Morgase knipperde verbaasd met haar ogen. Het Licht mocht Lini branden, dat ze die gedachte in Perijns hoofd had gestopt! Morgase raakte plotseling in paniek, hoewel Tallanvor vragend naar haar keek.
‘Ga iets mooiers aantrekken als je wilt,’ zei Perijn. ‘Roep iedereen bijeen die je als getuige wilt hebben en keer over een uur hier terug. Dan maken we een einde aan dat domme gedoe.’ Ze voelde haar gezicht warm worden van woede. Dom gedoe? Hoe durfde hij! En dan nog wel op zo’n toon! Haar behandelen als een kind, alsof haar gevoel – haar liefde – voor hem alleen maar een ongemak was?
Hij was bezig zijn kaart op te rollen, maar hij keek op toen Failes hand op zijn arm belandde en zag dat zijn bevel niet was opgevolgd. ‘Nou?’ vroeg Perijn.
‘Nee,’ zei Morgase. Ze hield haar blik op Perijn gericht; ze wilde de onvermijdelijke teleurstelling en afwijzing op Tallanvors gezicht niet zien.
‘Wat?’ vroeg Perijn.
‘Nee, Perijn Aybara,’ antwoordde Morgase. ‘Ik kom niét over een uur hier terug om me te laten trouwen.’
‘Maar...’
‘Als je thee wilt, of je tent moet worden opgeruimd, of er moet iets worden ingepakt, dan mag je me roepen. Als je kleding gewassen moet worden, dan zal ik dat doen. Maar ik ben je dienares, Perijn Aybara, mét je onderdaan. Ik ben trouw aan de koningin van Andor. Je hebt niet het gezag om me zo’n bevel te geven.’
‘Ik...’
‘Sterker nog, de koningin zelf zou dit niet eens eisen! Twee mensen dwingen om te trouwen alleen omdat je het beu bent hoe ze naar elkaar kijken? Als twee honden waarmee je wilt fokken om vervolgens de pups te verkopen?’
‘Zo bedoelde ik het niet.’
‘Toch zei je het. En hoe kun je trouwens zeker zijn van de bedoelingen van die jongeman? Heb je hem gesproken, het hem gevraagd, hem uitgehoord zoals een heer zou moeten doen in een kwestie als deze?’
‘Maar Maighdin,’ zei Perijn, ‘hij geeft echt om je. Je had moeten zien hoe hij hier rondliep toen je gevangen was genomen. Licht, vrouw, het is overduidelijk!’
‘Zaken van het hart zijn nooit overduidelijk.’ Ze verhief zich tot haar volle lengte en voelde zich bijna weer een koningin. ‘Als ik met een man wil trouwen, dan neem ik die beslissing zelf wel. Voor iemand die beweert het niet prettig te vinden om de leiding te hebben, vind je het schijnbaar wel erg leuk om bevelen te geven. Hoe kun je er zeker van zijn dat ik de genegenheid van die jongeman wel wil? Ken je mijn hart?’
Naast haar verstijfde Tallanvor. Toen maakte hij weer een vormelijke buiging voor Perijn en beende de tent uit. Hij was een gevoelige kerel. Nou, hij moest weten dat ze niet met zich liet sollen. Niet meer. Eerst Gaebril, toen Valda, en nu Perijn Aybara? Tallanvor had er weinig aan als hij een vrouw kreeg die met hem trouwde alleen omdat haar dat was opgedragen.
Morgase keek Perijn aan, die bloosde. Ze liet haar stem verzachten. ‘Je bent hier nog nieuw in, dus ik zal je wat raad geven. Er zijn dingen waar een heer zich mee moet bemoeien, maar ook dingen waar hij altijd buiten moet blijven. Je leert het verschil gaandeweg wel, maar wees zo goed om dit soort eisen niet meer te stellen zonder in ieder geval even met je vrouw te overleggen.’
Daarna maakte ze een knicks – nog steeds met haar arm vol theekommen – en vertrok. Ze had niet zo tegen hem moeten praten. Nou, hij had niet zo’n bevel moeten geven! Schijnbaar had ze toch nog wat pit in zich. Ze had zich niet meer zo standvastig of zelfverzekerd gevoeld sinds... nou, sinds voor Gaebrils aankomst in Caemlin! Hoewel ze nu wel op zoek moest naar Tallanvor om zijn trots te sussen. Ze bracht de kommen naar de afwasplaats verderop en liep toen het kamp door, op zoek naar Tallanvor. Rondom waren bedienden en arbeiders druk met hun werk. Veel voormalige gai’shain gedroegen zich nog steeds alsof ze bij de Shaido waren, maakten buigingen en stelden zich nederig op als iemand naar hen keek. De mensen uit Cairhien waren het ergste; zij waren het langst gevangen geweest, en Aiel konden je heel goed een lesje leren.
Er waren natuurlijk ook een paar echte Aielse gai’shain. Wat een merkwaardig gebruik. Voor zover Morgase had kunnen bepalen, waren sommige gai’shain ontvoerd door de Shaido en vervolgens bevrijd in Malden. Ze droegen nog steeds het wit, en dat betekende dat ze nu werkten als slaven voor hun eigen familieleden en vrienden. Elk volk was te doorgronden. Maar, gaf ze toe, misschien zou het bij de Aiel langer duren dan bij andere. Neem bijvoorbeeld de groep Speervrouwen die door het kamp draafde. Waarom moesten ze iedereen opzij duwen? Het was niet...
Morgase aarzelde. Die Speervrouwen liepen recht op Perijns tent af. Zo te zien hadden ze nieuws.
Omdat haar nieuwsgierigheid het won, liep Morgase achter hen aan. De Speervrouwen lieten twee wachters bij de tentflappen staan, maar de ban tegen luistervinken was weggenomen. Morgase liep om de tent heen en probeerde de indruk te wekken dat ze van alles deed, behalve afluisteren, al schaamde ze zich wel een beetje omdat ze Tallanvor nu nog langer verdriet deed.
‘Witmantels, Perijn Aybara,’ meldde Sulins ferme stem binnen. ‘Een grote groep Witmantels op de weg recht voor ons.’
7
Lichter dan een veertje
‘s Nachts voelde de lucht rustiger, hoewel de donder Lan waarschuwde dat niet alles goed was. In de weken dat hij nu met Buien reisde, leek die storm boven hen donkerder te zijn geworden.
Nadat ze zuidwaarts waren gereden, hadden ze hun weg vervolgd naar het oosten; ze waren ergens in de buurt van de grens tussen Kandor en Saldea, op de Lansiersvlakte. Torenhoge, verweerde heuvels – met steile hellingen, als forten – verrezen rondom hen. Misschien waren ze de grens al over. Er stond vaak nergens een markering op deze achterafwegen, en de bergen maalden er niet om welke natie aanspraak op hen maakte.
‘Meester Andra,’ zei Buien achter hem. Lan had een rijpaard voor hem gekocht, een stoffige witte merrie. Hij leidde nog altijd zijn pakpaard Spoorzoeker mee.
Buien haalde hem in. Lan stond erop dat de man hem ‘Andra’ noemde. Eén volgeling was al erg genoeg. Als niemand wist wie hij was, dan konden ze ook niet vragen of ze met hem mee mochten. Aan Buien had hij – ware het dan onopzettelijk – de waarschuwing te danken over wat Nynaeve had gedaan. Daarom was hij die man iets verschuldigd.
Buien hield echter wel bijzonder veel van praten. ‘Als ik een voorstel mag doen,’ vervolgde Buien, ‘we zouden zuidwaarts kunnen gaan op de Kruising van Berndt, ja? Ik ken in die richting een reizigersherberg waar ze de allerbeste kwartel klaarmaken. We kunnen weer oostwaarts keren op de weg naar Zuid-Metteler. Een véél gemakkelijkere tocht. Mijn neef heeft een boerderij langs die weg – een neef van mijn moederskant, meester Andra – en dan kunnen we...’
‘We blijven op deze weg,’ zei Lan. ‘Maar Zuid-Metteler is een veel betere weg!’
‘Daarom reizen er ook meer mensen over, Buien.’ Buien zuchtte, maar hij zweeg. De hadori stond hem goed, en hij had zich verrassend bekwaam bewezen met het zwaard. Het was al een tijdje geledén dat Lan zo’n vaardige leerling had gezien. Het was donker; de nacht viel hier vroeg in, vanwege die bergen. Vergeleken met de gebieden bij de Verwording voelde het hier ook kil. Helaas was de streek vrij dichtbevolkt. Ongeveer een uur voorbij de kruising stuitten ze nu zelfs op een herberg waar nog licht achter de ramen brandde.
Buien keek er verlangend naar, maar Lan reed door. Ze reisden grotendeels ’s nachts. Zo zouden ze minder snel worden gezien. Er zaten drie mannen voor de herberg, die in het donker een pijp rookten. De rook kringelde op in de lucht voor de ramen van de herberg. Lan besteedde niet veel aandacht aan hen, totdat ze – alle drie tegelijk – hun pijp wegstopten. Ze maakten paarden los van het hek aan de zijkant van de herberg.