Steeds meer aanvaardde hij die herinneringen eenvoudigweg als de zijne. Hij had er niet om gevraagd – wat die stomme vossen ook beweerden – maar hij had er wel voor betaald met het litteken in zijn hals. En ze waren hem meer dan eens van pas gekomen. Hij kwam eindelijk bij zijn tent aan, waar hij schone onderkleding wilde aantrekken voordat hij op zoek ging naar een andere tent om de nacht in door te brengen, toen hij een vrouwenstem hoorde roepen. ‘Martrim Cauton!’
Bloedas. Hij had het bijna gered. Hij draaide zich met tegenzin om. Teslyn Baradon was geen knappe vrouw, hoewel ze best kon doorgaan voor een papierbastboom met die knokige vingers, die smalle schouders en dat magere gezicht. Ze droeg een rood gewaad, en in de afgelopen weken hadden haar ogen veel van de zenuwachtige schichtigheid verloren die ze vertoonden sinds ze enige tijd damane was geweest. Ze had een zo geoefende kwade blik dat ze een wedstrijdje staren van een paal had kunnen winnen. ‘Martrim Cauton,’ zei ze terwijl ze naar hem toe kwam. ‘Ik moet je spreken.’
‘Nou, het lijkt erop dat je dat al doet,’ zei Mart, die zijn hand van de tentflap liet zakken. Hij mocht Teslyn wel enigszins, tegen beter weten in, maar hij had geen zin om haar binnen te vragen. Net zomin als hij een vos zou uitnodigen in zijn kippenhok, hoe aardig hij de betreffende vos ook zou vinden.
‘Daarin heb je gelijk,’ antwoordde ze. ‘Heb je het nieuws over de Witte Toren gehoord?’
‘Nieuws?’ vroeg Mart. ‘Nee, ik heb geen nieuws gehoord. Geruchten, ja... daar heb ik een hoofd vol van. Volgens sommigen is de Witte Toren herenigd, en daar zul jij het wel over hebben. Maar ik heb net zoveel mensen horen beweren dat er nog altijd oorlog heerst. En dat de Amyrlin de Laatste Slag heeft gestreden in plaats van Rhand, en dat de Aes Sedai hebben besloten een leger van soldaten te verzamelen door ze te baren, en dat vliegende monsters de Witte Toren hebben aangevallen. Die laatste zijn waarschijnlijk alleen maar verhalen over raken die zijn komen aanwaaien uit het zuiden. Maar dat verhaal over de Aes Sedai die een leger van zuigelingen verzamelen, bevat volgens mij wel enige waarheid.’
Teslyn keek hem vlak aan. Hij wendde zijn blik niet af. Maar goed dat Marts vader altijd had gezegd dat hij koppiger was dan een boomstronk.
Merkwaardig genoeg zuchtte Teslyn en verzachtte haar gezicht. ‘Het is natuurlijk terecht, dat je sceptisch bent. Maar we kunnen het nieuws niet negeren. Zelfs Edesina, die zo dom was om zich bij de opstandelingen te scharen, wil terugkeren. We willen morgenochtend vertrekken. Aangezien het je gewoonte is om uit te slapen, wilde ik vanavond naar je toe komen om je te bedanken.’
‘Om me te wat?’
‘Te bedanken, meester Cauton,’ zei Teslyn droogjes. ‘Deze tocht, hij was voor geen van ons gemakkelijk. Er waren ogenblikken van... spanning. Ik zeg niet dat ik het eens ben met alle besluiten die je hebt genomen. Dat neemt niet weg dat ik zonder jou nog steeds in Seanchaanse handen zou zijn.’ Ze huiverde. ‘Ik doe, in tijden dat ik me zekerder voel, alsof ik me tegen hen zou hebben verzet en uiteindelijk zelf wel zou zijn ontkomen. Het is belangrijk om illusies over jezelf te koesteren, vind je ook niet?’
Mart wreef over zijn kin. ‘Misschien, Teslyn. Misschien wel.’ Verrassend genoeg stak ze haar hand naar hem uit. ‘Denk eraan, als je ooit naar de Witte Toren komt, dan zijn daar mensen die bij je in het krijt staan, Martrim Cauton. Ik vergeet niet.’ Hij pakte haar hand. Hij voelde net zo knokig aan als hij eruitzag, maar hij was warmer dan hij had verwacht. Sommige Aes Sedai hadden ijswater in hun aderen, dat stond vast. Maar anderen waren niet zo slecht.
Ze knikte naar hem. Een eerbiedige knik. Bijna een buiging. Mart liet haar hand los en voelde zich ontdaan, bijna alsof iemand zijn benen onder hem vandaan had geschopt. Ze draaide zich om en liep terug naar haar eigen tent.
‘Jullie zullen paarden nodig hebben,’ zei hij. ‘Als jullie wachten met vertrekken tot ik morgen wakker ben, krijgen jullie er een paar van me. En wat proviand. Ik wil niet dat jullie verhongeren voor jullie in Tar Valon aankomen, en voor zover ik de laatste tijd heb gezien, zullen ze in de dorpen waar jullie doorheen rijden niets kunnen missen.’
‘Je zei tegen Joline...’
‘Ik heb mijn paarden nog eens nageteld,’ zei Mart. Die dobbelstenen rammelden nog steeds in zijn hoofd, verdomme. ‘Ik heb de paarden van de Bond nog eens nageteld, en het blijkt dat we er een paar over hebben. Die mogen jullie meenemen.’
‘Ik ben niet naar je toe gekomen om je zover te krijgen dat je me paarden zou geven,’ zei Teslyn. ‘Ik ben oprecht.’
‘Dat dacht ik al,’ zei Mart, die zich omdraaide en de tentflap optilde. ‘Daarom bied ik het ook aan.’ Hij stapte de tent in. Daar verstijfde hij. Die geur... Bloed.
9
Bloed in de lucht
Mart bukte zich onmiddellijk. Dat instinct redde zijn leven, want er zwaaide iets door de lucht boven zijn hoofd. Hij rolde opzij, en zijn hand raakte iets nats op de vloer. ‘Moord!’ brulde hij. ‘Moord in het kamp! Moord!’ Er kwam iets naar hem toe. Het was volkomen donker in de tent, maar hij hoorde het. Mart struikelde, en het geluk zat hem mee toen er weer iets vlak bij hem woesjte.
Hij raakte de grond en rolde om, waarbij hij zijn hand opzij zwaaide. Hier ergens moest...
Daar! Hij belandde vlak bij zijn slaapvlonder en zijn hand greep de lange houten steel die daar lag. Hij sprong achterwaarts overeind, sleepte de ashandarei mee, draaide zich om en haalde uit; niet naar de gestalte die door de tent naar hem toe kwam, maar naar de wand. De stof spleet met gemak en Mart sprong naar buiten, met de speer met het lange lemmet in zijn ene hand. Met zijn andere hand reikte hij naar het leren snoer om zijn hals, en in zijn haast kraste hij met zijn nagels over zijn huid. Hij trok de vossenkoppenning af en draaide zich om in de struiken naast de tent.
Er kwam een zwak licht van een lantaarn aan een paal op een kruising van kamppaden. Daardoor kon Mart een gestalte ontwaren die door de scheur in de tent naar buiten glipte. Een gestalte die hij had gevreesd te zullen zien. De gholam zag eruit als een man, slank en met zandkleurig haar en onopvallende gelaatstrekken. Het enige wat aan hem opviel, was het litteken op zijn wang.
En hij moest er ook onschadelijk uitzien, als iemand die je meteen weer vergat. De meeste mensen die dit schepsel in een menigte zagen, zouden hem negeren. Tot het ogenblik dat hij hun keel eruit rukte.
Mart ging achteruit. Zijn tent stond vlak bij een heuvel, en hij liep daar achteruit naartoe. Intussen wikkelde hij de vossenkoppenning met behulp van het leren koord strak tegen de zijkant van het lemmet van de ashandarei. Het paste niet helemaal goed, maar hij had dit geoefend. De penning was het enige waarvan hij wist dat het de gholam kon kwetsen. Hij werkte snel en bleef om hulp roepen. Soldaten zouden niets kunnen uithalen tegen dat monster, maar de gholam had eens gezegd dat hem was bevolen zo min mogelijk aandacht te trekken. Aandacht zou hem dus kunnen verjagen. Het schepsel aarzelde inderdaad en keek snel naar het kamp. Toen wendde hij zich weer naar Mart en stapte naar voren. Zijn bewegingen waren zo vloeiend als zijde die wappert in de wind. ‘Je mag wel trots zijn,’ fluisterde het schepsel. ‘Degene die me nu beveelt, wil jou meer dan ieder ander. Ik moet alle anderen negeren tot ik jouw bloed heb geproefd.’
In zijn linkerhand hield het schepsel een lange dolk vast. Zijn rechterhand droop van het bloed. Mart voelde een ijzige kilte. Wie had hij gedood? Wie was er vermoord in plaats van Martrim Cauton? Er flitste weer een beeld van Tylin door zijn hoofd. Hij had haar lijk niet gezien; dat tafereel werd aan zijn verbeelding overgelaten. Helaas had Mart vrij veel verbeeldingskracht.
Hij had dat beeld in zijn hoofd, rook de geur van bloed in de lucht, en hij deed het domste wat hij kon doen. Hij viel aan. Schreeuwend in de duisternis kwam Mart draaiend naar voren, zwaaiend met de ashandarei. Het wezen was ontzettend snel. Het leek voor het wapen weg te vloeien.