‘Ze zeggen dat grijzels het vermogen hebben om onopgemerkt te blijven,’ antwoordde Gawein. ‘Volgens mij is dit nog meer bewijs. Ik bedoel, het lijkt me vreemd dat niemand die Zwarte zusters feitelijk heeft gezien. We gaan uit van een heleboel aannames.’ Sleet knikte en keek naar een drietal Novices dat zich had verzameld om naar de wachters te gapen. Ze zagen Sleet kijken en kwetterden opgewonden tegen elkaar voordat ze zich weg haastten. ‘Egwene weet meer dan ze vertelt,’ zei Gawein. ‘Ik praat wel met haar.’
‘Gesteld dat ze je wil ontvangen,’ merkte Sleet op. Gawein gromde geërgerd. Ze liepen via een reeks hellingen omlaag naar de verdieping met de werkkamer van de Amyrlin. Sleet bleef bij hem. Zijn Aes Sedai, een Groene zuster genaamd Hattori, had maar zelden taken voor hem. Ze wilde nog steeds ook graag Gawein als Zwaardhand hebben; en Gawein was zo woest op Egwene dat hij half de neiging had om zich door Hattori te laten binden. Nee. Nee, niet echt. Hij hield van Egwene, hoewel ze hem frustreerde. Het was niet gemakkelijk geweest om Andor voor haar op te geven; en niet te vergeten de Jongelingen. Toch weigerde ze nog altijd hem te binden.
Hij bereikte haar werkkamer en benaderde Silviana. De Hoedster zat achter haar nette, ordentelijke tafel in de voorkamer voor Egwenes werkkamer. De vrouw bekeek Gawein van top tot teen, maar haar ogen waren onpeilbaar achter haar Aes Sedai-masker. Hij vermoedde dat ze hem niet mocht.
‘De Amyrlin stelt een brief van enig belang op,’ zei Silviana. ‘Je mag wachten.’
Gawein deed zijn mond open.
‘Ze heeft verzocht of niemand haar wilde storen,’ zei Silviana, die zich weer op het document richtte dat ze had zitten lezen. ‘Je mag wachten.’
Gawein zuchtte, maar knikte. Terwijl hij dat deed, ving Sleet zijn blik en gebaarde dat hij wegging. Waarom was hij eigenlijk met Gawein mee hiernaartoe gelopen? Hij was een vreemde man. Gawein wuifde ten afscheid, en Sleet verdween in de gang. De voorkamer was een prachtige ruimte met een dieprood kleed en houten panelen tegen de stenen muren. Hij wist uit ervaring dat geen van de stoelen gerieflijk was, maar er was wel een venster. Gawein liep ernaartoe voor wat frisse lucht en legde zijn arm op de diepe vensterbank om uit te staren over het terrein van de Witte Toren. Zo hoog hierboven voelde de lucht frisser, schoner. Beneden zag hij de nieuwe oefenterreinen voor de Zwaardhanden. De oude waren afgegraven, op de plek waar Elaida was begonnen met de bouw van haar paleis. Niemand wist zeker wat Egwene uiteindelijk met het bouwwerk zou gaan doen.
Het was druk op het oefenterrein, met vele gestalten die vochten, renden, schermden. Na de instroom van vluchtelingen, soldaten en huurlingen waren er velen die zichzelf geschikt achtten om Zwaardhand te worden. Egwene had de terreinen opengesteld voor iedereen die wilde oefenen en een poging wilde doen zich te bewijzen, net zoals ze in de komende weken zoveel vrouwen tot de stola wilde verheffen als er klaar voor waren.
Gawein had een paar dagen geoefend, maar de spoken van de mannen die hij had gedood leken daar beneden sterker aanwezig. Die oefenterreinen waren een deel van zijn vroegere leven, uit een tijd voordat alles mis begon te gaan. Andere Jongelingen waren met gemak – en blijdschap – teruggekeerd naar dat leven. Nu al waren Jisao, Rajar, Durrent en de meeste andere officiers die hij had gehad, verkozen als Zwaardhanden. Binnen niet al te lange tijd zou er niets meer van zijn groep over zijn. Behalve Gawein zelf.
De binnendeur klikte en er klonken gedempte stemmen. Gawein draaide zich om en zag Egwene, gekleed in groen en geel, naar binnen lopen om met Silviana te overleggen. De Hoedster wierp een blik op hem, en hij dacht een spoortje van een frons op haar gezicht te zien.
Egwene zag hem. Ze hield haar gezicht sereen als een Aes Sedai – wat was ze daar snel goed in geworden – en hij merkte dat hij slecht op zijn gemak was.
‘Er was weer een sterfgeval vanochtend,’ zei hij zachtjes terwijl hij naar haar toe liep.
‘Strikt genomen,’ zei Egwene, ‘was het vannacht.’
‘Ik moet met je praten,’ liet Gawein zich ontvallen.
Egwene en Silviana keken elkaar even aan. ‘Goed dan,’ zei Egwene, en ze schreed haar werkkamer weer in.
Gawein volgde zonder naar de Hoedster te kijken. De werkkamer van de Amyrlin was een van de mooiste kamers in de Toren. De wanden waren bekleed met een lichtgekleurde, gestreepte houtsoort, waarin met veel zorg prachtige taferelen waren uitgesneden. De haard was van marmer, de vloer van donkerrode stenen die in ruitvormen waren uitgehakt. Op Egwenes grote, bewerkte schrijftafel stonden twee lampen. Ze hadden de vorm van vrouwen die hun handen in de lucht hieven, met vlammen tussen hun handpalmen. Tegen een muur stonden boekenkasten vol boeken die – zo leek het – waren gerangschikt op kleur en afmeting in plaats van onderwerp. Ze stonden er voor de sier, binnengebracht om de werkkamer van de Amyrlin wat aan te kleden totdat Egwene haar eigen keuzes maakte.
‘Wat wilde je zo nodig bespreken?’ vroeg Egwene terwijl ze achter haar tafel plaatsnam.
‘De moorden,’ antwoordde Gawein.
‘Wat is daarmee?’
Gawein sloot de deur. ‘Het Licht verzenge me, Egwene. Moet je me elke keer als we elkaar spreken de Amyrlin laten zien? Mag ik af en toe niet een keer Egwene zien?’
‘Ik laat je de Amyrlin zien,’ zei Egwene, ‘omdat je weigert haar te aanvaarden. Zodra je dat doet, kunnen we dat misschien achter ons laten.’
‘Licht! Je praat al net zoals zij.’
‘Dat komt doordat ik een van hen bén,’ zei ze. ‘Je woordkeus verraadt je. De Amyrlin kan niet worden gediend door lieden die weigeren haar gezag te aanvaarden.’
‘Ik aanvaard je,’ zei Gawein. ‘Echt waar, Egwene. Maar is het niet belangrijk om mensen om je heen te hebben die je kennen als jezelf in plaats van alleen als die titel?’
‘Zolang ze weten dat er ook plaats is voor gehoorzaamheid.’ Haar gezicht verzachtte. ‘Je bent er nog niet klaar voor, Gawein. Het spijt me.’ Hij klemde zijn kaken op elkaar. Niet aanstellen, hield hij zich voor. ‘Goed. Over die moorden dan. Het is ons opgevallen dat geen van de vermoorde vrouwen een Zwaardhand had.’
‘Ja, daar heb ik een verslag over ontvangen,’ antwoordde Egwene. ‘Toch,’ zei hij, ‘leidt me dat naar een belangrijkere zaak. We hebben niet voldoende Zwaardhanden.’ Egwene fronste haar voorhoofd.
‘We bereiden ons voor op de Laatste Slag, Egwene,’ zei Gawein. ‘En toch zijn er zusters zonder Zwaardhanden. Heel véél zusters. Sommigen hadden er een, maar hebben nooit een nieuwe genomen nadat de vorige was overleden. Anderen hebben er nooit een gewild. Ik denk niet dat jullie je dat kunnen veroorloven.’
‘Wat wil je dan dat ik doe?’ vroeg ze, en ze sloeg haar armen over elkaar. ‘De vrouwen bevélen om Zwaardhanden te nemen?’
‘Ja.’
Ze lachte. ‘Gawein, zoveel macht heeft de Amyrlin niet.’
‘Zorg dan dat de Zaal het doet.’
‘Je weet niet wat je zegt. Het kiezen van een Zwaardhand is een zeer persoonlijke en gevoelsmatige beslissing. Daar moet geen enkele vrouw toe worden gedwongen.’
‘Nou,’ zei Gawein, die zich weigerde te laten afschrikken, ‘de keus om ten strijde te trekken is ook zeer “persoonlijk en gevoelsmatig”, maar overal in het land worden mannen ertoe opgeroepen. Gevoelens zijn minder belangrijk dan overleven.
Zwaardhanden houden zusters in leven, en elke Aes zal straks van doorslaggevend belang zijn. Er komen vele, vele legioenen Trolloks aan. Elke zuster in het veld zal waardevoller zijn dan honderd soldaten, en elke zuster die Heling kan toepassen, zal in staat zijn tientallen levens te redden. De Aes Sedai zijn aanwinsten die de mensheid toebehoren. Je kunt het je niet veroorloven om ze onbeschermd te laten rondlopen.’
Egwene schoof een stukje achteruit bij de vurigheid van zijn betoog.
Toen knikte ze ineens. ‘Misschien zit er wel... wijsheid in die woorden, Gawein.’