Выбрать главу

‘Dat zie ik ook wel,’ zei ze snuivend, terwijl ze zichzelf bekeek in de spiegel. ‘Wat dacht je dan dat ik aannam dat het was? Een kei?’

‘Ik bedoel,’ zei Perijn tussen happen door, ‘dat eten gewoon eten is. Waarom zou het moeten uitmaken wannéér ik iets eet wat ik lekker vind?’

‘Omdat het vreemd is,’ zei ze. Ze bond zichzelf een koord om met een blauw steentje eraan. Daarna bekeek ze zichzelf in de spiegel, draaiend, waardoor de wijde mouwen van haar gewaad in Saldeaanse snit ruisten. Ze kwam naast hem staan en keek grimassend naar zijn bord. ‘Ik ga bij Alliandre eten. Laat me roepen als er nieuws is.’ Hij knikte en slikte een hap ham door. Waarom zou je ’s middags wel vlees mogen eten, maar het ’s morgens moeten weigeren? Dat sloeg nergens op.

Hij had besloten bij de Jehannaweg te blijven kamperen. Wat kon hij anders, met een leger van Witmantels recht voor hen, tussen hem en Lugard in? Zijn verkenners hadden tijd nodig om het gevaar in te schatten. Hij had veel nagedacht over de vreemde visioenen die hij had gehad, over wolven die schapen naar een beest dreven en Faile die naar een klif liep. Hij begreep er nog niet veel van, maar konden ze te maken hebben met de Witmantels? Hun verschijnen zat hem meer dwars dan hij wilde toegeven, maar hij had enige hoop dat ze onbelangrijk zouden blijken en hem niet te veel zouden ophouden.

‘Perijn Aybara,’ riep een stem buiten zijn tent. ‘Geef je me toestemming om binnen te komen?’

‘Kom binnen, Gaul,’ riep hij. ‘Mijn schaduw is de jouwe.’ De lange Aiel beende naar binnen. ‘Dank je, Perijn Aybara,’ zei hij, kijkend naar de ham. ‘Nogal een feestmaal. Iets te vieren?’

‘Niets behalve het ontbijt.’

‘Een machtige overwinning,’ zei Gaul lachend. Perijn schudde zijn hoofd. Aielse humor. Hij had pogingen om het te snappen allang opgegeven. Gaul ging op de grond zitten, en Perijn slaakte inwendig een zucht voordat hij zijn bord oppakte en tegenover Gaul op het kleed plaatsnam. Perijn zette zijn bord op zijn schoot en at verder.

‘Je hoeft niet op de vloer te gaan zitten vanwege mij,’ zei Gaul.

‘Ik doe het niet omdat het moet, Gaul.’ Gaul knikte.

Perijn sneed nog een stuk ham af. Dit zou veel gemakkelijker gaan als hij het vlees gewoon met zijn handen vastpakte en er happen afscheurde. Eten was eenvoudiger voor wolven. Bestek. Wat was er de zin van?

Dat soort gedachten zetten hem aan het denken. Hij was géén wolf, en hij wilde ook niet denken als een wolf. Misschien zou hij fruit moeten gaan eten als fatsoenlijk ochtendmaal, zoals Faile zei. Hij fronste zijn voorhoofd en ging verder met zijn maaltijd.

‘We hebben tegen Trolloks gevochten in Tweewater,’ zei Byar met gedempte stem. Galads havermout koelde af, vergeten op tafel. ‘Enkele tientallen mannen in ons kamp kunnen dat bevestigen. Ik heb meerdere van die beesten met mijn eigen zwaard gedood.’

‘Trolloks in Tweewater?’ vroeg Galad. ‘Dat ligt honderden roeden van de Grenslanden!’

‘Toch waren ze daar,’ zei Byar. ‘Kapiteinheer-gebieder Nial moet dat hebben vermoed. We werden op zijn bevel naar die plek gestuurd. U weet dat Pedron Nial nooit iets zomaar deed.’

‘Ja, dat is waar. Maar Tweewater?’

‘Het zit er echt vol Duistervrienden,’ zei Byar. ‘Bornhald heeft u verteld over Guldenoog. In Tweewater plantte die Perijn Aybara de vlag van het oude Manetheren en verzamelde een leger van boeren. Geoefende soldaten halen dan misschien hun neus op voor boeren die in legers worden gerekruteerd, maar als je er genoeg verzamelt, dan kunnen ze een gevaar vormen. Sommigen zijn best vaardig met vecht-stokken of bogen.’

‘Daar ben ik me van bewust,’ zei Galad vlak, terugdenkend aan een behoorlijk beschamend lesje dat hem eens was geleerd. ‘Die man, die Perijn Aybara,’ vervolgde Byar. ‘Hij is Schaduwgebroed, dat ziet iedereen. Ze noemen hem Guldenoog omdat zijn ogen echt goudkleurig zijn, een kleur die geen mens ooit heeft gehad. We waren ervan overtuigd dat Aybara de Trolloks binnenhaalde, ze gebruikte om de mensen in Tweewater te dwingen zich bij zijn leger aan te sluiten. Uiteindelijk joeg hij ons daar weg. Nu is hij hier, vlak voor ons.’

Toeval, of meer dan dat?

Byar dacht kennelijk ongeveer hetzelfde. ‘Kapiteinheer-gebieder, misschien had ik dit eerder moeten zeggen, maar Tweewater was niet mijn eerste ervaring met dat schepsel Aybara. Ongeveer twee jaar geleden heeft hij twee Kinderen vermoord op een afgelegen weg ergens in Andor. Ik reisde toen samen met Bornhalds vader. We ontmoetten Aybara in een kamp bij een hoofdweg. Hij rende mee met wolven, als een wildeman! Hij doodde twee mannen voordat we hem konden overmeesteren, en ontsnapte ’s nachts nadat we hem gevangen hadden genomen. Heer, we hadden de bedoeling hem op te hangen.’

‘Zijn er nog anderen die dit kunnen bevestigen?’ vroeg Galad. ‘Ja, Kind Oratar. En Kind Bornhald kan bevestigen wat we in Tweewater hebben gezien. Guldenoog was ook in Falme. Alleen al voor wat hij daar heeft gedaan, zou hij voor het gerecht moeten worden gesleept. Het is duidelijk. Het Licht heeft hem bij ons gebracht.’

‘Weet je zeker dat onze mensen bij de Witmantels zijn?’ vroeg Perijn.

‘Ik kon geen gezichten zien,’ zei Gaul, ‘maar Elyas Machera’s ogen zijn heel goed. Hij was ervan overtuigd dat hij Basel Gil had gezien.’ Perijn knikte. Elyas’ gouden ogen waren ongetwijfeld even goed als die van Perijn zelf.

‘Sulin en haar verkenners komen met gelijksoortige meldingen,’ zei Gaul, die een beker bier van Perijn aannam. ‘Het Witmantelleger heeft een groot aantal wagens, ongeveer net zulke als wij vooruit hebben gestuurd. Ze deed die ontdekking vanochtend vroeg al, maar verzocht me het aan je door te geven zodra je ontwaakte, aangezien ze weet hoe opvliegend natlanders zijn als je ze ’s morgens vroeg stoort.’

Gaul had overduidelijk niet het gevoel dat hij misschien krenkende dingen zei. Perijn was een natlander. Natlanders waren opvliegend, althans volgens de Aiel. Dus somde Gaul in zijn beleving enkel een bekend feit op.

Perijn schudde zijn hoofd en proefde een van de eieren. Te lang gekookt, maar eetbaar. ‘Heeft Sulin iemand gezien die ze herkende?’

‘Nee, hoewel ze wel een paar gai’shain zag,’ antwoordde Gaul. ‘Maar Sulin is een Speervrouwe, dus misschien moeten we iemand sturen om te bevestigen wat ze zegt; iemand die niet zal vragen of ze onze onderkleding mag wassen.’

‘Problemen met Bain en Chiad?’ vroeg Perijn. Gaul trok een grimas. ‘Ik zweer je, die vrouwen maken me nog eens gek. Een man zou dergelijke dingen toch niet moeten ondergaan? Je kunt bijna nog beter Zichtzieder zelf als gai’shain hebben dan die twee.’

Perijn grinnikte.

‘Toch zien de gevangenen er ongedeerd en gezond uit. En er staat nog meer in het verslag. Een van de Speervrouwen zag een vlag boven het kamp wapperen die er opvallend uitzag, dus heeft ze hem nagetekend voor je klerk, Sebban Balwer. Hij zegt dat die vlag betekent dat de Kapiteinheer-gebieder zelf met dit leger meerijdt.’ Perijn keek naar het laatste stuk ham. Dit was geen goed nieuws. Hij had de Kapiteinheer-gebieder nooit ontmoet, maar hij had wel een keer een kapiteinheer van de Witmantels gezien. Dat was de nacht geweest waarin Springer stierf, een nacht die Perijn al twee jaar achtervolgde. Dat was de nacht geweest waarin hij voor het eerst iemand had gedood.

‘Wat hebt u nog meer nodig?’ Byar boog zich naar voren, en de ijver gloeide in zijn diepliggende ogen. ‘We hebben getuigen die hebben gezién dat die man twee van onze kameraden vermoordde! Laten we hem lopen, alsof hij onschuldig is?’

‘Nee,’ zei Galad. ‘Nee, het Licht sta me bij. Als wat jij zegt waar is, dan kunnen we die man de rug niet toekeren. Het is onze plicht om gerechtigheid te bezorgen aan hen die onrecht is aangedaan.’ Byar glimlachte gretig. ‘De gevangenen zeggen dat de koningin van Geldan trouw aan hem heeft gezworen.’