Выбрать главу

Mart haalde zijn hand uit zijn zak en voelde aan de vossenkoppenring die – zoals altijd – op zijn borst hing. Hij was het zat om voor dat schepsel te vluchten. Er begon zich een plan te vormen in zijn hoofd, vergezeld door het ratelen van dobbelstenen. Hij probeerde het beeld van zich af te zetten van de koningin, vastgebonden met boeien die Mart zelf had bevestigd, en haar hoofd eraf gerukt. Het zou een bloederig tafereel zijn geweest. De gholam leefde op vers bloed.

Mart huiverde en stopte zijn hand weer in zijn zak toen hij de stadspoort naderde. Ondanks de duisternis zag hij nog tekenen van de strijd die daar was geleverd. Een pijlpunt ingebed in de deur van een gebouw links van hem, een donkere vlek op de muur van een wachthuis, een veeg op het hout onder het raam. Daar was een man gestorven, misschien terwijl hij een kruisboog afvuurde, waarna hij over het raamkozijn was gezakt en zijn levensbloed over het hout had vergoten.

Die belegering was nu voorbij, en een nieuwe koningin – de juiste koningin – had de troon. Voor één keer was er een veldslag geweest en had hij die gemist. Toen hij daaraan dacht, vrolijkte hij wat op. Er was een hele oorlog uitgevochten om de Leeuwentroon, en niet één pijl, mes of speer in dat conflict was op zoek geweest naar Martrim Cautons hart.

Hij ging rechtsaf en vervolgde zijn weg langs de binnenzijde van de stadsmuur. Er waren hier veel herbergen. Er waren altijd herbergen in de buurt van stadspoorten. Niet de beste, maar bijna altijd wel de meest winstgevende.

Licht scheen uit deuren en ramen en schilderde gouden vlakken op de weg. Donkere gestalten bevolkten de stegen, behalve bij herbergen waar de waard mannen had ingehuurd om de armoedzaaiers op afstand te houden. Caemlin had het zwaar. De toestroom van vluchtelingen, de recente gevechten, de... andere kwesties. Er deden vele verhalen de ronde over doden die rondliepen, over voedsel dat bedierf, over witte muren die plotseling grijs werden. De herberg waar Thom had besloten op te treden, was een gebouw met een puntdak en bakstenen muren, met een uithangbord waarop twee appels te zien waren, waarvan er één tot op het klokhuis was opgegeten. Daardoor was de ene appel helwit en de andere felrood; de kleuren van de Andoraanse vlag. De Twee Appels was een van de mooiere herbergen in de buurt.

Mart hoorde de muziek buiten al. Hij ging naar binnen en zag Thom op een kleine verhoging aan de achterzijde van de gelagkamer zitten, spelend op zijn fluit en met zijn veelkleurige speelmansmantel aan. Zijn ogen waren gesloten tijdens het spelen, zijn snor hing lang en wit aan weerskanten van het instrument omlaag. Het was een klaaglijk deuntje, ‘De bruiloft van Sientje Weegh’. Mart had het voor het eerst gehoord als ‘Kies altijd het juiste paard’, en hij was er niet aan gewend het te horen op de lage snelheid waarop Thom het speelde.

Er lagen wat munten op de vloer voor Thom verspreid. Hij mocht in de herberg spelen voor fooien. Mart bleef bij de deur staan en leunde tegen de muur om te luisteren. Niemand sprak in de gelagkamer, ook al zat het er zo vol dat Mart een halve compagnie soldaten had kunnen samenstellen met alleen de mannen binnen. Alle ogen waren op Thom gericht.

Mart was inmiddels de hele wereld rond geweest, en een groot deel van die afstand had hij afgelegd op zijn eigen beide benen. Hij had zijn leven bijna verspeeld in een twaalftal verschillende steden, en hij had overnacht in herbergen in allerlei plaatsen. Hij had speelmannen, dichters en barden gehoord. Bij Thom vergeleken leek het hele stel wel kinderen met stokken, slaand op pannen. De fluit was een eenvoudig instrument. Veel edelen hoorden liever een harp; een man in Ebo Dar had tegen Mart gezegd dat de harp ‘verhevener’ was. Mart vermoedde dat zijn mond zou openvallen en zijn ogen zouden uitpuilen als hij Thom had horen spelen. De speelman liet de fluit klinken als een verlengstuk van zijn ziel. Zachte rollers, lage toonschalen en krachtige, lange uithalen. Wat een droevige melodie. Om wie treurde Thom?

Hij bekeek de aanwezige gasten. Caemlin was een van de grootste steden ter wereld, maar toch leek de verscheidenheid nog ongelooflijk. Lompe Illianers zaten naast gladde Domani, sluwe Cairhienin, forse Tyreners en hier en daar een Grenslander. Caemlin werd gezien als een van de weinige plekken waar je veilig was voor zowel de Seanchanen als de Draak. En er was ook nog voedsel te vinden. Thom voltooide het stuk en ging zonder zijn ogen te openen verder met een volgend deuntje. Mart zuchtte, want hij wilde Thoms optreden liever niet onderbreken. Helaas werd het tijd om terug te keren naar het kamp. Ze moesten praten over de gholam, en Mart moest een manier vinden om tot Elayne door te dringen. Misschien kon Thom eens met haar gaan praten.

Mart knikte naar de waardin, een statige, donkerharige vrouw die Bromas heette. Ze knikte terug en haar oorringen vingen het licht. Ze was iets ouder dan waar hij doorgaans op viel, maar Tylin was ook van haar leeftijd geweest. Hij zou haar in gedachten houden. Voor een van zijn mannen, natuurlijk. Misschien Vanin. Hij liep naar de verhoging en begon de munten bijeen te harken. Hij zou Thom zijn stuk laten afmaken en...

Marts hand bewoog met een ruk. Zijn arm werd plotseling aan de mouw vastgepind op de verhoging, door een mes dat door de stof stak. Het smalle metaal trilde. Toen hij opkeek, zag hij dat Thom nog steeds speelde, hoewel de speelman een oogje had opengedaan voordat hij het mes gooide.

Thom bracht zijn hand weer omhoog en speelde onverstoorbaar verder, maar er verscheen een glimlach om zijn getuite lippen. Mart gromde en rukte zijn mouw los, wachtend terwijl Thom zijn deuntje voltooide, dat niet zo naargeestig was als het vorige. Toen de slungelige speelman de fluit liet zakken, werd er luid geklapt in de gelagkamer.

Mart keek de speelman boos aan. ‘Het Licht verzenge je, Thom. Dit is een van mijn lievelingsjassen!’

‘Wees maar blij dat ik niet op je hand mikte,’ merkte Thom op. Hij veegde de fluit af en knikte bij het gejuich en geklap van de gasten. Ze riepen dat hij door moest spelen, maar hij schudde spijtig zijn hoofd en stopte de fluit in het koffertje.

‘Ik wou bijna van wel,’ zei Mart, die zijn mouw optilde en een vinger door de gaten stak. ‘Bloed zou niet zo opvallen op dat zwart, maar herstelwerk zie je meteen. Dat jij nou meer lappen dan mantel draagt, wil nog niet zeggen dat ik je wil nadoen.’

‘En jij beweert dat je geen edele bent,’ zei Thom, die zich bukte om zijn geld op te rapen.

‘Dat ben ik ook niet!’ zei Mart. ‘Vergeet wat Tuon heeft gezegd, verrekte kerel. Ik bén verdomme geen edele.’

‘Wel eens een boer horen klagen dat herstelwerk aan zijn jas zou opvallen?’

‘Je hoeft geen edele te zijn om je een beetje netjes te willen kleden,’ gromde Mart.

Thom lachte, sloeg hem op zijn rug en sprong van de verhoging. ‘Het spijt me, Mart. Ik reageerde instinctief, en ik besefte pas dat jij het was toen ik het gezicht zag dat bij die arm hoorde. Maar toen had ik het mes al gegooid.’

Mart zuchtte. ‘Thom,’ zei hij grimmig, ‘er is een oude vriend in de stad. Iemand die mensen dood achterlaat, met hun keel er uitgerukt.’ Thom knikte met een ongeruste blik. ‘Dat had ik tijdens de onderbreking ook van een paar wachters gehoord. En we zitten hier in de stad vast, behalve als je besluit...’

‘Ik maak die brief niét open,’ zei Mart. ‘Verin kan me wel opdragen op mijn handen helemaal naar Falme te lopen, en dan moet ik dat verdomme nog doen ook! Ik weet dat je deze vertraging verschrikkelijk vindt, maar die brief kan voor nog veel meer oponthoud zorgen.’

Thom knikte met tegenzin.

‘Kom, we gaan terug naar het kamp,’ zei Mart.

Het kamp van de Bond lag een roede buiten Caemlin. Thom en Mart waren niet te paard gekomen; voetgangers waren minder opvallend, en Mart wilde geen paarden naar de stad meenemen tot hij een stal had gevonden die hij vertrouwde. De prijs van goede paarden begon belachelijk hoog te worden. Hij had gehoopt dat achter zich te laten zodra hij Seanchaans grondgebied verliet, maar Elaynes legers kochten alle goede paarden op die ze konden vinden, en de meeste niet zo goede ook. Verder had hij gehoord dat paarden tegenwoordig nogal eens verdwenen. Vlees was vlees, en de mensen leden honger, zelfs in Caemlin. Het bezorgde Mart kippenvel, maar het was de waarheid.