Выбрать главу

Gils voorhoofd begon bezweet te raken toen Galads soldaten handig de gevangenen van elkaar scheidden. Galad wachtte een tijdje en keek naar Gil. Uiteindelijk kwamen Bornhald en Byar naar hem toe gedraafd, met hun handen op hun zwaard. ‘Mijn Kapiteinheer-gebieder,’ zei Bornhald indringend. Galad wendde zich van Gil af. ‘Ja?’

‘We hebben mogelijk een probleempje,’ zei Bornhald. Zijn gezicht had een kleur van woede. Naast hem waren de ogen van Byar groot, bijna wild. ‘Enkele gevangenen hebben gepraat. U had gelijk. Er is een groot leger in de buurt. Ze hebben schermutselingen gehad met Aiel. Die kerels daar, in die witte mantels, zijn zelf ook Aiel.’

‘En?’

Byar spoog opzij. ‘Hebt u wel eens gehoord van een man genaamd Perijn Guldenoog?’

‘Nee. Moet ik die kennen?’

‘Ja,’ zei Bornhald. ‘Hij heeft mijn vader vermoord.’

5

Geschriften

Gawein haastte zich door de gangen van de Witte Toren. Zijn gelaarsde voeten bonkten over een diepblauwe loper die de rode en witte vloertegels bedekte. Staande spiegellampen reflecteerden het licht, elk als een schildwacht langs zijn pad. Sleet liep snel naast hem mee. Ondanks het licht van de lampen leek Sleets gezicht half in schaduwen gehuld. Misschien kwam het door de stoppels van zeker twee dagen op zijn wangen – ongebruikelijk voor een Zwaardhand – of zijn lange haar, dat schoon was maar niet geschoren. Of misschien kwam het door zijn gelaatstrekken. Ongelijkmatig, als een onvoltooide tekening, met scherpe lijnen, een kuiltje in zijn kin, een kromme neus omdat die ooit gebroken was geweest, en opvallende jukbeenderen.awein haastte zich door de gangen van de Witte Toren. Zijn gelaarsde voeten bonkten over een diepblauwe loper die de rode en witte vloertegels bedekte. Staande spiegellampen reflecteerden het licht, elk als een schildwacht langs zijn pad. Sleet liep snel naast hem mee. Ondanks het licht van de lampen leek Sleets gezicht half in schaduwen gehuld. Misschien kwam het door de stoppels van zeker twee dagen op zijn wangen – ongebruikelijk voor een Zwaardhand – of zijn lange haar, dat schoon was maar niet geschoren. Of misschien kwam het door zijn gelaatstrekken. Ongelijkmatig, als een onvoltooide tekening, met scherpe lijnen, een kuiltje in zijn kin, een kromme neus omdat die ooit gebroken was geweest, en opvallende jukbeenderen.

Hij had de soepele bewegingen van een Zwaardhand, maar met een primitievere uitstraling dan de meeste anderen. In plaats van de jager in het bos was hij het stille, in schaduwen gehulde roofdier dat pas door de prooi werd opgemerkt als zijn tanden fonkelden. Ze kwamen aan op een kruising waar enkele van Chubains wachters een van de gangen versperden. Ze hadden zwaarden omgegespt en droegen witte tabberds versierd met de Vlam van Tar Valon. Een van hen stak zijn hand op.

‘Ik mag naar binnen,’ zei Gawein. ‘De Amyrlin...’

‘De zusters zijn nog niet klaar,’ antwoordde de wachter vijandig. Gawein knarste met zijn tanden, maar er viel niets aan te doen. Hij en Sleet stapten achteruit en wachtten tot er – eindelijk – drie Aes Sedai de bewaakte kamer uit kwamen. Ze leken verontrust. Ze beenden weg, gevolgd door twee soldaten die een in witte doeken gewikkelde bundel meedroegen. Het lijk.

Eindelijk stapten de twee wachters met tegenzin opzij en lieten Gawein en Sleet erlangs. Ze haastten zich door de gang en gingen een kleine leeskamer binnen. Gawein aarzelde bij de deur en keek achterom de gang in. Hij zag een paar Aanvaarden fluisterend om de hoek gluren.

Met deze moord waren er nu vier zusters dood. Egwene had haar handen vol aan haar pogingen om te voorkomen dat de Ajahs terug zouden grijpen naar hun wantrouwen jegens elkaar. Ze had iedereen gewaarschuwd om op hun hoede te zijn en zusters opgedragen niet in hun eentje rond te lopen. De Zwarte Ajah kende de Witte Toren goed, aangezien de leden ervan hier al jaren woonden. Met Poorten konden ze de gangen in glippen en moorden plegen. Althans, dat was de officiële verklaring voor de sterfgevallen. Gawein was er niet zo zeker van. Hij dook de kamer in, en Sleet volgde.

Chubain was er zelf. De knappe man wierp een blik op Gawein en meteen krulden zijn lippen omlaag. ‘Heer Trakand.’

‘Kapitein,’ antwoordde Gawein, om zich heen kijkend in de kamer. Die was ongeveer drie vierkante passen groot, met een schrijftafel tegen de achterste muur en een kolenbrander die niet was aangestoken. Een bronzen lamp stond te branden in de hoek, en een rond kleed bedekte bijna de gehele vloer. Onder de schrijftafel was dat kleed besmeurd met een donkere vloeistof.

‘Denk je nou echt dat jij iets zult vinden wat de zusters niet hebben gevonden, Trakand?’ vroeg Chubain, die zijn armen over elkaar sloeg.

‘Ik zoek naar andere dingen,’ zei Gawein, en hij stapte naar voren. Hij knielde neer om het kleed te bekijken.

Chubain snoof en liep de gang in. De Torenwacht zou deze ruimte bewaken totdat er bedienden waren geweest om schoon te maken. Gawein had een paar minuten de tijd.

Sleet stapte naar een van de wachters bij de deur toe. Ze waren niet zo vijandig tegen hem als ze meestal tegen Gawein deden. Hij was er nog steeds niet achter waarom ze hem zo benaderden.

‘Was ze alleen?’ vroeg Sleet met zijn schorre stem.

‘Ja,’ antwoordde de wachter hoofdschuddend. ‘Ze had de goede raad van de Amyrlin niet in de wind moeten slaan.’

‘Wie was ze?’

‘Kateri Nepvue, van de Witte Ajah. Al twintig jaar een zuster.’ Gawein gromde terwijl hij over de vloer bleef kruipen om het kleed te bekijken. Vier zusters uit vier verschillende Ajahs. Twee van hen hadden Egwene gesteund, een van hen had Elaida gesteund, en een van hen was neutraal geweest, aangezien ze nog maar pas terug was. Allemaal waren ze vermoord op verschillende verdiepingen van de Toren en op verschillende tijden van de dag.

Het léék in ieder geval wel het werk van de Zwarte Ajah. Ze zochten niet naar specifieke doelwitten, gewoon naar handige. Maar het voelde wat hem betrof niet goed. Waarom Reisden ze niet gewoon ’s nachts naar de vertrekken van de zusters om ze in hun slaap te vermoorden? Waarom had niemand bespeurd dat er werd geleid op de plekken waar de vrouwen waren vermoord? Sleet bekeek de deur en het slot met een zorgvuldig oog. Toen Egwene tegen Gawein had gezegd dat hij de plaatsen mocht bezoeken waar de moorden waren gepleegd, had hij gevraagd of hij Sleet dan mocht meenemen. In Gaweins eerdere omgang met de Zwaardhand had Sleet bewezen dat hij niet alleen grondig was, maar ook zijn mond kon houden.

Gawein bleef rondkijken. Egwene was ergens zenuwachtig over, daar was hij van overtuigd. Ze was niet helemaal open tegen hem over die moorden. Hij zag geen kerven in het tapijt of de tegels, geen halen in de meubels in het benauwde kamertje.

Egwene beweerde dat de moordenaars via een Poort binnenkwamen, maar daar had hij geen bewijzen voor gevonden. Goed, hij wist nog niet veel over Poorten, en hij had gehoord dat mensen ze boven de grond konden laten zweven zodat ze geen schade aanrichtten, maar waarom zou de Zwarte Ajah zich daar druk om maken? Bovendien was deze kamer zo klein dat het hem heel lastig leek om hier binnen te komen zonder een of ander spoor achter te laten. ‘Gawein, kom eens hier,’ zei Sleet. De kleinere man zat nog op zijn knieën bij de deur.

Gawein stapte naar hem toe. Sleet schoof de grendel een paar keer in en uit het slot. ‘Deze deur is mogelijk geforceerd,’ zei hij zacht. ‘Zie je die krassen hier op de grendel? Je kunt dit soort sloten open krijgen door er een dunne speld in te steken en op de grendel te duwen, en daarna druk te zetten op de klink. Dat kan heel geruisloos.’

‘Waarom zou de Zwarte Ajah een deur moeten forceren?’ vroeg Gawein.

‘Misschien zijn ze de gang in Gereisd en toen doorgelopen totdat ze licht onder een deuropening door zagen komen,’ zei Sleet.

‘Waarom hebben ze dan geen Poort naar binnen gemaakt?’

‘Met geleiden zouden ze de vrouw binnen hebben gewaarschuwd,’ zei Sleet.

‘Dat is waar,’ zei Gawein. Hij keek naar de bloedvlek. De schrijftafel was zo neergezet dat de gebruikster ervan met haar rug naar de deur zat. Die opstelling bezorgde Gawein jeuk tussen zijn schouderbladen. Wie zette een schrijftafel nu zó neer? Een Aes Sedai die dacht dat ze volkomen veilig was en die de afleidingen op de gang zo veel mogelijk buiten wilde sluiten. Aes Sedai, hoe sluw ze ook waren, leken soms wel een opmerkelijk slecht ontwikkeld gevoel voor zelfbehoud te hebben.