Выбрать главу

Ze schonk wat muntthee in uit de pot die op haar tafel stond. Vreemd genoeg bedierf het de laatste tijd niet meer zo snel, en deze kom smaakte best goed. Ze had Gawein niets verteld over de andere reden dat ze niet wilde dat hij ’s nachts voor haar deur stond. Ze sliep slecht, wetend dat hij daar was, zo dichtbij. Ze was bang dat ze haar beheersing zou verliezen en naar hem toe zou gaan. Silviana’s riem had haar wil nooit kunnen breken, maar Gawein Trakand... hij kwam er gevaarlijk dicht bij in de buurt.

Graendal wachtte op de boodschapper. Zelfs hier, in haar geheime schuilplaats, was zijn aankomst niet onverwacht. De Uitverkorenen konden zich niet verstoppen voor de Grote Heer. Deze schuilplaats was geen paleis, geen mooi landhuis of een oud fort. Het was een grot op een eiland waar niemand om gaf, in een gedeelte van de Arythische Oceaan waar nooit iemand kwam. Voor zover zij wist, was er nergens in de buurt iets van belang te vinden. Het onderkomen was regelrecht verschrikkelijk. Zes van haar minder gewaardeerde dienaren zorgden ervoor, aangezien het slechts uit drie kamers bestond. Ze had de ingang afgesloten met steen, zodat je er alleen via een Poort in of uit kon. Drinkwater verkregen ze uit een natuurlijke bron, voedsel haalden ze uit voorraden die Graendal hier eerder naartoe had gebracht, en lucht kwam binnen door spleten. Het was er bedompt, en het was nederig. Met andere woorden, het was het soort plek waar niemand haar zou verwachten. Iedereen wist dat Graendal niet zonder weelde kon. Dat was waar. Maar het beste aan voorspelbaar zijn, was dat je zodoende onverwachte dingen kon doen.

Helaas was niets van dat alles van toepassing op de Grote Heer. Graendal keek naar de geopende Poort voor haar terwijl ze onderuitgezakt op een stoel bekleed met gele en blauwe zijde zat. De boodschapper bleek een man met een plat gezicht en een diepgebronsde huid, gekleed in het zwart en rood. Hij hoefde niet te spreken; zijn aanwezigheid hier was de boodschap. Een van haar huisdieren – een mooie vrouw met zwart haar en grote bruine ogen, ooit een Tyreense hoogvrouwe – staarde naar de Poort. Ze leek bang. Graendal voelde zich eigenlijk net zo.

Ze sloot het in hout gebonden boekje met als titel Een licht in de sneeuw en stond op, gekleed in een gewaad van dunne zwarte zijde met linten van streel erlangs. Ze stapte door de Poort, waarbij ze zorgvuldig zelfverzekerdheid uitstraalde.

Moridin wachtte in zijn zwart stenen paleis. Er stonden geen meubels in de kamer; alleen een haard waarin een vuur brandde. Grote Heer! Een vuur, op zo’n warme dag? Ze behield haar zelfbeheersing en begon niet te zweten.

Hij draaide zich naar haar om en ze zag de zwarte vlekjes van saa in zijn ogen drijven. ‘Je weet waarom ik je heb laten roepen.’ Het was geen vraag.

‘Ja.’

‘Aran’gar is dood, verloren, en dat terwijl de Grote Heer haar ziel de vorige keer al had verhuisd. Je zou gaan denken dat je een gewoonte begint te maken van dit soort dingen, Graendal.’

‘Ik leef om te dienen, Nae’blis,’ zei ze. Zelfvertrouwen! Ze moest zelfverzekerd lijken.

Hij aarzelde maar heel even. Mooi. ‘Je wilt toch niet suggereren dat Aran’gar een verraadster was?’

‘Wat?’ vroeg Graendal. ‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Hoe heb je ons dan een dienst bewezen?’

Graendal plakte een uitdrukking van bezorgde verwarring op haar gezicht. ‘Nou, ik volgde het bevel op dat me was gegeven. Ben ik hier dan niet om een lofbetuiging in ontvangst te nemen?’

‘Verre van,’ antwoordde Moridin droogjes. ‘Ik trap niet in die geveinsde verwarring van je, vrouw.’

‘Hij is niet geveinsd,’ zei Graendal, ter voorbereiding op haar leugen. ‘Hoewel ik niet verwachtte dat de Grote Heer verheugd zou zijn om het verlies van een Uitverkorene, waren de baten overduidelijk groter dan de kosten.’

‘Wat voor baten?’ grauwde Moridin. ‘Je hebt je laten verrassen en bent zo dom geweest om het leven van een Uitverkorene te verspelen! Juist bij jou hadden we erop moeten kunnen rekenen dat je niet per ongeluk op Altor stuitte.’

Hij wist niet dat ze Aran’gar had vastgebonden en had laten sterven; hij dacht dat het een vergissing was geweest. Mooi zo. ‘Per ongeluk?’ vroeg ze vol afgrijzen. ‘Maar nee... Moridin, hoe kun je nou denken dat hij me per ongeluk heeft gevonden!’

‘Heb je dit met ópzet gedaan?’

‘Natuurlijk,’ zei Graendal. ‘Ik heb hem bijna aan de hand naar Natrins Terp moeten sleuren. Lews Therin had er altijd moeite mee de feiten te zien die recht voor zijn neus lagen. Moridin, snap je het niet? Hoe zal Lews Therin reageren op wat hij heeft gedaan? Een heel fort verwoest, een stad in het klein, met honderden inwoners? Onschuldige mensen doden om zijn doel te bereiken? Zal hij daar rustig onder kunnen blijven?’

Moridin aarzelde. Nee, daar had hij niet aan gedacht. Vanbinnen glimlachte ze. Voor hem zouden Altors acties volkomen logisch zijn geweest. Het was de meest voor de hand liggende en dus de verstandigste weg geweest om een doel te bereiken.

Maar Altor zelf... zijn hoofd zat vol dagdromen over eer en deugd, en hij zou zich deze gebeurtenis aantrekken. Graendal versterkte dat door tegen Moridin naar hem te verwijzen als Lews Therin. Deze daden zouden Altor verscheuren, in zijn ziel rijten, zijn hart geselen tot het rauw was en bloedde. Hij zou nachtmerries hebben, zijn schuld op zijn schouders dragen als het juk van een zwaarbeladen wagen.

Ze kon zich vaag herinneren hoe het was geweest toen ze die eerste paar stappen in de richting van de Schaduw nam. Had ze ooit die domme pijn gevoeld? Ja, helaas. Dat was niet bij alle Uitverkorenen het geval. Semirhage was van het begin af aan tot op het bot slecht geweest. Maar er waren ook Uitverkorenen die andere paden naar de Schaduw hadden gevolgd, zoals Ishamael.

Ze zag die herinneringen, zo ver in het verleden, in Moridins ogen. Ooit was ze er niet zeker van geweest wie die man was, maar nu wel. Het gezicht was anders, maar de ziel was dezelfde. Ja, hij wist heel goed wat Altor doormaakte.

‘Je zei dat ik hem moest laten lijden,’ zei Graendal. ‘Je zei dat ik hem zielsnood moest bezorgen. Dit was de beste aanpak. Aran’gar heeft me geholpen, hoewel ze niet vluchtte toen ik dat voorstelde. Zij ging haar problemen altijd al te agressief te lijf. Ik ben er echter van overtuigd dat de Grote Heer wel andere hulpmiddelen kan vinden. We hebben een gok gewaagd, en daar waren kosten aan verbonden. Maar de baten... Bovendien denkt Lews Therin nu dat ik dood ben. Dat is een groot voordeel.’ Ze glimlachte. Niet te veel genoegen tonen. Alleen maar een beetje tevredenheid.

Moridin fronste, aarzelde en keek opzij. Naar niets. ‘Ik hoef je niet te straffen, voorlopig,’ zei hij uiteindelijk, hoewel hij er niet mee ingenomen leek.

Was dat een bevel rechtstreeks van de Grote Heer geweest? Voor zover zij wist moesten alle Uitverkorenen in deze Eeuw hem in Shayol Ghul bezoeken om hun bevelen te ontvangen. Of in ieder geval een bezoek ondergaan van dat afgrijselijke schepsel Shaidar Haran. Nu leek het wel alsof de Grote Heer rechtstreeks tegen de Nae’blis sprak. Belangwekkend. En zorgwekkend.

Het betekende dat het einde zeer nabij was. Er zou niet meer veel tijd zijn voor ijdelheid. Ze zóu zorgen dat ze Nae’blis werd, en over deze wereld regeren zodra de Laatste Slag achter de rug was. ‘Ik denk,’ zei Graendal, ‘dat ik nu moet...’

‘Je moet wegblijven bij Altor,’ viel Moridin haar in de rede. ‘Je wordt niet gestraft, maar ik zie ook geen reden om je te prijzen. Ja, Altor is misschien gekwetst, maar je hebt toch een blunder begaan en een kostbare aanwinst verspeeld.’

‘Natuurlijk,’ zei Graendal gladjes, ‘Ik zal dienen zoals het de Grote Heer behaagt. En ik wilde ook niet voorstellen om iets tegen Altor te ondernemen. Hij denkt dat ik dood ben, en dus is het beter om hem in die onwetendheid te laten terwijl ik voorlopig elders aan het werk ga.’