Выбрать главу

‘Dat is niks,’ zei Mart, die met een ruk overeind ging zitten toen ze haar duim tussen twee delen van de brief stak alsof ze hem wilde openscheuren. ‘Dan moet ik nog steeds doen wat erin staat, Melli. Niet doen, hoor je. Pas op!’

Ze glimlachte naar hem. Haar taveerne, de Deerne Zevenstreep, was een van de beste in westelijk Caemlin. Bier met een goede smaak, dobbelspelletjes als je er zin in had, en geen rat te zien. De ratten wilden waarschijnlijk niet het gevaar lopen het aan de stok te krijgen met Melli. Licht, maar die vrouw kon zorgen dat een man zich de stoppels van zijn kin schaamde, zonder zelfs maar haar best te doen.

‘Je hebt nooit verteld van wie hij komt,’ zei Melli, terwijl ze de brief ronddraaide. ‘Zeker van een geliefde, hè? Heeft ze je bij de kladden?’ Dat tweede klopte wel, maar een geliefde? Verin? Het was zo belachelijk dat Mart moest lachen. Verin kussen zou ongeveer net zo fijn zijn als een leeuw kussen. Van die twee zou hij de leeuw kiezen. Die zou hem minder snel bijten.

‘Ik heb een eed gezworen, Melli,’ zei Mart, die probeerde niet te laten merken hoe zenuwachtig hij was. ‘Niet openmaken dat ding, hoor je.’

‘Ik heb niks gezworen,’ zei ze. ‘Misschien lees ik hem wel zonder je te vertellen wat erin staat. Ik kan je dan af en toe een aanwijzing geven, als aanmoediging.’

Ze keek hem aan en haar volle lippen glimlachten. Ja, ze was écht knap. Niet zo knap als Tuon, met haar mooie huid en grote ogen, maar toch knap, vooral die lippen van haar. Nu hij getrouwd was, mocht hij niet naar die lippen staren, maar hij schonk haar wel zijn mooiste glimlach. Het was te rechtvaardigen, deze keer, hoewel het mogelijk haar hart kon breken. Ze mocht die brief niet openmaken. ‘Het komt op hetzelfde neer, Melli,’ zei Mart overtuigend. ‘Als jij die brief opent en ik doe niet wat erin staat, dan is mijn eed zo goed als afwaswater.’ Hij zuchtte toen hij besefte dat er één zekere manier was om de brief terug te krijgen. ‘De vrouw die hem aan me heeft gegeven, was een Aes Sedai, Melli. Je wilt toch geen Aes Sedai boos maken?’

‘Een Aes Sedai?’ Melli keek plotseling gretig. ‘Ik heb altijd al eens naar Tar Valon willen gaan om te kijken of ze me zouden toelaten.’ Ze keek naar de brief alsof ze nu nog nieuwsgieriger was naar de inhoud.

Licht! Die vrouw was gek. Mart had haar aangezien voor een verstandig mens. Hij had beter moeten weten. Hij begon nog erger te zweten. Kon hij bij die brief? Ze hield hem heel dichtbij... Ze legde hem op de toog neer. Maar ze liet één vinger op de brief rusten, pal in het midden van het waszegel. ‘Je moet me voorstellen aan die Aes Sedai als je haar de volgende keer weer ziet.’

‘Als ik haar zie terwijl ik in Caemlin ben,’ zei Mart. ‘Dat beloof ik.’

‘Kan ik erop vertrouwen dat je woord houdt?’ Hij keek haar geërgerd aan. ‘Waar ging dit hele verdomde gesprek nou over, Melli?’

Ze lachte, draaide zich om en liet de brief liggen, om de man met de ontbrekende tanden te helpen die nog steeds om bier riep. Mart griste de brief van de toog en stopte hem zorgvuldig in zijn jaszak. Stom mens. De enige manier om vrij te blijven van het gekonkel van de Aes Sedai was door die brief nooit te openen. Of eigenlijk niet echt vrij. Mart had meer dan voldoende konkelende Aes Sedai om zich heen; ze kwamen hem de oren uit. Maar alleen een man met zaagsel in zijn hoofd zou zelf op zoek gaan naar nóg een Aes Sedai. Mart zuchtte en draaide zich om op zijn kruk. De Deerne Zevenstreep werd bezocht door een uiteenlopend, druk publiek. Caemlin was tegenwoordig voller dan een leeuwvis bij een gezonken schip en barstte bijna uit haar voegen. Dat bezorgde de taveernes veel klandizie. In de hoek zaten een paar boeren te dobbelen, gehuld in werkjassen waarvan de kragen rafelden. Mart had eerder al een paar rondjes met hen gespeeld en had zijn drankjes betaald met hun geld, maar hij speelde niet graag voor koperstukken.

De man met het platte gezicht zat nog steeds in de hoek te drinken – er stonden al zeker veertien lege kroezen naast hem – terwijl zijn kameraden hem aanmoedigden. Een groep edelen zat gescheiden van de rest, en hij zou hun wel kunnen voorstellen om een aangenaam potje te dobbelen, maar de uitdrukking op hun gezicht zou beren de stuipen op het lijf jagen. Ze hadden waarschijnlijk aan de verkeerde kant gestaan in de Opvolgingsoorlog.

Mart droeg een zwarte jas met kant langs de polsen. Het was maar een klein beetje kant, en geen borduursel. Met tegenzin had hij zijn breedgerande hoed in het kamp achtergelaten. Op zijn kin stonden stoppels van een paar dagen. Die jeukten alsof hij vlooien had, en hij zag er belachelijk uit. Maar die lichte baard maakte hem wel moeilijker te herkennen. Nu elke schurk in de stad een afbeelding van hem had, kon hij het beter op veilig spelen. Hij wenste dat hij er voor de verandering eens iets aan had om ta’veren te zijn, maar daar kon hij beter niet op rekenen. Ta’veren zijn was, voor zover hij had gemerkt, nog nooit ergens goed voor geweest.

Hij hield zijn halsdoek laag en zijn jas dichtgeknoopt, met de hoge kraag bijna tot aan zijn kin. Hij was al een keer gestorven, daar was hij vrij zeker van, en stond niet te springen om het nog eens te ervaren.

Een knap dienstertje liep voorbij, slank en met brede heupen, met lang donker haar dat ze los om haar schouders droeg. Hij schoof opzij en liet zijn lege kroes eenzaam en overduidelijk op de toog staan, en ze liep glimlachend naar hem toe om hem bij te vullen. Mart grijnsde haar aan en gaf haar een koperstuk. Hij was een getrouwd man en kon het zich niet veroorloven haar in te palmen, maar hij kon wél een oogje open houden voor zijn vrienden. Thom vond haar misschien wel leuk. In ieder geval kon een meisje er mogelijk voor zorgen dat hij ophield met zijn doorlopende gemok. Mart bekeek het gezicht van het meisje een tijdje om er zeker van te zijn dat hij haar later weer zou herkennen.

Mart dronk bier en betastte met één hand de brief in zijn zak. Hij speculeerde niet over wat erin stond. Als hij daarmee begon, was hij nog maar één stap verwijderd van het openscheuren ervan. Hij voelde zich een beetje als een muis die staarde naar een val met een stuk beschimmelde kaas erin. Hij wilde die kaas niet. Het kon daar rustig wegrotten, wat hem betrof.

In de brief werd hem waarschijnlijk opgedragen iets gevaarlijks te doen. Of iets beschamends. Aes Sedai lieten mannen graag voor gek staan. Licht, hij hoopte niet dat ze instructies voor hem had achtergelaten om iemand te helpen die in de problemen zat. Als het zoiets was, dan had ze zich daar ongetwijfeld zelf wel om bekommerd. Hij zuchtte en nam nog een slok bier. In de hoek viel de drinkende man eindelijk om. Zestien kroezen. Niet gek. Mart zette zijn bier neer, liet een paar munten achter als betaling en knikte ten afscheid naar Melli. Hij haalde zijn winst van de weddenschap op de drinkende man op bij een langvingerige kerel in de hoek. Mart had ingezet op zeventien kroezen, en dat had hem een beetje winst opgeleverd. Toen vertrok hij, waarbij hij zijn wandelstok uit de bak bij de deur meenam.

De uitsmijter, Berg, keek hem aan. Berg had zo’n lelijk gezicht dat /.ijn eigen moeder ervan zou schrikken. De sterke man mocht Mart niet, en te oordelen naar de manier waarop Berg naar Melli keek, was dat waarschijnlijk omdat hij dacht dat Mart lonkte naar zijn vrouw. Het maakte niet uit dat Mart duidelijk had uitgelegd dat hij getrouwd was en dat soort dingen niet meer deed. Sommige mannen bleven jaloers, ongeacht wat je hun vertelde.

Het was druk op de straten van Caemlin, zelfs op dit late tijdstip. De straatstenen waren vochtig van een regenbuitje, hoewel de bewolking was verdwenen en – verrassend – de hemel helder was. Hij liep noordwaarts de straat door, op weg naar een andere taveerne die hij kende, waar mannen dobbelden om zilver en goud. Mart had zich vanavond geen specifieke taak gesteld, maar wilde gewoon zijn oor te luisteren leggen voor geruchten en een indruk krijgen van Caemlin. Er was veel veranderd sinds de vorige keer dat hij hier was. Onderweg kon hij het niet laten over zijn schouder te kijken. Die stomme tekeningen hadden hem zenuwachtig gemaakt. Veel mensen op straat leken argwanend. Er kwamen een paar Morlanders langs, die er zo dronken uitzagen dat hun adem vlam zou kunnen vatten. Mart hield afstand. Na wat hem in Hinderstap was overkomen, vond hij dat hij niet voorzichtig genoeg kon zijn. Licht, hij had verhalen gehoord over plaveistenen die mensen aanvielen! Als een man de keien onder zijn voeten al niet kon vertrouwen, wat dan nog wel? Uiteindelijk bereikte hij de taveerne die hij zocht, een opgewekte tent die De Dodemanszucht heette. Er stonden twee sterke kerels voor de deur, met knuppels waarmee ze tegen hun reusachtige handen tikten. Er werden tegenwoordig veel extra taveerne-uitsmijters ingehuurd. Mart zou zich moeten inhouden en niet al te veel moeten winnen. Taveernehouders hielden er niet van als een man te veel won, want dat kon tot gevechten leiden. Behalve als die man zijn winst besteedde aan eten en drinken. Dan mocht hij winnen zoveel hij wilde, en feestelijk bedankt.