Of misschien dachten ze gewoon niet zoals soldaten. Hun Zwaardhanden hielden zich met dat soort dingen bezig. ‘Had ze een Zwaardhand?’
‘Nee,’ zei Sleet. ‘Ik heb haar wel eens ontmoet. Ze had er geen.’ Hij aarzelde. ‘Geen van de vermoorde zusters had trouwens een Zwaardhand.’
Gawein trok een wenkbrauw naar Sleet op.
‘Logisch,’ zei Sleet. ‘De moordenaar wilde geen Zwaardhanden waarschuwen.’
‘Maar waarom is de moord gepleegd met een mes?’ vroeg Gawein. Alle vier waren ze zo vermoord. ‘De Zwarte Ajah hoeft zich niet aan de Drie Geloften te houden. Zij kunnen met de Kracht doden. Veel rechtstreekser, veel gemakkelijker.’
‘Maar dan zouden ze ook weer het gevaar lopen het slachtoffer of anderen in de buurt te waarschuwen,’ merkte Sleet op. Weer een goed punt. Toch leek er aan die moorden iets niet te kloppen.
Of misschien graaide hij naar niets, wilde hij iéts bijdragen. Hij hoopte dat als hij Egwene hierbij kon helpen, ze milder tegen hem zou worden. Misschien zou ze hem dan vergeven dat hij haar uit de Toren had gered tijdens de Seanchaanse aanval.
Chubain kwam even later binnen. ‘Ik vertrouw erop dat u voldoende tijd hebt gehad, heer,’ zei hij stijfjes. ‘De bedienden zijn hier om schoon te maken.’
Onuitstaanbare vent! dacht Gawein. Moet hij zo laatdunkend tegen me doen? Ik zou...
Nee. Gawein dwong zichzelf zijn geduld te bewaren. Vroeger had hem dat lang niet zoveel moeite gekost.
Waarom was Chubain eigenlijk zo vijandig tegen hem? Gawein merkte dat hij zich afvroeg hoe zijn moeder met zo’n man zou zijn omgegaan. Gawein dacht niet vaak aan haar, want daarbij gingen zijn gedachten altijd naar Altor. Dié moordenaar hadden ze wel zomaar uit de Witte Toren laten weglopen! Egwene had hem in handen gehad en hem laten lopen.
Goed, Altor was de Herrezen Draak. Maar in zijn hart wilde Gawein Altor het liefst tegemoet treden met een zwaard in de hand en het staal door zijn hart drijven, Herrezen Draak of niet. Altor zou je verscheuren met de Ene Kracht, hield hij zich voor. Je stelt je aan, Gawein Trakand. Zijn haat ten opzichte van Altor bleef toch smeulen.
Een van de wachters stapte naar Chubain toe, zei iets en wees naar de deur. Chubain leek geërgerd dat zijn eigen mensen het geforceerde slot niet hadden opgemerkt. De Torenwacht was geen politiemacht – daar hadden de zusters geen behoefte aan, en ze waren hoe dan ook zelf beter in dit soort onderzoeken – maar Chubain scheen toch gedreven om de moorden een halt toe te roepen. Het was immers zijn plicht om de Toren en de bewoonsters ervan te beschermen.
Hij en Gawein werkten dus naar hetzelfde toe. Maar Chubain deed alsof dit een wedstrijd tussen hen was. Hoewel de Torenwacht feitelijk wel het onderspit had gedolven tegen Brins leger tijdens de verdeling van de Toren, dacht Gawein. En voor zover hij weet, ben ik een van de meest vertrouwde mannen van Brin. Gawein was geen Zwaardhand, maar hij was wel een vriend van de Amyrlin. Hij deelde maaltijden met Brin. Hoe zou dat op Chubain overkomen, vooral nu Gawein de bevoegdheid had gekregen om de moorden te onderzoeken?
Licht, dacht Gawein toen Chubain hem een vijandige blik toewierp. Hij denkt dat ik zijn baan wil hebben. Hij denkt dat ik hoofdkapitein van de Torenwacht wil worden!
Dat was bespottelijk. Gawein had Eerste Prins van het Zwaard kunnen zijn – had Eerste Prins van het Zwaard móéten zijn – aanvoerder van de legers van Andor en beschermer van de koningin. Hij was de zoon van Morgase Trakand, een van de invloedrijkste en machtigste heersers die Andor ooit had gekend. Hij wilde de positie van die man niet.
Maar zo zou het er voor Chubain niet uitzien. Onteerd door de verwoestende Seanchaanse aanval had hij vast het gevoel dat zijn betrekking in gevaar was.
‘Kapitein,’ zei Gawein, ‘kan ik u even onder vier ogen spreken?’ Chubain keek Gawein argwanend aan, maar toen knikte hij in de richting van de gang. Ze trokken zich terug. Zenuwachtige Torenbedienden wachtten buiten tot ze het bloed konden opruimen. Chubain sloeg zijn armen over elkaar en keek Gawein afwachtend aan. ‘Wat kan ik voor u doen, heer?’
Hij benadrukte die rang vaak. Rustig blijven, dacht Gawein. Hij schaamde zich nog steeds voor hoe hij zich een weg Brins kamp in had gebaand, maar dat moest hij nu van zich afzetten. Het leven met de Jongelingen, de verwarring en vervolgens de schande van de gebeurtenissen rond het breken van de Toren, dat alles had hem veranderd. Hij kon dat pad niet verder volgen.
‘Kapitein,’ zei Gawein, ‘ik stel het op prijs dat u me de kamer hebt laten bekijken.’
‘Ik had niet veel keus.’
‘Dat besef ik. Maar toch hebt u mijn dank. Het is belangrijk voor me dat de Amyrlin ziet dat ik help. Als ik iets vind wat de zusters over het hoofd hebben gezien, dan kan dat veel voor me betekenen.’
‘Ja,’ zei Chubain, en hij kneep zijn ogen samen. ‘Dat zal best.’
‘Misschien bindt ze me dan eindelijk als haar Zwaardhand.’ Chubain knipperde met zijn ogen. ‘Haar... Zwaardhand?’
‘Ja. Ooit leek het bijna zeker dat ze mij zou kiezen, maar nu... Nou, als ik u kan helpen bij dit onderzoek, misschien neemt haar woede op mij dan wat af.’ Hij legde zijn hand op Chubains schouder en kneep erin. ‘Ik zal uw hulp niet vergeten. U noemt me heer, maar die benaming betekent nu zo goed als niets meer voor me. Het enige wat ik wil, is Egwenes Zwaardhand zijn en haar beschermen.’ Chubain fronste zijn voorhoofd. Toen knikte hij en leek zich te ontspannen. ‘Ik hoorde jullie praten. Jullie zoeken naar sporen van Poorten. Waarom?’
‘Ik denk niet dat dit het werk is van de Zwarte Ajah,’ antwoordde Gawein. ‘Ik denk dat het eerder een grijzel is, of een huurmoordenaar. Een Duistervriend onder de paleisbedienden, misschien? Ik bedoel, kijk maar naar hoe die vrouwen zijn vermoord. Met messen.’ Chubain knikte. ‘Er waren ook sporen van een worsteling. De zusters die onderzoek hebben gedaan, hadden het daarover. De boeken waren van tafel geveegd. Ze dachten dat het slachtoffer dat zelf had gedaan, maaiend met haar armen toen ze stierf.’
‘Merkwaardig,’ zei Gawein. ‘Als ik een Zwarte zuster was, zou ik de Ene Kracht gebruiken, of anderen dat nu zouden kunnen voelen of niet. Vrouwen geleiden doorlopend in de Toren, dus het zou niet eens opvallen. Ik zou mijn slachtoffer verlammen met wevingen, haar vermoorden met de Kracht en dan ontsnappen voordat iemand iets vreemds opmerkte. Zonder worsteling.’
‘Mogelijk,’ zei Chubain. ‘Maar de Amyrlin schijnt ervan overtuigd te zijn dat dit het werk is van Zwarte zusters.’
‘Ik zal eens met haar praten om te achterhalen waarom,’ zei Gawein. ‘Voorlopig moet u misschien aan degenen die het onderzoek uitvoeren voorstellen dat het wel eens verstandig kan zijn om de paleisbedienden te verhoren? Met deze redenering?’
‘Ja... Dat kan ik wel doen.’ De man knikte en leek zich minder bedreigd te voelen.
De twee stapten opzij en Chubain gebaarde dat de bedienden naar binnen konden om schoon te maken. Sleet kwam naar buiten, met een peinzend gezicht. Hij hield tussen twee vingers iets omhoog. ‘Zwarte zijde,’ zei hij. ‘Er valt niet te achterhalen of het van de dader komt.’
Chubain pakte het stukje textiel aan. ‘Vreemd.’
‘Een Zwarte zuster zou zich vast niet bekendmaken door zwart te dragen,’ zei Gawein. ‘Een gewone huurmoordenaar, echter, draagt vaak donkere kleuren om minder zichtbaar te zijn.’ Chubain wikkelde het stukje zijde in een zakdoek en stopte die in zijn zak. ‘Ik zal dit naar Seaine Sedai brengen.’ Hij leek onder de indruk.
Gawein knikte naar Sleet, en samen vertrokken ze. ‘Het is de laatste tijd een drukte van belang in de Witte Toren met terugkerende zusters en nieuwe Zwaardhanden,’ zei Sleet zacht. ‘Hoe zou iemand in het zwart – hoe steels ook – helemaal naar de bovenverdiepingen kunnen komen zonder aandacht te trekken?’