‘Elders?’
Graendal had een overwinning nodig; een doorslaggevende. Ze overdacht de verschillende strategieën die ze had opgesteld en selecteerde die met de meeste kans van slagen. Dus ze mocht niets tegen Altor ondernemen? Best. Ze zou de Grote Heer iets bieden wat hij al heel lang wilde hebben.
‘Perijn Aybara,’ zei Graendal. Ze voelde zich blootgesteld nu ze haar bedoelingen aan Moridin moest onthullen. Ze hield haar plannetjes liever voor zichzelf. Maar ze dacht niet dat ze hier weg kon komen zonder hem iets te vertellen. ‘Ik zal je zijn hoofd brengen.’ Moridin draaide zich om naar het vuur, met zijn handen op zijn rug. Hij keek in de vlammen.
Geschokt voelde ze zweetdruppeltjes op haar voorhoofd. Wat was dit? Ze kon warmte en kou negéren. Wat was er mis? Ze concentreerde zich... maar het lukte gewoon niet. Niet hier. Niet bij hem. Dat onthutste haar diep.
‘Hij is belangrijk,’ zei Graendal. ‘De voorspellingen...’
‘Ik ken de voorspellingen,’ zei Moridin zacht. Hij draaide zich niet om. ‘Hoe zou je het aanpakken?’
‘Mijn verspieders hebben zijn leger gevonden,’ antwoordde Graendal. ‘Ik heb al enkele plannen ten aanzien van hem in werking gesteld, voor de zekerheid. Ik heb de groep Schaduwgebroed nog, die me was gegeven om chaos te zaaien, en ik heb een valstrik voorbereid. Het zal Altor breken, hem te gronde richten, als hij Aybara kwijtraakt.’
‘Het zou nog wel meer doen,’ zei Moridin zacht. ‘Maar het lukt je nooit. Zijn mannen hebben Poorten. Hij zal aan je ontkomen.’
‘Ik...’
‘Hij zal aan je ontkomen,’ herhaalde Moridin zacht. Het zweet druppelde over haar wang, toen naar haar kin. Ze veegde het achteloos weg, maar het bleef op haar voorhoofd parelen. ‘Kom,’ zei Moridin, die bij de haard wegliep en in de richting van de gang ging.
Graendal volgde, nieuwsgierig maar angstig. Moridin leidde haar naar een deur vlakbij, in dezelfde zwart stenen muren. Hij duwde hem open.
Graendal liep achter hem aan naar binnen. In de kleine kamer waren vele schappen opgehangen. En daarop lagen tientallen – misschien wel honderden – voorwerpen van Kracht. Alle Duisternis, dacht ze. Waar heeft hij die allemaal vandaan? Moridin liep naar het einde van de kamer, waar hij tussen enkele voorwerpen op een schap zocht. Graendal volgde hem vol ontzag. ‘Is dat een schoklans?’ vroeg ze, wijzend naar een lang, dun stuk metaal. ‘Drie bindstaven? Een rema’kar? Die stukken van een...’
‘Onbelangrijk,’ zei hij, terwijl hij een voorwerp uitkoos.
‘Als ik die had...’
‘Je staat op het punt de gunst te verliezen, Graendal,’ waarschuwde hij. Hij draaide zich om met in zijn hand een lange spies van metaal, zilverachtig van kleur, met een grote metalen kop voorzien van gouden inlegsel. ‘Ik heb slechts twee van deze dingen gevonden. De andere wordt goed gebruikt. Jij mag deze gebruiken.’
‘Een droomprikker?’ zei ze, en haar ogen werden groot. Zo’n ding had ze dolgraag willen hebben! ‘Heb je er twéé gevonden?’ Hij tikte op de punt van de droomprikker, waarop die uit zijn hand verdween. ‘Weet je hem terug te vinden?’
‘Ja,’ zei ze gretig. Dit was een voorwerp met zeer grote Kracht. Op heel veel verschillende manieren te gebruiken. Moridin stapte naar voren en pinde haar vast met zijn blik. ‘Graendal,’ zei hij zacht en gevaarlijk. ‘Ik ken hier de sleutel van. Hij kan niét tegen mij of andere Uitverkorenen worden gebruikt. De Grote Heer zal het weten als je dat toch probeert. Ik wil niet dat je die kennelijke gewoonte van je doorzet, in ieder geval niet totdat Aybara dood is.’
‘Ik... Ja, natuurlijk.’ Ineens had ze het koud. Hoe kon ze het hier koud hebben? En dat terwijl ze nog steeds zweette? ‘Aybara kan de Wereld der Dromen bezoeken,’ zei Moridin. ‘Ik zal je nog een hulpmiddel lenen: de man met twee zielen. Maar hij is van mij, net zoals die prikker van mij is. Net zoals jij van mij bent. Is dat begrepen?’
Ze knikte. Ze kon er niets aan doen. Het leek donkerder te worden in de kamer. Die stem van hem... die klonk, een heel klein beetje, als die van de Grote Heer.
‘Maar ik zal je wel dit zeggen,’ zei Moridin, en hij stak zijn rechterhand uit en legde die onder haar kin. ‘Als je slaagt, zal dat de Grote Heer genoegen doen. Bijzonder veel genoegen. Dat wat je met mate is geschonken, zal dan over je worden uitgestort.’ Ze likte langs haar droge lippen. Moridins blik werd glazig. ‘Moridin?’ vroeg ze aarzelend.
Hij negeerde haar, liet haar kin los en liep naar de andere kant van de kamer. Van een tafel pakte hij een dik boek, gebonden in lichtgekleurd leer. Hij bladerde naar een bepaalde bladzijde en bekeek die een tijdje. Toen wenkte hij haar.
Ze liep behoedzaam naar hem toe. Toen ze las wat er op die bladzijde stond, was ze met stomheid geslagen.
Alle Duisternis! ‘Wat is dat voor een boek?’ wist ze uiteindelijk uit te brengen. ‘Waar komen die voorspellingen vandaan?’
‘Ik ken ze al heel lang,’ antwoordde Moridin zachtjes, nog altijd kijkend in het boek. ‘Niet veel anderen kennen ze, zelfs de Uitverkorenen niet. De mensen die deze voorspellingen hebben gedaan, zijn afgezonderd en opgesloten. Het Licht mag nooit van deze woorden horen. Wij kennen hun voorspellingen, maar zij zullen nooit al de onze kennen.’
‘Maar dit...’ zei ze, terwijl ze de tekst opnieuw las. ‘Hier staat dat Aybara zal sterven!’
‘Elke voorspelling kun je op vele manieren interpreteren,’ zei Moridin. ‘Maar inderdaad. Deze Voorspelling belooft dat Aybara zal sterven door toedoen van ons. Jij brengt me het hoofd van die wolf, Graendal. En zodra je dat doet, krijg je alles wat je wilt.’ Hij sloeg het boek dicht. ‘Maar let op mijn woorden. Als je faalt, verlies je alles wat je hebt verkregen. En nog veel meer.’
Met een handgebaar opende hij een Poort voor haar. Met haar zwakke vermogen om de Ware Kracht aan te raken – dat was haar niet afgenomen – zag ze verwrongen wevingen die door de lucht staken en die scheurden, om zo een gat te maken in het weefsel van het Patroon. De lucht trilde. De Poort leidde terug naar haar verborgen grot, wist ze.
Ze liep er zonder nog een woord te zeggen doorheen. Ze vertrouwde er niet op dat ze zonder trilling in haar stem zou kunnen spreken.
6
Twijfels over bedoelingen
Morgase Trakand, gewezen koningin van Andor, diende thee op. Ze liep van de een naar de ander in het grote paviljoen dat Perijn uit Malden had meegenomen. De tent had zijwanden die je kon oprollen, en geen grondzeil. Hoewel het een grote tent was, was er nauwelijks genoeg ruimte voor iedereen die bij de bespreking aanwezig wilde zijn. Perijn en Faile waren er, uiteraard, zittend op de grond. Naast hen zaten Elyas met zijn goudkleurige ogen en Tam Altor, de eenvoudige boer met de brede schouders en de rustige uitstraling. Was die man werkelijk de vader van de Herrezen Draak? Hoewel, Morgase had Rhand Altor een keer gezien en die jongen had toen zelf ook nogal een boer geleken.
Naast Tam zat Perijns stoffige klerk, Sebban Balwer. Hoeveel wist Perijn over zijn verleden? Jur Gradi was er ook, gehuld in zijn zwarte jas met een zilveren zwaardspeld op de kraag. Zijn gelooide boerengezicht was hol en nog bleek van de ziekte waar hij onlangs aan had geleden. Neald – de andere Asha’man – was er niet. Hij had zich nog niet van de slangenbeten hersteld.
Alle drie de Aes Sedai waren aanwezig. Seonid en Masuri zaten bij de Wijzen, en Annoura zat naast Berelain, af en toe een blik werpend op de zes Wijzen. Gallenne zat aan Berelains andere zijde. Tegenover hen zaten Alliandre en Arganda.
De officiers deden Morgase denken aan Garet Brin. Ze had hem al heel lang niet meer gezien; niet meer sinds ze hem had verbannen om redenen die ze nog altijd niet goed kon verklaren. Ze begreep nu nog maar heel weinig van die tijd in haar leven. Was ze echt zo verliefd geweest op een man dat ze Aemlin en Ellorien had verbannen? Hoe dan ook, die tijd was voorbij. Nu liep Morgase omzichtig door de tent en zorgde ervoor dat de kommen van de gasten gevuld bleven.