Выбрать главу

In de gelagkamer van deze taveerne was het donkerder dan in de Deerne Zevenstreep. De mannen hier zaten voorovergebogen over hun kroezen of spelletjes, en er werd niet veel voedsel opgediend. Alleen maar sterke drank. In de houten toog zaten spijkers, waarvan de koppen ongeveer een vingernagel hoog uitstaken en je in je armen prikten. Mart vermoedde dat de spijkers probeerden zich uit de toog te werken om de deur uit te vluchten.

De waard, Bernherd, was een vetharige Tyrener met een zo klein mondje dat het leek alsof hij per ongeluk zijn lippen had ingeslikt. Hij rook naar radijzen, en Mart had hem nog nooit zien lachen, zelfs niet als hij een fooi kreeg. De meeste waarden zouden naar de Duistere zelf glimlachen voor een fooi.

Mart vond het bijzonder onprettig om te gokken en drinken in een tent waar je één hand op je geldbuidel moest houden. Maar hij was in de stemming om vanavond eens echt geld te winnen, er waren dobbelspellen bezig en er rinkelden munten, dus voelde hij zich hier enigszins thuis. Dat kant aan zijn jas trok echter wel blikken. Waarom had hij dat ding eigenlijk aangetrokken? Hij kon Lopin beter vragen het kant van de mouwen te verwijderen als hij terug was in het kamp. Nou, misschien niet alles. Een deel ervan. Mart zag dat achterin een spelletje gaande was tussen drie mannen en een vrouw in een lange broek. Ze had kort, goudblond haar en mooie ogen; die Mart uitsluitend ten behoeve van Thom opmerkte. Ze had trouwens toch een volle boezem, en de laatste tijd viel Mart meer op vrouwen die een wat kleinere borstomvang hadden. Even later zat Mart met hen te dobbelen, en dat stelde hem al een stuk meer op zijn gemak. Hij hield echter zijn geldbuidel in zicht door die voor zich op de vloer te leggen. Het duurde niet lang voordat de stapel munten ernaast groeide; grotendeels zilverstukken. ‘Heb je gehoord wat er op het Hoefsmedenveld is gebeurd?’ vroeg een van de mannen aan zijn kameraden terwijl Mart aan de beurt was. ‘Het was verschrikkelijk.’ De spreker was een lange kerel, met een geknepen gezicht dat eruitzag alsof hij er een paar keer mee tussen de deur had gezeten. Hij noemde zichzelf Jager. Mart nam aan dat dat was omdat vrouwen bij hem wegrenden als ze zijn gezicht zagen en hij dan achter hen aan moest jagen.

‘Wat dan?’ vroeg Clara. Zij was de goudblonde vrouw. Mart glimlachte naar haar. Hij dobbelde niet veel met vrouwen, aangezien de meesten beweerden dat ze het een onfatsoenlijk spel vonden. Niet dat ze ooit klaagden als een man iets moois voor hen kocht van het geld dat hij won. Hoe dan ook, dobbelen met vrouwen was niet eerlijk, aangezien zijn glimlach hun hart een slag deed overslaan en hun knieën liet bibberen. Maar Mart lachte niet meer op die manier naar meisjes. Bovendien had zij trouwens toch niet op zijn glimlach gereageerd.

‘Jandri,’ zei Jager terwijl Mart met de dobbelstenen schudde. ‘Ze hebben hem vanochtend dood gevonden. Zijn strot was eruit gerukt. Er zat geen bloed meer in het lichaam, als een wijnzak met gaten.’ Mart schrok daar zo van dat hij de dobbelstenen wel gooide, maar niet keek hoe ze vielen. ‘Wat?’ vroeg hij. ‘Wat zeg je nou?’

‘Rustig maar,’ zei Jager, kijkend naar Mart. ‘Gewoon iemand die we kenden. Hij was me nog twee kronen schuldig.’

‘Helemaal geen bloed meer in het lichaam?’ vroeg Mart. ‘Weet je dat zeker? Heb je hem zelf gezien?’

‘Hè?’ vroeg Jager met een grimas. ‘Bloedas, man! Wat is er met je?’

‘Ik...’

‘Jager,’ zei Clara. ‘Moet je dat eens zien.’

De magere man keek omlaag, net als Mart. De dobbelstenen die hij had gegooid – alle drie – waren tot stilstand gekomen op de hóéken. Licht! Hij had wel eens munten gegooid die op de rand bleven staan, maar zoiets als dit was nog nooit gebeurd.

En op dat ogenblik, heel plotseling, begonnen de dobbelstenen in zijn hoofd te ratelen. Hij sprong bijna van zijn kruk tegen de zoldering aan. Bloed en bloedas! Die dobbelstenen in zijn hoofd betekenden nooit iets goeds. Ze stopten pas wanneer er iets veranderde, en dat iets betekende meestal slecht nieuws voor die arme Martrim Cauton. ‘Dat heb ik nog nóóit...’ begon Jager.

‘Dat noemen we dan maar een verliezende worp,’ zei Mart, die een paar munten op tafel gooide en de rest van zijn winst bij elkaar schraapte.

‘Wat weet jij over Jandri?’ wilde Clara weten. Ze reikte naar haar middel. Mart durfde goud tegen koperstukken in te zetten dat ze daar een mes had, zoals ze naar hem loerde.

‘Niks,’ zei Mart. Niks en tegelijkertijd te veel. ‘Ik moet ervandoor.’ Hij liep haastig de taveerne door. Onderweg zag hij dat een van de gespierde kerels bij de deur opstond en met Bernherd de waard ging praten, wijzend op een vel papier in zijn handen. Mart kon niet zien wat erop stond, maar hij kon het wel raden: zijn eigen gezicht. Hij vloekte en dook de straat op. Daar nam hij het eerste steegje dat hij zag en zette het op een rennen.

De Verzakers joegen op hem, er zat een afbeelding van zijn gezicht in de zak van elke schurk in de stad, en nu was er iemand vermoord en van al zijn bloed ontdaan. Dat kon maar één ding betekenen: de gholam was in Caemlin. Het leek onmogelijk dat hij hier zo snel was gekomen. Al had Mart hem natuurlijk door een gat zien kruipen van nog geen twee handbreedten groot. Dat schepsel scheen geen gevoel te hebben voor wat mogelijk en wat onmogelijk was. Bloed en bloedas, dacht hij, en hij trok zijn hoofd tussen zijn schouders. Hij moest Thom gaan halen en dan terug naar het kamp van de Bond buiten de stad. Hij haastte zich over de donkere, vochtige straat. De keien weerspiegelden het licht van olielampen. Elayne hield de Koninginnebaan ’s nachts goed verlicht.

Hij had haar bericht gestuurd, maar geen antwoord gekregen. Was dat nou dankbaarheid? Volgens zijn telling had hij tweemaal haar leven gered. Eenmaal had al genoeg moeten zijn om tranen en kussen van haar los te krijgen, maar hij had nog geen zoentje op de wang gekregen. Niet dat hij dat wilde; niet van iemand van koninklijken bloede. Die lui kon je beter ontlopen.

Je bent verdomme getrouwd met een hoogvrouwe uit Seanchan, dacht hij. Dochter van de keizerin zelf. Hij kon lieden van koninklijken bloede nu niet meer ontlopen! Hij niet. In ieder geval was Tuon mooi. En goed in stenen spelen. En heel slim, en fijn om mee te praten, ook al was ze meestal verrekte frustrerend... Nee. Nu niet aan Tuon denken.

Hoe dan ook, hij had geen antwoord ontvangen van Elayne. Hij zou vasthoudender moeten zijn. Het ging nu niet meer alleen om Aludra en haar Draken. Die verdomde gholam was in de stad. Hij stapte een brede, drukke straat op, met zijn handen in zijn jaszakken. In zijn haast had hij zijn wandelstok in de Dodemanszucht laten staan. Hij morde in zichzelf; hij had zijn dagen ontspannen willen doorbrengen, de avonden dobbelend in mooie herbergen en de ochtenden met uitslapen terwijl hij wachtte tot Verins vereiste dertig dagen om waren. En nu dit weer.

Hij had een appeltje te schillen met die gholam. De onschuldige mensen die erdoor waren afgeslacht terwijl het schepsel zich in de buurt van Ebo Dar ophield waren al erg genoeg, en Mart was ook Nalesean en de vijf Roodarmen die waren vermoord niet vergeten. Bloedas, dat monster had al genoeg op zijn kerfstok gehad. En toen had hij Tylin meegenomen.