Выбрать главу

‘Dat zou een probleem kunnen vormen.’

‘Of een kans bieden. Misschien is Geldan nu net wat de Kinderen nodig hebben. Een nieuw thuis, een plek voor wederopbouw. U spreekt over Andor, Kapiteinheer-gebieder, maar hoe lang zullen zij ons dulden? U spreekt over de Laatste Slag, maar het kan nog maanden duren voor die begint. Stel dat we een hele natie kunnen bevrijden uit de greep van een verschrikkelijke Duistervriend? De koningin – of haar opvolger – zou zich vast verplicht aan ons voelen.’

‘Aangenomen dat we die Aybara kunnen verslaan.’

‘Dat kunnen we. Ons leger is kleiner dan het zijne, maar veel van zijn soldaten zijn boeren.’

‘Boeren van wie je net opmerkt dat die ook gevaarlijk kunnen zijn,’ zei Galad. ‘We moeten ze niet onderschatten.’

‘Ik weet zeker dat we ze kunnen verslaan. Ze kunnen gevaarlijk zijn, maar ze zullen breken onder de macht van de Kinderen. Deze keer, eindelijk, zal Guldenoog zich niet kunnen verstoppen achter zijn dorpse versterkingen of zijn bijeengeraapte bondgenoten. Geen uitvluchten meer.’

Was dit onderdeel van het ta’veren zijn? Kon Perijn niet loskomen van die nacht, jaren geleden? Hij zette zijn bord weg en voelde zich misselijk.

‘Gaat het wel goed met je, Perijn Aybara?’ vroeg Gaul.

‘Ik denk alleen na.’ De Witmantels zouden hem niet met rust laten, en het Patroon – het Licht verzenge het! – zou die lui steeds weer op zijn pad blijven brengen totdat hij met hen afrekende.

‘Hoe groot is hun leger?’ vroeg Perijn.

‘Ze hebben twintigduizend soldaten,’ antwoordde Gaul. ‘Er zijn nog een paar duizend anderen bij, die waarschijnlijk nog nooit een speer hebben vastgehouden.’

Dienaren en kampvolgers. Gaul liet geen vermaak in zijn stem doorklinken, maar Perijn rook het aan hem. Onder de Aiel zou bijna elke man – iedereen behalve de smeden – een speer opnemen als ze werden aangevallen. Het feit dat veel natlanders niet in staat waren zich te verdedigen, was iets wat de Aiel ofwel verbaasde, of woest maakte.

‘Hun leger is groot,’ vervolgde Gaul, ‘maar dat van ons is groter. En ze hebben geen algai’d’siswai of Asha’man, of geleiders van wat voor soort dan ook, als Sebban Balwers nieuws klopt. Hij schijnt veel over die Witmantels te weten.’

‘Hij heeft gelijk. Witmantels haten de Aes Sedai en beschouwen iedereen die de Ene Kracht kan gebruiken als Duistervriend.’

‘Dus we trekken tegen ze ten strijde?’ vroeg Byar. Galad stond op. ‘We hebben geen keus. Het Licht heeft ze bij ons bezorgd. Maar we hebben meer inlichtingen nodig. Misschien moet ik naar die Aybara toe gaan en hem laten weten dat we zijn bondgenoten hebben, en dan zijn leger vragen ons te ontmoeten op het slagveld. Ik lok hem liever naar buiten, om gebruik te kunnen maken van mijn cavalerie.’

‘Wat wil je, Perijn Aybara?’ vroeg Gaul. Wat hij wilde? Hij wenste dat hij daar antwoord op had. ‘Stuur meer verkenners,’ zei Perijn. ‘Zoek een betere plek om te kamperen. We moeten aanbieden om te onderhandelen, maar het Licht mag me verzengen als ik Gil en de anderen bij die Witmantels laat zitten. We geven die Kinderen de gelegenheid om onze mensen vrij te laten. Als ze dat niet doen... nou, dan zullen we wel zien.’

8

Deerne Zevenstreep

Mart zat op een versleten kruk, met zijn armen op een donkere houten toog. Het rook er lekker: naar bier, tabaksrook, en de schoonmaakdoek waarmee pasgeleden de toog was gewreven. Dat beviel hem wel. Er was iets geruststellends aan een goede, ruige taveerne die toch schoon werd gehouden. Nou, redelijk schoon, in ieder geval. Niemand hield van een taveerne die té schoon was. Dat gaf zo’n omgeving een nieuw gevoel. Zoals een jas die nooit was gedragen, of een pijp die nooit was gerookt. Mart wapperde met een opgevouwen brief tussen twee vingers van zijn rechterhand. Die brief, op dik papier, was verzegeld met een klodder bloedrode was. Hij droeg hem pas korte tijd met zich mee, maar nu al was het voor hem een even grote bron van ergernis als om het even welke vrouw. Hoewel, misschien geen Aes Sedai, maar de meeste andere vrouwen. En dat zei nogal wat. Hij hield op de brief te draaien en tikte ermee op de toog. Verin mocht branden omdat ze hem dit aandeed! Ze hield hem aan die eed als een vis die vastzat aan de haak.art zat op een versleten kruk, met zijn armen op een donkere houten toog. Het rook er lekker: naar bier, tabaksrook, en de schoonmaakdoek waarmee pasgeleden de toog was gewreven. Dat beviel hem wel. Er was iets geruststellends aan een goede, ruige taveerne die toch schoon werd gehouden. Nou, redelijk schoon, in ieder geval. Niemand hield van een taveerne die té schoon was. Dat gaf zo’n omgeving een nieuw gevoel. Zoals een jas die nooit was gedragen, of een pijp die nooit was gerookt. Mart wapperde met een opgevouwen brief tussen twee vingers van zijn rechterhand. Die brief, op dik papier, was verzegeld met een klodder bloedrode was. Hij droeg hem pas korte tijd met zich mee, maar nu al was het voor hem een even grote bron van ergernis als om het even welke vrouw. Hoewel, misschien geen Aes Sedai, maar de meeste andere vrouwen. En dat zei nogal wat. Hij hield op de brief te draaien en tikte ermee op de toog. Verin mocht branden omdat ze hem dit aandeed! Ze hield hem aan die eed als een vis die vastzat aan de haak.

‘Wel, meester Purper?’ vroeg de waardin. Dat was de naam die hij tegenwoordig gebruikte. Voor alle veiligheid. ‘Moet ik nog eens bijschenken, of niet?’

De waardin boog zich voor hem over de toog en sloeg haar armen over elkaar. Melli Kraab was een knappe vrouw, met een rond gezicht en kastanjebruin haar dat heel bekoorlijk krulde. Mart zou haar zijn mooiste glimlach hebben geschonken – er was geen vrouw ter wereld die niet smolt voor zijn mooiste glimlach – maar hij was nu een getrouwd man. Hij kon niet steeds harten breken; dat zou niet juist zijn.

Maar zoals ze nu naar voren leunde, onthulde ze wel een volle boezem. Ze was een kleine vrouw, maar ze had een verhoging achter de toog laten aanbrengen. Ja, een heel fraaie boezem. Hij vermoedde dat je heel fijn met haar kon zoenen, misschien in zo’n nis achter in de taveerne. Al keek Mart natuurlijk niet meer op die manier naar vrouwen. Hij overwoog niet om zelf met haar te gaan zoenen. Misschien was ze iets voor Talmanes. Hij was zo stijfjes, een beetje kussen en knuffelen zou hem goed doen. ‘Nou?’ vroeg Melli.

‘Wat zou jij doen als je mij was, Melli?’ Zijn lege beker stond naast hem, met nog wat schuim aan de rand.

‘Nog een rondje bestellen,’ zei ze meteen. ‘Voor de hele gelagkamer. Dat zou regelrecht welwillend van je zijn. Mensen houden van welwillende kerels.’

‘Ik bedoel met die brief.’

‘Je hebt beloofd hem niet te openen?’ vroeg ze. ‘Nou, niet helemaal. Ik heb beloofd dat als ik hem opende, ik precies zou doen wat erin staat.’

‘Een eed gezworen, zeker?’

Hij knikte.

Ze griste de brief uit zijn vingers, en hij slaakte een kreet. Hij wilde hem terugpakken, maar ze stapte achteruit en draaide de brief om en om. Mart onderdrukte de neiging er nog eens naar te graaien; hij had wel vaker afpakspelletjes gespeeld en wilde niet overkomen als een hork. Een vrouw deed niets liever dan een man te zien zweten, en als je haar haar gang liet gaan, zou ze er alleen maar mee doorgaan.

Toch begon hij te zweten. ‘Luister, Melli...’

‘Ik kan hem ook voor je openen,’ zei ze. Ze leunde weer tegen haar kant van de toog en bekeek de brief. Vlakbij riep een man om nog een kroes bier, maar ze wuifde hem weg. De man had een rode neus en zag eruit alsof hij toch meer dan genoeg te drinken had gehad. Melli’s taveerne werd zo druk bezocht dat ze zes dienstertjes had die zich om de gasten bekommerden. Uiteindelijk zou een van hen hem wel bedienen. ‘Ik kan hem ook lezen,’ vervolgde ze tegen Mart, ‘en je dan vertellen wat erin staat.’

Bloed en bloedas! Als ze dat deed, zou hij móéten doen wat erin stond. Wat dat verdomme ook was! Hij hoefde alleen maar een paar weken te wachten, dan zou hij vrij zijn. Zo lang kon hij best wachten. Echt waar.