‘Is dat schepsel daartoe in staat?’ vroeg Thom. ‘Het kwam op mij eerder over als een jachthond, een snuffelaar.’
‘Hij wist me ook te vinden in Tylins paleis,’ antwoordde Mart. ‘Zelfs toen ik al weg was, ging hij naar haar kamers. Dus ofwel hij had het iemand gevraagd, of hij hield de boel in de gaten. We zullen nooit weten of Derry gemarteld is of dat hij de gholam toevallig tegenkwam terwijl die om het kamp sloop en verspiedde. Maar dat monster is sluw.’
Het zou toch niet echt achter Tuon aan gaan? Een dreigement gericht tegen zijn vrienden was waarschijnlijk alleen maar een poging om Mart op te jutten. De gholam had immers vanavond aangetoond dat hij nog steeds het bevel had om niet te veel aandacht te trekken. Dat was niet zo’n grote troost voor Mart. Als dat monster Tuon kwaad deed...
Er was maar één manier om zeker te weten dat dat niet gebeurde. ‘Wat doen we nu?’ vroeg Noal.
‘We gaan op jacht,’ zei Mart zachtjes, ‘en maken die smeerlap af.’ Noal en Thom zwegen.
‘Ik heb er geen zin in dat dat schepsel ons helemaal naar de Toren van Ghenjei achtervolgt,’ zei Mart.
‘Maar kan hij wel gedood worden, Mart?’ vroeg Thom.
‘Alles is te doden,’ antwoordde Mart. ‘Teslyn heeft bewezen dat ze hem pijn kon doen met de Ene Kracht, als ze het slim aanpakte. Wij zullen iets gelijksoortigs moeten doen.’
‘Wat dan?’ vroeg Noal.
‘Dat weet ik nog niet,’ zei Mart. ‘Ik wil dat jullie twee doorgaan met je voorbereidingen; zorg dat we klaar zijn zodat we naar de Toren van Ghenjei kunnen vertrekken zodra mijn eed aan Verin ons dat toestaat. Ik mag branden, maar ik moet nog steeds met Elayne praten. Ik wil dat er wordt begonnen met Aludra’s Draken. Ik zal haar nog een brief moeten schrijven. In sterkere bewoordingen, deze keer. Vanaf nu voeren we een paar veranderingen door. Ik ga in de stad slapen. Elke nacht een andere herberg. We zullen dat aan de Bond bekendmaken, dus als de gholam meeluistert, hoort hij het ook. Dan hoeft hij de mannen niet aan te vallen.
Jullie twee zullen ook naar de stad moeten verhuizen totdat dit achter de rug is. Tot hij dood is, of ik. De vraag is wat we aan moeten met Olver. Dat monster heeft het niet over hem gehad, maar...’ Hij zag begrip in Thom en Noals ogen. Mart had Tylin achtergelaten, en zij was nu dood. Hij wilde niet dat hetzelfde met Olver gebeurde.
‘We zullen die jongen mee moeten nemen,’ zei Thom. ‘Of hem wegsturen.’
‘Ik heb de Aes Sedai horen praten,’ zei Noal, die met een knokige vinger over zijn gezicht wreef. ‘Ze willen vertrekken. Misschien kunnen we de jongen met hen meesturen?’
Mart trok een grimas. Zoals Olver naar vrouwen lonkte, zouden de Aes Sedai hem binnen een dag aan zijn tenen ophangen. Mart stond ervan te kijken dat het niet al gebeurd was. Als hij ooit ontdekte wie van de Roodarmen die jongen leerde zich zo tegenover vrouwen te gedragen...
‘Ik denk niet dat we hem zover krijgen dat hij gaat,’ zei Mart. ‘In de eerste nacht glipt hij weg en komt hij hier terug.’ Thom knikte instemmend.
‘We zullen hem mee moeten nemen,’ zei Mart. ‘We laten hem in de herbergen in de stad slapen. Misschien is dat...’
‘Martrim Cauton!’ De hoge stem klonk buiten Thoms tent. Mart zuchtte, knikte naar de andere twee en stond op. Hij stapte de tent uit en zag dat Joline en haar Zwaardhanden zich langs de Roodarmen hadden gebluft en al bijna de tentflappen hadden opengerukt om binnen te stormen. Bij zijn verschijnen bleven ze staan. Enkele Roodarmen leken beschaamd omdat ze haar hadden doorgelaten, maar hij kon het de mannen niet kwalijk nemen. Die verrekte Aes Sedai deden wat ze verdomme maar wilden. De vrouw zelf was alles wat Teslyn niet was. Slank en knap, gekleed in een wit gewaad met een lage halslijn. Ze glimlachte vaak, hoewel haar lippen dun werden als ze die glimlach op Mart richtte, en ze had grote bruine ogen. Van die ogen die een man naar binnen konden zuigen en hem verdrinken.
Hoe knap ze ook was, Mart vond haar niet geschikt voor een van zijn vrienden. Hij zou Joline nooit toewensen aan iemand die hij mocht. In feite was hij zelfs te veel een heer om haar zijn vijanden toe te wensen. Het was beter dat ze bij Fen en Blaeric bleef, haar Zwaardhanden, die volgens Mart gek waren.
Het waren allebei Grenslanders, de ene een Shienaraan, de andere een Saldeaan. Fens schuinstaande ogen waren hard. Hij leek altijd op zoek naar iemand om te vermoorden; elk gesprek met hem was net een verhoor om te kijken of je aan de voorwaarden daarvoor voldeed. Blaerics knot begon te groeien, maar hij was nog steeds te kort. Mart zou wel willen zeggen dat het er opmerkelijk veel van weg had dat hij een dassenstaart op zijn hoofd had gelijmd, maar hij had vandaag geen zin om vermoord te worden. Het was al een afgrijselijke avond geweest.
Joline sloeg haar armen over elkaar. ‘Het schijnt dat je verslagen over dat... schepsel dat je achtervolgt klopten.’ Ze klonk sceptisch. Hij had vijf goede mannen verloren, en zij klonk sceptisch. Stomme Aes Sedai.
‘En?’ vroeg hij. ‘Weet je iets over gholam?’
‘Helemaal niets,’ zei ze. ‘Maar ik moet terug naar de Witte Toren. Ik vertrek morgen.’ Ze leek te aarzelen. ‘Ik wilde vragen of je me een paar paarden wilt lenen voor de tocht. Alles wat je kunt missen. Ik ben niet kieskeurig.’
‘In de stad wilde zeker niemand je iets verkopen, hè?’ vroeg Mart grommend.
Haar gezicht werd nog serener.
‘Nou, goed dan,’ zei Mart. ‘Je hebt het deze keer in ieder geval vriendelijk gevraagd, hoewel ik wel zie hoeveel moeite je dat kostte. Ik heb Teslyn er al een paar beloofd. Jij mag er ook wel een paar hebben. Het zal het waard zijn om jullie verrekte vrouwen uit de buurt te hebben.’
‘Dank je,’ zei ze beheerst. ‘Maar ik zal je wat goede raad geven. Gezien het gezelschap dat jij vaak verkiest, moet je misschien leren je taal een beetje te kuisen.’
‘Gezien het gezelschap dat ik maar al te vaak verkies,’ zei Mart, ‘is het verdomde ongelooflijk dat ik niet méér vloek. Ga nu maar, Joline. Ik moet een brief schrijven aan Hare Verdomde Majesteit Koningin Elayne de Preutse.’ Joline snoof. ‘Ga je ook tegen haar vloeken?’
‘Natuurlijk,’ mompelde Mart, die zich omdraaide naar Thoms tent. ‘Hoe moet ze anders weten dat die brief echt van mij komt?’
10
Na de smet
Ik ben het eens met die tellingen,’ zei Elyas, die naast Perijn liep. Gradi wandelde peinzend mee aan de andere kant, gehuld in zijn zwarte jas. Montem Alsan en Azi Altone – Perijns twee wachters van vandaag – liepen achter hen aan. Het was nog vroeg in de ochtend. Perijn was zogenaamd bezig wachtposten te inspecteren, maar hij wilde eigenlijk gewoon lopen. Ze hadden het kamp verplaatst naar een hogere wei langs de Jehannaweg. Er was een goede watervoorraad en het lag dicht genoeg bij de weg om die in het oog te houden, maar ver genoeg ervandaan om goed verdedigbaar te zijn.
Aan één kant van de wei, voor een groepje bomen, lag een oud standbeeld. Het was lang geleden omgevallen en het grootste deel ervan was nu begraven, maar een hand stak omhoog uit de aarde, met het gevest van een zwaard erin. De kling stak in de grond. ‘Ik had Gil en de anderen niet vooruit moeten sturen,’ zei Perijn. ‘Daardoor werden ze gegrepen door het eerste leger dat langskwam.’
‘Dit had je niet kunnen voorzien,’ vond Elyas. ‘En je had ook niet kunnen voorzien dat we vertraging zouden oplopen. En waar had je ze dan willen laten? Er kwamen Shaido achter ons aan, en als onze strijd bij Malden niét goed was gegaan, dan zouden Gil en de anderen hebben vastgezeten tussen twee groepen vijandelijke Aiel.’ Perijn gromde in zichzelf. Zijn laarzen bleven af en toe steken in de kletsnatte grond. Hij had de pest aan de geur van die vertrapte, bedompte modder vermengd met die van rottende, dode planten. Het was lang niet zo erg als de ziekte van de Verwording, maar hij had de indruk alsof het hele land daar nog maar een paar passen van verwijderd was.