‘Je werk heeft langer geduurd dan ik had verwacht,’ zei Perijn. ‘Je had ons een taak gegeven, Perijn Aybara,’ antwoordde Nevarin. ‘Die hebben we uitgevoerd. We hebben er zo lang over gedaan als nodig was om hem goed uit te voeren, je wilt toch vast niets anders beweren.’ De Wijze met haar zandkleurige haar zat recht tegenover Seonid en Masuri.
‘Begin nou niet zo, Nevarin,’ gromde Perijn terwijl hij een kaart uitrolde op de grond. Die was getekend door Balwer, op aanwijzing van de Geldaners. ‘Ik sprak geen twijfel over je uit. Ik wilde alleen maar weten of er problemen waren bij het verbranden.’
‘Het dorp is er niet meer,’ zei Nevarin. ‘En elke plant met maar een beetje Verwording erop, is tot as verbrand. Maar goed ook. Jullie natlanders zouden veel moeite hebben met iets wat zo dodelijk is als de Verwording.’
‘Ik denk,’ zei Faile, ‘dat je nog van ons zou opkijken.’ Morgase wierp een blik op Faile, die de Wijze recht in de ogen keek. Faile zat erbij als een koningin, wederom volgens haar status gekleed in een mooi gewaad in groen en violet, met plooien langs de zijnaden en een split voor het rijden. Vreemd genoeg leek Failes gevoel voor leiderschap juist te zijn versterkt door haar tijd bij de Shaido. Morgase en Faile waren snel teruggevallen in hun rollen als dienares en meesteres. Eigenlijk was Morgases leven hier opvallend gelijk aan hoe het in het kamp van de Shaido was geweest. Goed, sommige dingen waren anders; Morgase liep hier bijvoorbeeld weinig kans op een afranseling. Dat veranderde echter niets aan het feit dat zij en de vier andere vrouwen – een tijd lang – gelijken waren geweest.
Nu niet meer.
Morgase bleef bij heer Gallenne staan en vulde zijn kom bij, gebruikmakend van de vaardigheden die ze had ontwikkeld in haar dienst aan Sevanna. Af en toe leek het wel alsof je als dienares meer steelsheid nodig had dan als verkenner. Ze moest niet worden gezien, moest niemand afleiden. Hadden haar eigen dienaren zich bij haar ook zo gevoeld?
‘Nou,’ bromde Arganda, ‘als iemand zich afvraagt waar we gebleven zijn, dan is de rook van die brand een duidelijke aanwijzing.’
‘We zijn toch met veel te veel mensen om ons te kunnen verstoppen,’ zei Seonid. De laatste tijd mochten zij en Masuri ineens praten zonder dat ze daarvoor werden berispt door de Wijzen, hoewel de Groene zuster toch nog even naar de Aielvrouwen keek voordat ze sprak. Dat stak Morgase. Zusters van de Toren, als leerlingen van een stel wilders? Ze zeiden dat het was gedaan op bevel van Rhand Altor, maar hoe zou een man – zelfs de Herrezen Draak – tot zoiets in staat kunnen zijn?
Het zat haar niet lekker dat de twee Aes Sedai zich niet langer tegen hun positie leken te verzetten. De positie die iemand in het leven bekleedde, kon haar ingrijpend veranderen. Gaebril en Valda hadden Morgase die les geleerd. De gevangenschap bij de Aiel was enkel weer een stap in dat proces geweest.
Elk van die ervaringen had haar verder weggevoerd van de koningin die ze ooit was. Nu verlangde ze niet meer naar kostbaarheden of haar troon. Ze wilde alleen maar een beetje stabiliteit. Dat, zo leek het, was kostbaarder dan goud.
‘Het maakt niet uit,’ zei Perijn, kloppend op de kaart. ‘Dus het is besloten? We gaan voorlopig te voet achter Gil en de anderen aan, en indien mogelijk sturen we verkenners via Poorten om hen te zoeken. Hopelijk halen we ze nog in voordat ze Lugard bereiken. Hoe lang nog tot aan die stad denk je, Arganda?’
‘Dat hangt van de modder af,’ antwoordde de pezige soldaat. ‘We noemen deze tijd van het jaar niet voor niets de overstroming. Verstandige mensen reizen niet tijdens de lentedooi.’
‘Verstand is voor lieden die er tijd voor hebben,’ mompelde Perijn, en hij mat de afstand op de kaart met zijn vingers. Morgase vulde Annoura’s kom bij. Thee inschenken was ingewikkelder dan ze ooit had gedacht. Ze moest weten wiens kom ze moest oppakken om hem te vullen, en wie zijn kom zelf wilde vasthouden terwijl ze die vulde. Ze moest opletten tot hoe ver ze een kom vulde zodat het niet over de rand ging, en hoe je thee inschonk zonder met porselein te rammelen of te morsen. Ze wist wanneer ze zich niet moest laten zien en hoe ze snel kommen kon vullen als ze mensen had overgeslagen, vergeten of hun behoefte verkeerd had ingeschat. Ze pakte voorzichtig Perijns kom, die naast hem op de grond stond. Hij sprak altijd met veel handgebaren en kon de kom uit haar hand slaan als ze niet oppaste. Al met al was thee opdienen een kunstvorm; een hele wereld waarvan Morgase de koningin nooit de moeite had genomen die op te merken.
Ze vulde Perijns kom bij en zette die weer naast hem neer. Perijn stelde nog meer vragen over de kaart: naburige dorpen, mogelijke bronnen van bevoorrading. Hij beloofde een goede leider te worden, ook al was hij nog vrij onervaren. Een beetje goede raad van Morgase...
Die gedachte zette ze van zich af. Perijn Aybara was een opstandeling. Tweewater maakte deel uit van Andor, maar hij had zichzelf uitgeroepen tot heer ervan en voerde die wolvenkopbanier. Gelukkig was de vlag van Manetheren in ieder geval weggehaald. Het voeren daarvan was een regelrechte oorlogsverklaring geweest. Morgases stekels kwamen niet langer overeind telkens als iemand hem ‘heer’ noemde, maar ze was ook niet van zins hem enige hulp te bieden. Niet voordat ze had ontdekt hoe ze hem weer onder de mantel van de Andoraanse monarchie kon krijgen. Bovendien, moest Morgase met tegenzin toegeven, was Faile scherp genoeg om dezelfde raad te geven die zij zou hebben gegeven. Faile vulde Perijn eigenlijk ontzettend goed aan. Waar hij een botte, naar voren priemende lans in een bestorming was, was zij een fijnzinnige cavalerieboog. De combinatie van die twee – en Failes banden met de Saldeaanse troon – was wat Morgase echt zorgen baarde. Ja, hij had de vlag van Manetheren weggehaald, maar hij had die wolvenkopbanier ook al eens laten neerhalen. Mensen iets verbieden had vaak juist het tegenovergestelde tot gevolg. Alliandres kom was halfleeg. Morgase liep naar haar toe om hem bij te vullen; net als veel hooggeboren vrouwen verwachtte Alliandre altijd dat haar kom gevuld was. De vrouw wierp een blik op Morgase, en er was een glimpje ongemak in haar ogen te zien. Alliandre wist niet zeker hoe hun verhouding behoorde te zijn. Dat was merkwaardig, aangezien Alliandre tijdens hun gevangenschap zo hooghartig deed. De vrouw die Morgase ooit was, de koningin, wilde Alliandre op een kruk zetten en haar langdurig uiteenzetten hoe ze zich groots diende te gedragen.
Maar dat zou ze op eigen houtje moeten leren. Morgase was niet langer de vrouw die ze ooit was. Ze wist niet zeker wat ze nu was, maar ze had zich vast voorgenomen om haar taken als kamenierster onder de knie te krijgen. Dit begon een hartstochtelijke zaak voor haar te worden. Een manier om aan zichzelf te bewijzen dat ze nog steeds sterk was, nog steeds van waarde.
Eigenlijk was het angstaanjagend dat ze zich daar zorgen over maakte.
‘Heer Perijn,’ zei Alliandre toen Morgase wegliep. ‘Is het waar dat u mijn mensen wilt terugsturen naar Jehanna zodra u Gil en zijn groep hebt gevonden?’
Morgase sloeg Masuri over; de Aes Sedai wilde haar kom alleen bijgevuld hebben als ze er zelf lichtjes tegen tikte. ‘Ja,’ antwoordde Perijn. ‘Het is algemeen bekend dat jullie je nooit echt bij ons wilden aansluiten. Als wij jullie niet hadden meegenomen, zouden jullie nooit gevangen zijn genomen door de Shaido. Masema is dood. Het wordt tijd dat ik jullie laat teruggaan om je land te besturen.’
‘Met alle eerbied, heer,’ zei Alliandre. ‘Waarom rekruteert u onder mijn landgenoten, als het niet is om een leger te verzamelen voor toekomstig gebruik?’
‘Ik rekruteer niet,’ antwoordde Perijn. ‘Het feit dat ik ze niet wegstuur, betekent nog niet dat ik de bedoeling heb om dit leger nog verder uit te breiden.’
‘Heer,’ zei Alliandre. ‘Het is verstandiger om te houden wat u hebt.’
‘Ze heeft wel gelijk, Perijn,’ voegde Berelain er zacht aan toe. ‘Je hoeft alleen maar naar de lucht te kijken om te weten dat de Laatste Slag nadert. Waarom zou je haar groep terugsturen? Ik ben ervan overtuigd dat de Draak alle soldaten nodig zal hebben uit alle landen die aan hem gezworen zijn.’