‘Nee. Ik dood ook. Als je me leert hoe ik de wolfsdroom moet beheersen, gebeurt dat dan zo?’
Ja.
Perijn keek opzij. Het bloed van de hertenbok was op een droge boomstam beland en in het hout getrokken. Op deze manier leren zou hem tot aan het randje van het wolf-zijn duwen. Maar hij had dit probleem te lang ontlopen, hoefijzers gemaakt in de smidse terwijl hij de lastigste en meest veeleisende werkstukken onaangeroerd liet liggen. Hij vertrouwde op het geurvermogen dat hij had gekregen en reikte naar de wolven wanneer hij ze nodig had, maar verder had hij ze genegeerd.
Je kon pas iets maken als je alle onderdelen ervan begreep. Hij zou pas weten hoe hij moest omgaan met de wolf binnen in hem – of hoe hij die kon afwijzen – als hij de wolfsdroom begreep. ‘Goed dan,’ zei Perijn. ‘Zo zij het.’
Galad draafde op Kloek door het kamp. Aan alle kanten zetten Kinderen tenten op en groeven vuurkuilen om zich voor te bereiden op de nacht. Zijn mannen marcheerden elke dag tot ver nadat het donker werd en stonden dan vroeg in de ochtend weer op. Hoe eerder ze Andor bereikten, hoe beter.
Die door het Licht vervloekte moerassen lagen achter hen; nu reisden ze over open grasland. Misschien zou het sneller zijn geweest als ze naar het oosten waren afgebogen en dan een van de grote wegen naar het noorden hadden genomen, maar dat zou niet veilig zijn. Ze konden beter wegblijven bij de legers van de Herrezen Draak en de Seanchanen. Het Licht zou op de Kinderen schijnen, maar er waren wel meer moedige helden in dat Licht gesneuveld. Zonder levensgevaar kon je je niet werkelijk moedig tonen, maar Galad liet zich liever door het Licht beschijnen terwijl hij nog ademhaalde. Ze hadden hun kamp opgeslagen in de buurt van de Jehannaweg en zouden die morgen oversteken en verder trekken naar het noorden. Hij had een voorhoede gestuurd om de weg in de gaten te houden. Hij wilde weten wat voor verkeer er naar deze hoofdweg kwam en had bijzonder veel behoefte aan proviand.
Galad vervolgde zijn ronde door het kamp, vergezeld door een handvol begeleiders te paard, en hij negeerde de pijn van zijn wonden. Het kamp was ordelijk en netjes. De tenten stonden gegroepeerd per legioen, en vervolgens opgesteld in concentrische ringen zonder rechte paden. Dat was bedoeld om eventuele aanvallers te vertragen en verwarren.
Een gedeelte van het kamp, nabij het midden, was leeg gelaten. Een gat in de opstelling, waar voorheen de Ondervragers hun tenten hadden. Hij had de Ondervragers opgedragen zich te verspreiden en had er aan elke compagnie twee toegewezen. Als de Ondervragers niet werden afgezonderd van de anderen, voelden ze misschien meer verwantschap met de overige Kinderen. Galad nam zich voor een nieuwe kampindeling op te stellen en dat gat weg te werken. Galad en zijn metgezellen reden verder door het kamp. Hij reed om zich te laten zien, en mannen brachten hem een saluut als hij langskwam. Hij herinnerde zich nog goed wat Garet Brin een keer had gezegd: meestal was de belangrijkste taak van een generaal niet om beslissingen te nemen, maar om de mannen eraan te herinneren dat iemand die beslissingen zóu nemen.
‘Mijn Kapiteinheer-gebieder,’ zei een van zijn metgezellen. Brandei Vordarian was een oudere man, de oudste van de kapiteinheren die onder Galad dienden. ‘Ik wou dat u zich bedacht over het versturen van die boodschap.’
Vordarian reed naast Galad, met Trom aan de andere kant. Kapiteinheren Golever en Harnesh reden achter hem, binnen gehoorsafstand, en Bornhald volgde, omdat hij vandaag optrad als Galads lijfwacht.
‘De brief moet worden verstuurd,’ zei Galad.
‘Het lijkt onbezonnen, mijn Kapiteinheer-gebieder,’ vervolgde Vordarian. De Andoraan, gladgeschoren en met zilver in zijn goudblonde haar, was een beer van een man. Galad was vaag bekend met Vordarians familie. Het waren lagere edelen die betrekkingen hadden onderhouden met het hof van zijn moeder.
Alleen een dwaas weigerde te luisteren naar goede raad van mensen die ouder en wijzer waren dan hijzelf. Maar alleen een dwaas volgde alle raad op die hem werd gegeven.
‘Misschien is het onbezonnen,’ antwoordde Galad, ‘maar het is de juiste aanpak.’ De brief was gericht aan de andere Ondervragers en Kinderen onder bestuur van de Seanchanen; er zouden er nog een aantal zijn die niet met Asunawa waren meegekomen. In de brief legde Galad uit wat er was gebeurd en droeg hun op zich zo snel mogelijk bij hem te melden. Het was onwaarschijnlijk dat er iemand zou komen, maar ze hadden toch het recht te weten wat er was voorgevallen.
Heer Vordarian zuchtte en maakte ruimte toen Harnesh naast Galad kwam rijden. De kale man krabde afwezig aan het littekenweefsel op de plaats waar vroeger zijn linkeroor zat. ‘Genoeg over die brief, Vordarian. Je stelt mijn geduld op de proef, zoals je er maar over doorgaat.’ Galad had opgemerkt dat veel dingen het geduld van de Morlander op de proef stelden.
‘U had andere dingen te bespreken, neem ik aan?’ Galad knikte naar een paar Kinderen die hout hakten en hun werk onderbraken om hem te groeten.
‘U hebt tegen Kind Bornhald, Kind Byar en anderen gezegd dat het uw bedoeling is om een bondgenootschap te sluiten met de heksen van Tar Valon!’
Galad knikte. ‘Ik snap wel dat dat een verontrustende gedachte is, maar als u erover nadenkt, zult u inzien dat het de enig juiste beslissing is.’
‘Maar de heksen zijn kwaadaardig!’
‘Dat zou kunnen,’ zei Galad. Ooit had hij dat misschien ontkend. Maar door te luisteren naar de andere Kinderen en na te denken over wat de vrouwen in Tar Valon zijn zuster hadden aangedaan, kreeg hij het gevoel dat hij misschien te mild was voor de Aes Sedai. ‘Maar, heer Harnesh, zelfs als ze kwaadaardig zijn, dan nog zijn ze van geen betekenis als je hen vergelijkt met de Duistere. De Laatste Slag is ophanden. Ontkent u dat?’
Harnesh en de anderen keken naar de lucht. De bedrukkende bewolking die nu al weken aanhield. De vorige dag was er een man ten prooi gevallen aan een vreemde ziekte, waarbij kevers uit zijn mond waren gekomen toen hij hoestte. Hun voedselvoorraden slonken nu steeds meer etenswaren bedierven. ‘Nee, dat ontken ik niet,’ mompelde Harnesh. ‘Dan zou u zich moeten verheugen,’ zei Galad, ‘want de weg is vrij. We moeten strijden tijdens de Laatste Slag. Ons leiderschap wijst mogelijk de weg van het Licht aan velen die ons hebben verworpen.
Maar zelfs al is dat niet zo, dan nog zullen we vechten, want het is onze plicht. Ontkent u dat, kapiteinheer?’
‘Wederom, nee. Maar de heksen, Kapiteinheer-gebieder?’ Galad schudde zijn hoofd. ‘Ik zie geen andere weg. We hebben bondgenoten nodig. Kijk om u heen, heer Harnesh. Hoeveel Kinderen hebben we? Zelfs met de rekruteringen van de laatste tijd hebben we nog geen twintigduizend man. Ons fort is overgenomen. We hebben geen hulp of bondgenoten, en de grote landen van de wereld honen ons. Nee, ontken het maar niet! U weet dat het waar is.’ Galad keek in de ogen van de mannen om hem heen, en een voor een knikten ze.
‘Het is de schuld van de Ondervragers,’ mompelde Harnesh. ‘Zij dragen een deel van de schuld,’ gaf Galad toe. ‘Maar het komt ook doordat zij die kwaad in de zin hebben met walging en afkeer naar ons kijken. Omdat wij staan voor wat juist is.’ De anderen knikten weer.
‘We moeten voorzichtig zijn,’ zei Galad. ‘In het verleden heeft de doortastendheid – en misschien de overdreven ijver – van de Kinderen lieden van ons vervreemd die onze bondgenoten hadden moeten zijn. Mijn moeder zei altijd dat een diplomatieke overwinning niet bereikt wordt als iedereen krijgt wat hij wil; daardoor denken ze alleen maar dat ze je overtroefd hebben, wat aanzet tot buitenissiger eisen. De kneep zit er niet in dat je iedereen tevredenstelt, maar dat je iedereen het gevoel geeft het best mogelijke te hebben bereikt. Ze moeten zo tevreden zijn dat ze doen wat je wilt, maar wel zo ontevreden dat ze weten dat je hen overtroefd hebt.’