De gholam ging om hem heen als een rondcirkelende wolf, en zijn voetstappen maakten nauwelijks geluid op het droge onkruid. Hij sloeg toe, zijn gestalte een waas, en alleen een instinctieve sprong achteruit redde Mart. Hij klauterde door het onkruid en zwaaide met de ashandarei. Het monster leek bang voor de penning. Licht, zonder dat ding zou Mart nu dood en bloedend op de grond liggen! Het kwam nog eens op hem af, als vloeibare duisternis. Mart haalde woest uit en raakte de gholam meer uit geluk dan door vaardigheid. De penning maakte een schroeiend, sissend geluid toen hij de hand van het monster raakte. De geur van verbrand vlees steeg op in de lucht en de gholam krabbelde achteruit.
‘Je had haar niet hoeven vermoorden, verdomme,’ riep Mart. ‘Je had haar met rust kunnen laten! Je zat niet achter haar aan; je zat achter mij aan!’
Het schepsel grijnsde enkel, zijn mond een afgrijselijke zwartheid met kromme tanden. ‘Een vogel moet vliegen. Een mens moet ademen. Ik moet doden.’ Het beende naar voren, en Mart wist dat hij in de nesten zat. De alarmkreten waren nu luid. Dit duurde nu pas enkele ogenblikken, maar over nog een paar tellen zou er hulp komen. Nog maar een paar tellen...
‘Er is me opgedragen ze allemaal te doden,’ zei de gholam zachtjes. ‘Om je uit de tent te lokken. De man met de snor, die ouwe die zich er de vorige keer mee bemoeide, de kleine, donkerharige vrouw voor wie je genegenheid koestert. Hen allemaal, als ik jou nu niet te pakken kreeg.’
Die smerige gholam; hoe wist dat monster van Tuon af? Hoe? Het was onmogelijk!
Hij was zo geschrokken dat hij nauwelijks tijd had om de ashandarei te heffen voordat de gholam op hem af sprong. Mart vloekte en draaide opzij, maar te laat. Het mes van het schepsel fonkelde in de lucht. Toen gaf het wapen een ruk en werd het opzij uit zijn hand getrokken. Mart schrok en voelde dat er iets om hem heen werd gewikkeld en hém achteruit rukte, buiten bereik van de gholam. Wevingen van Lucht. Teslyn! Ze stond voor zijn tent, haar gezicht een masker van concentratie.
‘Je kunt hem niet rechtstreeks raken met wevingen!’ schreeuwde Mart toen haar Luchtweving hem een eindje van de gholam vandaan neerzette. Als ze hem hoog genoeg had kunnen optillen, had hij dat ook best gevonden! Maar hij had nog nooit een Aes Sedai iemand meer dan een pas of zo de lucht in zien tillen.
Hij krabbelde opzij, en de gholam kwam achter hem aan. Toen vloog er iets groots tussen hen door, waarop de gholam soepel ineen dook. Het voorwerp – een stoel! – kwam met een klap tegen de helling naast hen terecht. De gholam draaide zich om toen er een grote bank tegen hem aan kwam en hem naar achteren smeet. Mart herstelde zich en keek naar Teslyn, die in zijn tent reikte met onzichtbare wevingen van Lucht. Slim gedaan, dacht hij. Wevingen konden de gholam niet raken, maar als je er iets mee gooide, dan raakte dat hem wel.
Dat zou de gholam echter niet tegenhouden. Mart had hem wel eens een mes uit zijn borst zien trekken met de onverschilligheid van een man die een klit van zijn kleding plukte. Maar nu sprongen er soldaten met spiesen, zwaarden en schilden op het pad. Overal in het kamp gingen lichten aan.
De gholam keek Mart woest aan en rende naar de duisternis buiten het kamp. Mart draaide zich om, maar hij verstijfde toen hij twee Roodarmen zag die spiesen inzetten tegen de aanstormende gholam. Gorderan en Fergin, allebei mannen die de tijd in Ebo Dar hadden overleefd.
‘Nee!’ brulde Mart. ‘Laat hem...’
Te laat. De gholam schoot achteloos tussen de spiesen door, greep met zijn handen beide mannen bij de keel en kneep. Met een draai scheurde hij hun vlees, en de mannen vielen neer. Toen was hij in de duisternis verdwenen.
Je mag branden, dacht Mart, die de achtervolging inzette. Ik been je uit en...
Hij verstarde. De geur van bloed. Vanuit zijn tent. Dat was hij bijna vergeten.
Olver! Mart haastte zich terug naar de tent. Het was donker binnen, hoewel hij opnieuw werd overvallen door de geur van bloed. ‘Licht! Teslyn, kun jij...’
Er verscheen een lichtbol achter hem.
Het licht van die bol was voldoende om een verschrikkelijk tafereel in de tent te onthullen. Lopin, Marts bediende, lag dood op de grond, en de plas bloed kleurde een groot deel van het grondzeil donker. Twee andere mannen – Riddem en Wil Reve, Roodarmen die voor de tent op wacht hadden gestaan – lagen slap over zijn slaapvlonder heen. Hij had meteen moeten zien dat ze niet op hun post stonden. Stommeling!
Mart voelde een steek van verdriet om de doden. Lopin, die zich nog maar onlangs had hersteld van Naleseans dood. Het Licht verzenge hem, dat was een goed mens geweest! Niet eens een soldaat, alleen maar een dienaar, tevreden omdat hij iemand had om wie hij zich kon bekommeren. Mart voelde zich nu verschrikkelijk omdat hij over hem had geklaagd. Zonder Lopins hulp had Mart nooit kunnen ontsnappen uit Ebo Dar.
En de vier Roodarmen, van wie er twee Ebo Dar en de vorige aanval van de gholam hadden overleefd.
Ik had bericht moeten sturen, dacht Mart. Ik had het hele kamp moeten waarschuwen. Zou dat iets hebben uitgehaald? De gholam had bewezen dat hij vrijwel onstuitbaar was. Mart had het vermoeden dat het schepsel de hele Bond zou uitmoorden om bij hem te komen, als het moest. Alleen het bevel van zijn meester, dat hij zo min mogelijk moest opvallen, had dat voorkomen.
Hij zag geen spoor van Olver, hoewel de jongen op zijn vlonder in de hoek had moeten slapen. Lopins bloed lag er vlakbij, en het was van onderaf in Olvers deken getrokken. Mart haalde diep adem en begon de puinhoop te doorzoeken, dekens om te draaien en te kijken achter reismeubels, bang voor wat hij mogelijk zou vinden. Er kwamen nog meer vloekende soldaten aan. Het hele kamp begon wakker te worden: waarschuwende bugels werden geblazen, lantaarns werden aangestoken, pantsers rammelden. ‘Olver,’ zei Mart tegen een van de soldaten die zich voor de tent verzamelden. Hij had die hele verrekte tent doorzocht! ‘Heeft iemand hem gezien?’
‘Ik geloof dat hij bij Noal was,’ zei Sloen Maddo, een Roodarm met flaporen. ‘Ze...’
Mart drong zich de tent uit en rende door het kamp naar Noals tent. Hij kwam er aan net toen de grijsharige man naar buiten stapte en geschrokken om zich heen keek.
‘Olver?’ vroeg Mart toen hij voor de oudere man stond. ‘Hij is veilig, Mart,’ zei Noal met een grimas. ‘Het spijt me. Ik wilde je niet laten schrikken. We speelden slangen-en-vossen, en die jongen viel in slaap op de vloer. Ik heb een deken over hem heen gelegd; hij blijft de laatste tijd zo lang wakker om op jou te wachten dat het me beter leek om hem te laten slapen. Ik had het je moeten laten weten.’
‘Het spijt je?’ zei Mart, die Noal in een omhelzing knelde. ‘Jij verrekte, geweldige kerel. Je hebt zijn leven gered!’
Een uur later zat Mart met Thom en Noal in Thoms kleine tent. Er stond een twaalftal Roodarmen op wacht, en Olver was weggestuurd om in Teslyns tent te gaan slapen. De jongen wist niet dat hij op het nippertje aan de dood was ontkomen. Hopelijk zou hij dat ook nooit ontdekken.
Mart droeg zijn penning weer, hoewel hij er een nieuw leren koord aan had moeten bevestigen. De ashandarei had het andere behoorlijk beschadigd. Hij zou een betere methode moeten vinden om de penning eraan vast te maken.
‘Thom,’ zei Mart zachtjes, ‘dat schepsel bedreigde jou, en jou ook, Noal. Hij zei niets over Olver, maar wél over Tuon.’
‘Hoe moet dat monster nou van haar afweten?’ vroeg Thom, krabbend op zijn hoofd.
‘De wachters hebben buiten het kamp nog een lijk gevonden. Derry.’ Derry was een soldaat die sinds enkele dagen vermist werd, en Mart had aangenomen dat hij gedeserteerd was. Dat gebeurde soms, hoewel het niet vaak voorkwam in de Bond. ‘Hij was al een paar dagen dood.’
‘Heeft de gholam hem zo lang geleden al gegrepen?’ vroeg Noal met een frons. Noals schouders hingen af en hij had een neus met de vorm van een grote, gebogen peper die midden uit zijn gezicht groeide. In Marts ogen zag hij er altijd... afgetobd uit. Zijn handen waren zo knoestig dat ze alleen maar uit knokkels leken te bestaan. ‘Hij moet Derry hebben ondervraagd,’ zei Mart. ‘Om uit te vissen met wie ik omging, waar mijn tent stond.’