Выбрать главу

‘En wat heeft dat met ons te maken?’ vroeg Golever achter hem. ‘Wij volgen geen koningin of koning.’

‘Inderdaad,’ zei Galad, ‘en dat jaagt monarchen angst aan. Ik ben opgegroeid aan het hof van Andor. Ik weet hoe mijn moeder de Kinderen zag. In elk soort omgang met hen raakte ze ofwel gefrustreerd, of ze besloot dat ze hen volkomen moest onderdrukken. Wij kunnen ons geen van beide reacties veroorloven! De monarchen van deze landen moeten eerbied voor ons voelen, geen haat.’

‘Duistervrienden,’ mompelde Harnesh. ‘Mijn moeder was géén Duistervriend,’ zei Galad zacht. Harnesh kleurde. ‘Zij niet, natuurlijk.’

‘U spreekt als een Ondervrager,’ zei Galad. ‘Iedereen die ons tegenwerkt, moet wel een Duistervriend zijn. Velen van hen worden inderdaad beïnvloed door de Schaduw, maar ik betwijfel of het bewust gaat. Daar ging de Hand van het Licht de fout in. De Ondervragers konden vaak het verschil niet zien tussen een geharde Duistervriend, iemand die werd beïnvloed door Duistervrienden, of iemand die het alleen maar oneens was met de Kinderen.’

‘Wat moeten we dan doen?’ vroeg Vordarian. ‘Buigen voor de grillen van monarchen?’

‘Ik weet nog niet wat we moeten doen,’ biechtte Galad op. ‘Ik zal erover nadenken. De juiste koers komt wel tot me. We mogen geen schoothondjes van koningen en koninginnen worden. Maar denk je eens in wat we binnen de grenzen van een land zouden kunnen bereiken als we konden optreden zonder een heel leger nodig te hebben om de heerser van dat land te intimideren.’

De anderen knikten peinzend.

‘Kapiteinheer-gebieder!’ riep iemand.

Galad draaide zich om en zag Byar op zijn witte hengst naar hen toe draven. Het paard was voorheen van Asunawa geweest; Galad had het geweigerd, omdat hij de voorkeur gaf aan zijn eigen vos. Galad liet zijn groep tot stilstand komen toen de magere Byar naderde, gekleed in een smetteloos witte tabberd. Byar was niet bepaald de innemendste man in het kamp, maar hij had zich trouw bewezen. Byar hoorde echter niet in het kamp te zijn.

‘Ik had je op wacht gezet bij de Jehannaweg, Kind Byar,’ zei Galad streng. ‘Die taak zou pas over vier uur voltooid zijn.’ Byar bracht hem een saluut en kwam tot stilstand. ‘Mijn Kapiteinheer-gebieder. We hebben een verdachte groep reizigers op de weg aangehouden. Wat wilt u dat we met hen doen?’

‘Jullie hebben ze aangehouden?’ vroeg Galad. ‘Ik had jullie daarheen gestuurd om de weg in het oog te houden, niet om mensen gevangen te nemen.’

‘Maar Kapiteinheer-gebieder,’ zei Byar, ‘hoe moeten we langsrijdend volk inschatten als we niet met hen praten? U wilde dat we uitkeken naar Duistervrienden.’

Galad zuchtte. ‘Ik wilde dat je oplette of je troepenverplaatsingen zag, of kooplieden die we konden benaderen, Kind Byar.’

‘Die Duistervrienden hebben proviand,’ zei Byar. ‘Ik denk dat het misschien kooplui zijn.’

Galad zuchtte opnieuw. Niemand kon ontkennen dat Byar toegewijd was; hij was met Galad naar Valda gereden, terwijl dat het einde van zijn loopbaan had kunnen betekenen. En toch kon je ook té ijverig zijn.

De magere officier keek bezorgd. Nou, Galads opdracht was kennelijk niet nauwkeurig genoeg geweest. Daar zou hij van nu af aan beter op moeten letten, vooral bij Byar. ‘Vrede,’ zei Galad, ‘je hebt niets verkeerd gedaan, Kind Byar. Hoeveel gevangenen zijn er?’

‘Tientallen, Kapiteinheer-gebieder.’ Byar keek opgelucht. ‘Volg mij maar.’

Hij wendde zijn rijdier om hen voor te gaan. Nu al werden er kookvuren aangestoken in de kuilen en rees de geur van brandend hout in de lucht op. Galad ving flarden van gesprekken op terwijl hij langs de soldaten reed. Wat zouden de Seanchanen doen met de Kinderen die waren achtergebleven? Was het werkelijk de Herrezen Draak die Illian en Tyr had veroverd, of toch een valse Draak? Er gingen geruchten over een gigantische steen uit de hemel die de aarde ver in het noorden, in Andor, had geraakt, waarbij een hele stad was verwoest en een krater was ontstaan.

De gesprekken tussen de mannen onthulden hun zorgen. Ze hadden moeten beseffen dat bezorgdheid geen enkel nut had. Niemand kon weten wat het Rad zou weven.

Byars gevangenen bleken een groep mensen met een verrassend groot aantal zwaarbeladen wagens, misschien wel honderd of nog meer. De mensen stonden opeengepakt om hun karren heen en keken met vijandige blikken naar de Kinderen. Galad fronste zijn voorhoofd en deed een snelle inspectie.

‘Dat is me nogal een karavaan,’ zei Bornhald naast hem zachtjes.

‘Kooplui?’

‘Nee,’ zei Galad zacht. ‘Dat zijn reismeubels; kijk maar naar die penverbindingen, zodat je ze in stukken kunt vervoeren. Zakken gerst voor paarden. Daar op die wagen rechts, dat is het gereedschap van een hoefsmid. Zie je de hamers eruit steken?’

‘Licht!’ fluisterde Bornhald. Hij zag het ook. Dit waren de kampvolgers van een vrij aanzienlijk leger. Maar waar waren de soldaten? ‘Bereid je voor om ze te scheiden,’ zei Galad tegen Bornhald terwijl hij afsteeg. Hij liep naar de voorste wagen toe. De menner was stevig gebouwd en had een rossig gezicht, en hij had zijn haren geschikt in een armzalige poging zijn toenemende kaalheid te verhullen. Hij zat zenuwachtig te prutsen met een bruine vilten hoed en droeg een paar handschoenen achter de riem van zijn stevige jas. Galad zag geen wapens bij hem.

Naast de kar stonden twee anderen, die veel jonger waren. Een van hen was een potige, gespierde kerel met het aanzien van een vechtersbaas – maar geen soldaat – die mogelijk problemen kon veroorzaken. Een knappe vrouw hing aan zijn arm en beet op haar onderlip.

De wagenmenner schrok toen hij Galad zag. Ach, dacht Galad, dus hij is wel zo onderlegd dat hij Morgases stiefzoon herkent. ‘Zo, reizigers,’ zei Galad behoedzaam. ‘Volgens mijn man hier zijn jullie kooplui?’

‘Ja, goede heer,’ antwoordde de menner. ‘Ik ken dit gebied niet zo goed. U wel?’

‘Niet erg, meneer,’ zei de menner, en hij wrong de hoed in zijn handen. ‘We zijn eigenlijk ver van huis. Ik ben Basel Gil, uit Caemlin. Ik ben naar het zuiden gekomen om zaken te doen met een koopman in Ebo Dar. Maar door die Seanchaanse indringers heb ik mijn vak niet kunnen uitoefenen.’

Hij leek ontzettend zenuwachtig, maar hij had in ieder geval niet gelogen over waar hij vandaan kwam. ‘En hoe heet die koopman?’ vroeg Galad.

‘Falin Deborsha, heer,’ zei Gil. ‘Bent u bekend in Ebo Dar?’

‘Ik ben er geweest,’ zei Galad rustig. ‘Dat is me nogal een karavaan die u hebt. Belangwekkende verzameling waren.’

‘We hadden gehoord dat er zich hier in het zuiden legers verzamelen, heer. Ik heb veel van deze spullen gekocht van een huurlingen-groep die werd ontbonden, omdat ik dacht dat ik ze hier wel zou kunnen verkopen. Misschien heeft uw eigen leger behoefte aan kampmeubels? We hebben tenten, verrijdbare smidsbenodigdheden, alles wat soldaten zoal nodig hebben.’

Slim, dacht Galad. Hij had die leugen kunnen slikken, maar de ‘koopman’ had te veel koks, wasvrouwen en hoefsmeden bij zich, en lang niet voldoende wachters voor zo’n waardevolle karavaan. ‘Ik begrijp het,’ zei Galad. ‘Nou, toevallig heb ik inderdaad dingen nodig. Vooral voedsel.’

‘Helaas, heer,’ zei de man. ‘Ons voedsel kunnen we niet missen. Al het andere wil ik verkopen, maar het voedsel heb ik middels een boodschapper aan iemand in Lugard beloofd.’

‘Ik betaal meer.’

‘Ik heb een belofte gedaan, goede heer,’ zei de man. ‘Die zou ik niet kunnen breken, ongeacht uw prijs.’

‘Juist.’ Galad gebaarde naar Bornhald. De soldaat gaf enkele bevelen en Kinderen in witte tabberds kwamen met getrokken wapens naar voren.

‘Wat... wat doet u?’ vroeg Gil.

‘Je mensen van elkaar scheiden,’ zei Galad. ‘We praten met ieder van hen afzonderlijk om te kijken of hun verhalen overeenkomen. Ik ben bang dat je niet helemaal... openhartig tegen ons bent. Ik heb namelijk de indruk dat jullie de kampvolgers van een groot leger zijn. Als dat zo is, dan zou ik heel graag willen weten wiens leger het is, niet te vergeten waar het is.’