Hij en Thom praatten onderweg terug over de gholam, maar ze besloten weinig meer dan dat ze iedereen zouden waarschuwen en dat Mart van nu af aan elke nacht in een andere tent zou slapen. Mart keek achterom toen ze de top van een heuvel bereikten. Caemlin gloeide door het licht van fakkels en lampen. De verlichting hing als mist boven de stad, de schitterende spitsen en torens badend in de gloed. De oude herinneringen binnen in hem kenden deze stad nog; herinnerden zich de aanval erop voordat Andor een natie was. Caemlin had nooit een gemakkelijke strijd opgeleverd. Hij benijdde de Huizen die hadden gepoogd de stad van Elayne af te pakken niet. Thom kwam naast hem staan. ‘Het lijkt wel eeuwen geleden dat we hier voor het laatst waren, hè, Mart?’
‘Dat kun je wel zeggen,’ zei Mart. ‘Waarom zijn we ooit achter die domme meiden aan gegaan? De volgende keer mogen ze zichzelf redden.’
Thom keek hem aan. ‘Staan we niet op het punt om hetzelfde nog eens te doen? Als we naar de Toren van Ghenjei gaan?’
‘Dat is iets anders. We kunnen haar daar niet achterlaten. Die slangen en vossen...’
‘Ik klaag niet, Mart,’ zei Thom. ‘Ik denk er alleen over na.’ Thom scheen de laatste tijd veel na te denken. Mokkend, friemelend met die versleten brief van Moiraine. Het was maar een brief. ‘Kom mee,’ zei Mart, die zich weer omdraaide. ‘Je had het over binnenkomen om de koningin te spreken?’
Thom liep met hem mee over de donkere weg. ‘Ik sta er niet van te kijken dat ze nog niet heeft geantwoord, Mart. Ze heeft waarschijnlijk haar handen vol. Ik heb gehoord dat er grote aantallen Trolloks in de Grenslanden zijn binnengevallen, en Andor is nog gebroken van de Opvolging. Elayne...’
‘Heb je ook goed nieuws, Thom?’ vroeg Mart. ‘Kom maar op ermee, dan. Ik kan wel wat goed nieuws gebruiken.’
‘Ik wou dat De Koninginnezegen nog open was. Gil had altijd wel nieuwtjes te vertellen.’
‘Goed nieuws,’ spoorde Mart hem aan.
‘Best. Nou, de Toren van Ghenjei is waar Domon zei dat hij stond. Ik heb het van drie scheepskapiteins gehoord. Hij staat aan het eind van een open vlakte, enkele honderden mijlen ten noordwesten van Wittebrug.’
Mart knikte en wreef over zijn kin. Hij had het gevoel dat hij zich iets herinnerde van de toren. Een onnatuurlijk, zilverachtig bouwwerk, in de verte. Een tochtje op een boot, water klotsend tegen de zijkanten. Baile Domons vette Illiaanse tongval... Die beelden waren vaag voor Mart; zijn herinneringen aan die tijd bevatten meer gaten dan een alibi van Jori Kongar. Baile Domon had hun kunnen vertellen waar ze de toren konden vinden, maar Mart wilde bevestiging. Het maakte Mart onbehaaglijk, zoals Domon kroop en vleide bij Leilwin. Ze had Mart nooit veel genegenheid betoond, ook al had hij hen gered. Niet dat hij genegenheid van Leilwin wilde. Haar kussen zou net zo aangenaam zijn als de bast van een steeneik kussen. ‘Denk je dat Domons beschrijving voldoende zal zijn, zodat iemand zo’n Poort voor ons daarheen kan maken?’ vroeg Mart. ‘Weet ik niet,’ zei Thom. ‘Maar dat lijkt me een probleem van een lagere orde. Waar halen we iemand vandaan die een Poort kan maken? Verin is verdwenen.’
‘Ik vind er wel iets op.’
‘Anders zijn we wéken onderweg,’ vervolgde Thom. ‘Het bevalt me niet...’
‘Ik regel wel een Poort voor ons,’ zei Mart overtuigd. ‘Misschien komt Verin terug en bevrijdt ze me van die verrekte eed.’
‘Zij kan beter wegblijven,’ zei Thom. ‘Ik vertrouw haar niet. Er klopt iets niet aan haar.’
‘Ze is een Aes Sedai,’ zei Mart. ‘Met hen allemaal klopt iets niet -als dobbelstenen waarvan de stippen niet kloppen – maar voor een Aes Sedai mag ik Verin eigenlijk wel. En ik heb kijk op mensen, zoals je weet.’
Thom trok zijn wenkbrauw op. Mart keek hem kwaad aan. ‘Maar goed,’ zei Thom, ‘we moeten waarschijnlijk de volgende keer als je naar de stad gaat wachters met je mee sturen.’
‘Wachters halen niks uit tegen de gholam.’
‘Nee, maar hoe zit het met dat tuig dat je drie avonden geleden te pakken nam toen je op weg terug was naar het kamp?’ Mart huiverde. ‘Dat waren tenminste eerlijke dieven. Ze wilden alleen maar mijn buidel, vriendelijk en natuurlijk. Niet een van hen had een afbeelding van mij in zijn zak. En ze waren ook niet door de macht van de Duistere gegrepen om gek te worden bij zonsondergang of zoiets.’
‘Maar toch,’ zei Thom.
Mart uitte geen tegenwerpingen. Het Licht mocht hem branden, maar hij zou waarschijnlijk inderdaad soldaten mee moeten nemen. Een paar Roodarmen, in ieder geval.
Het kamp lag even verderop. Een van Elaynes klerken, een man die Norrij heette, had de Bond toestemming gegeven om in de buurt van Caemlin te kamperen. Ze moesten wel beloven dat ze niet meer dan honderd man per dag de stad in zouden laten gaan en moesten minstens een roede van de muren vandaan hun kamp opslaan, uit de buurt van dorpen en niet op een boerenakker. Dat hij met die klerk had gesproken, betekende dat Elayne wist dat Mart hier was. Dat moest wel. Maar ze had geen groeten gestuurd, geen erkenning dat ze haar leven aan Mart te danken had. Bij een bocht in de weg onthulde Thoms lantaarn een groep Roodarmen, zittend langs de weg. Gufrin, sergeant van een brigade, stond op en bracht een saluut. Hij was een potige vent met brede schouders. Niet verschrikkelijk slim, maar met scherpe ogen. ‘Heer Mart!’ zei hij. ‘Is er nieuws, Gufrin?’ vroeg Mart.
De sergeant fronste nadenkend zijn voorhoofd. ‘Nou,’ zei hij, ‘ik denk dat er wel iets is wat u wilt weten.’ Licht! Die man sprak nog langzamer dan een dronken Seanchaan. ‘De Aes Sedai zijn vandaag teruggekomen naar het kamp. Terwijl u weg was, heer.’
‘Alle drie?’ vroeg Mart. ‘Ja, heer.’
Mart zuchtte. Als er nog een beetje hoop was geweest dat deze dag niet helemaal verzuurd was, dan was die nu de bodem ingeslagen. Hij had gehoopt dat ze nog een paar dagen in de stad zouden blijven.
Hij en Thom liepen door, verlieten de weg en volgden een pad door een wei vol zwartwespnetels en mesgras. Het onkruid knerpte onder hun voeten en Thoms lantaarn verlichtte de bruine stengels. Aan de ene kant was het fijn om weer terug te zijn in Andor; het voelde bijna als thuis met die lederbladbomen en bittergom. Maar dat het er allemaal zo doods uitzag, was ontmoedigend. Wat moest hij met Elayne aanvangen? Vrouwen waren lastig. Aes Sedai waren nog erger. Koninginnen waren nog wel het ergst. En zij was verdomme alle drie. Hoe moest hij haar zover krijgen dat ze haar gieterijen beschikbaar stelde? Hij had Verins aanbod voornamelijk aangenomen omdat hij dacht dat hij daardoor sneller in Andor zou zijn en dan meteen kon beginnen met het werk aan Aludra’s Draken!
Verderop stond het kamp van de Bond op een reeks heuvels, in een kring rondom de hoogste heuvel in het midden. Estean en de anderen, die vooruit waren gegaan naar Andor, waren teruggekeerd en de Bond was nu weer helemaal compleet. Er brandden vuren; het kostte tegenwoordig geen moeite om dood hout te vinden voor je vuur. Er hing rook in de lucht, en Mart hoorde mannen praten en roepen. Het was nog niet zo laat, en Mart had ook geen avondklok ingesteld. Hijzelf kon zich dan niet ontspannen, maar zijn mannen misschien wel. Het kon wel eens de laatste gelegenheid zijn die ze nog kregen voordat de Laatste Slag aanbrak.
Trolloks in de Grenslanden, dacht Mart. We hebben die Draken nodig. En snel.
Mart groette een paar wachters en nam afscheid van Thom, met de bedoeling op zoek te gaan naar een bed om een nachtje over zijn problemen te slapen. Onderweg merkte hij een paar veranderingen op die hij in het kamp kon aanbrengen. Zoals de heuvels stonden, kon een lichte cavalerie door de tunnel ertussen komen galopperen. Alleen een heel stoutmoedig iemand zou zo’n tactiek wagen, maar hij had net zoiets gedaan tijdens de Slag in de Marisinvallei in het oude Coremanda. Nou, niet Mart zélf, maar iemand in zijn oude herinneringen.