wolven, ook Springer, renden niet voor hem uit. Ze renden met hem mee, en er sprak genoegen uit hun geur terwijl ze hem de leiding lieten nemen. Hij was de heraut, de speerpunt, de voorhoede van de aanval. De jacht brulde achter hem. Het leek wel alsof hij de donderende golven van de oceaan zelf voorging. Maar hij hield ze ook tegen. Ik moet niet de reden zijn dat ze zich inhouden, dacht Perijn. En toen liep hij op handen en voeten, zijn boog opzij gegooid en vergeten, en werden zijn handen en voeten poten. De wolven achter hem huilden opnieuw, wederom van blijdschap. Jonge Stier had zich echt bij hen aangesloten.

De hertenbok was verderop. Jonge Stier zag hem tussen de bomen; het dier was schitterend wit, met een gewei van minstens zesentwintig punten, waar het wintervilt al afgesleten was. En hij was gigantisch, groter dan een paard. De bok draaide zich om en wierp een scherpe blik op het roedel. Zijn blik kruiste die van Perijn en hij rook dat het dier angstig was. Toen sprong de bok, met een krachtige slag van zijn achterpoten en gespannen spieren in zijn flanken, van het pad af.

Jonge Stier jankte zijn uitdaging en zette door de ondergroei de achtervolging in. De grote witte bok galoppeerde verder, en elke sprong bracht hem twintig passen vooruit. Hij raakte nergens een tak of verloor zijn evenwicht, ondanks de verraderlijke bosbodem met glibberig mos.

Jonge Stier volgde nauwkeurig, zette zijn poten op de plekken waar even eerder nog hoeven hadden gestaan, volgde elke stap. Hij hoorde het gehijg van de hertenbok, zag het zweet op zijn vacht ontstaan en rook de angst van het dier.

Maar nee. Jonge Stier zou geen genoegen nemen met de inferieure Overwinning als hij zijn prooi tot de uitputting opjoeg. Hij wilde het bloed uit zijn hals proeven, dat met volle kracht door een gezond hart werd rondgepompt. Hij wilde zijn prooi in de kracht van zijn leven verslaan.

Hij begon zijn sprongen af te wisselen, volgde niet langer exact het pad van de hertenbok. Hij moest vóór hem komen, niet volgen! De geur van de bok werd angstiger. Dat zette Jonge Stier tot grotere snelheid aan. De bok sprong naar rechts en Jonge Stier sprong, raakte een staande boomstam met alle vier zijn poten en duwde zichzelf opzij om van richting te veranderen. Zijn draai leverde hem een fractie van een hartslag voorsprong op.

Even later rende hij slechts een ademteug achter de bok aan en bracht elke sprong hem vlak bij de hoeven. Hij huilde, en zijn broeders en zusters antwoordden vlak achter hem. Deze jacht was hen allemaal.

Als één.

Maar Jonge Stier leidde.

Zijn gehuil werd een grauw van triomf toen de hertenbok weer een bocht maakte. Zijn kans was gekomen! Jonge Stier sprong over een boomstam heen en greep de nek van de bok tussen zijn kaken. Hij proefde het zweet, de vacht, het warme bloed dat opwelde rondom zijn hoektanden. Met zijn gewicht smeet hij de bok tegen de grond. Terwijl ze omrolden, hield Jonge Stier vast en dwong de hertenbok, met een huid rood van het bloed, tegen de bosbodem. De wolven jankten overwinningskreten en hij liet even los, met de bedoeling om in de keel te bijten en te doden. Er bestond niets anders. Het bos was verdwenen. Het gejank vervaagde. Alleen de prooi was er nog. De zoete prooi.

Een gestalte beukte tegen hem aan en smeet hem de struiken in. Jonge Stier schudde verdoofd zijn kop en gromde. Een andere wolf had hem tegengehouden. Springer! Waarom?

De hertenbok sprong overeind en rende weg door het bos. Jonge Stier jankte van woede en wilde de achtervolging weer inzetten. Opnieuw zette Springer zich af en smeet zijn gewicht tegen Jonge Stier aan. Als hij hier sterft, sterft hij de laatste dood, zei Springer. Deze jacht is afgelopen, Jonge Stier. We jagen een andere keer wel weer. Jonge Stier draaide zich bijna om met de bedoeling om Springer aan te vallen. Maar nee. Hij had dat al eens geprobeerd, en dat was een vergissing geweest. Hij was geen wolf. Hij...

Perijn lag op de grond, hijgend en met een gezicht dat droop van het zweet, en hij proefde bloed dat niet van hemzelf was. Hij duwde zich op zijn knieën overeind en ging zitten, nog natrillend van de schitterende, opwindende jacht.

De andere wolven gingen zitten, maar ze spraken niet. Springer ging naast Perijn liggen en legde zijn grauwe kop op zijn oude poten.

‘Dat,’ zei Perijn uiteindelijk, ‘is wat ik vrees.’

Nee, je vreest het niet, antwoordde Springer.

‘Wou je mij vertellen wat ik voel?’

Je ruikt niet angstig, zei Springer.

Perijn ging op zijn rug liggen en keek naar de takken boven hem, voelde twijgjes en bladeren onder hem knerpen. Zijn hart ging nog tekeer van de achtervolging. ‘Goed, dan maak ik me er zorgen om.’ Zorgen zijn niet hetzelfde als angst, vond Springer. Waarom zeg je het een en voel je het ander? Zorgen, zorgen, zorgen. Je doet niet anders dan je zorgen maken.