Выбрать главу

Ze naderden een wachtpost. Twee mannen – Hu Barran en Darl Kopin – stonden daar op wacht. Er waren natuurlijk ook nog verkenners: mannen uit Tweewater in de bomen, Speervrouwen die rondes liepen. Maar Perijn had geleerd dat een paar mannen op posten rondom het kamp iedereen binnen een gevoel voor orde bijbrachten. De wachters brachten hem een saluut, hoewel die van Darl slordig was. Ze gaven een vreemde mengeling van geuren af: spijt, frustratie, teleurstelling. En schaamte. Dat laatste was zwak, maar het was er toch. Perijns zogenaamde gestoei met Berelain lag nog vers in hun geheugen, en Failes terugkeer scheen hun onbehagen te hebben verergerd. In Tweewater kwam je niet snel van een naam als ontrouwe echtgenoot af.

Perijn knikte naar hen en liep door. Hij deed niet vaak aan vormelijke inspecties. Als de mannen wisten dat hij elke dag wel een keer langskwam, dan hielden ze zichzelf wel in het gareel. Meestal. Gisteravond moest hij een slapende Berin Tan wakker porren met zijn laars, en hij lette altijd op of hij geen geur van sterkedrank bij hen opving. Hij zag Jori Kongar er wel voor aan om af en toe stiekem een slokje te nemen terwijl hij wachtdienst had. ‘Maar goed,’ zei Perijn. ‘De Witmantels hebben onze mensen en onze spullen.’ Hij grimaste, denkend aan het graan dat ze in So Habor hadden gekocht en dat nu de buiken van Witmantels zou vullen. ‘Kunnen we er naar binnen sluipen en ze bevrijden?’

‘Ik zie geen behoefte om te sluipen,’ zei Gradi achter hem. ‘Vergeef me, heer, maar u schijnt hier een groter probleem van te maken dan het is.’

Perijn keek om naar de man met zijn gelooide huid. ‘Het zijn Witmantels, Gradi. Die zijn altijd een groot probleem.’

‘Ze hebben er niemand die de Ene Kracht kan geleiden.’ Gradi haalde zijn schouders op en legde zijn handen op zijn rug. Met zijn zwarte jas, de speld en zijn toenemend soldaatachtige uitstraling leek hij steeds minder op een boer. ‘Neald voelt zich beter. Hij en ik kunnen op die Kinderen inbeuken totdat ze ons geven wat we hebben willen.’

Perijn knikte. De gedachte om de Asha’man gewoon hun gang te laten gaan stond hem tegen. De geur van verschroeid vlees in de lucht, de aarde opengescheurd en gebroken. De geuren van Dumais Bron. Hij kon zich echter ook niet nog eens zo’n afleiding als Malden veroorloven. Als er geen andere keus was, zou hij het bevel geven. Maar nu nog niet. Toeval bestaat niet bij ta’veren. De wolven, de Witmantels. Dingen waar hij al enige tijd voor wegliep, keerden nu terug om hem te achtervolgen. Hij had de Kinderen verjaagd uit Tweewater. Veel van de mannen die toen bij hem waren, waren hem hierheen gevolgd.

‘Misschien komt het daar nog toe,’ zei Perijn onder het lopen tegen Gradi. ‘Maar misschien ook niet. Wij hebben een groter leger dan zij, en nu die verdomde wolvenkopbanier eindelijk omlaag is gehaald, beseffen ze mogelijk niet wie we zijn. We voeren de banier van de koningin van Geldan, en zij trekken door Alliandres grondgebied. Waarschijnlijk hebben ze de spullen op de wagens van onze mensen gezien en besloten hen te “beschermen”. Een beetje praten, misschien een beetje dreigen, kan wel eens genoeg zijn om ze over te halen onze mensen te laten gaan.’

Elyas knikte, en Gradi scheen het ermee eens te zijn, maar Perijn was zelf niet overtuigd. De Witmantels joegen hem al na sinds hij pas uit Tweewater was vertrokken. Omgaan met hen was nooit eenvoudig geweest.

Het voelde alsof de tijd daar was. Tijd om een einde te maken aan zijn strubbelingen met hen, hoe dan ook.

Hij vervolgde zijn ronde en kwam aan in het gedeelte van het kamp dat werd bewoond door de Aiel. Hij knikte naar een paar Speervrouwen die ontspannen maar alert op wacht zaten. Ze stonden niet op en brachten hem geen saluut – wat hij best vond – hoewel ze wel knikten. Kennelijk had hij in hun ogen veel ji opgedaan door de manier waarop hij de aanval op de Shaido had voorbereid en had laten slagen.

De Aiel hadden hun eigen wachtposten, en hij had geen reden om die te inspecteren. Maar hij ging er op zijn rondes toch langs. Het leek hem dat als hij de andere delen van het kamp bezocht, hij hier ook moest komen.

Giradi bleef plotseling staan en draaide zich met een ruk om naar de tenten van de Wijzen.

‘Wat is er?’ vroeg Perijn haastig, turend door het kamp. Hij zag niets ongebruikelijks.

Giradi glimlachte, ik geloof dat ze het voor elkaar hebben.’ Hij liep het Aielkamp in, zonder zich iets aan te trekken van de woedende blikken van meerdere Speervrouwen. Ze hadden hem er heel goed uit kunnen gooien, Asha’man of niet, als Perijn niet bij hem was geweest.

Neald, dacht Perijn. Hij werkt samen met de Aes Sedai om die cirkels uit te vogelen. Als Gradi iets in de wevingen had gezien... Perijn volgde, en weldra kwamen ze aan bij een kring van tenten van Wijzen midden in het Aielkamp. De grond ertussen was droog en stevig, misschien door wevingen. Neald, Edarra en Masuri zaten daar. Fager Neald was een jonge Morlander met een snor die in punten opkrulde. Hij droeg geen spelden op de kraag van zijn zwarte jas, hoewel hij waarschijnlijk bevorderd zou worden zodra de groep terugkeerde van hun uitstapje. Hij was sterker geworden in de Kracht sinds ze waren begonnen.

Hij was nog bleek van de slangenbeten die hij had opgelopen, maar hij zag er veel beter uit dan slechts een paar dagen geleden. Hij glimlachte, staarde naar de lucht voor hem en verspreidde een uitgelaten geur.

Een grote Poort spleet de lucht. Perijn gromde. De doorgang scheen te leiden naar een plek waar ze enkele weken geleden hadden gekampeerd: een open weiland waar niets opvallends aan was. ‘Lukt het?’ vroeg Gradi, die naast Neald neerknielde. ‘Het is prachtig, Jur,’ zei Neald zacht. Zijn stem had niets van de stoerheid in zich die hij vaak aan de dag legde. ‘Ik vóél saidar. Het lijkt wel alsof ik nu meer één geheel ben.’

‘Geleid je het?’ vroeg Perijn.

‘Nee, maar dat hoeft ook niet. Ik kan het gebruiken.’

‘Hoe dan?’ vroeg Gradi gretig.

‘Dat... dat is moeilijk uit te leggen. De wevingen zijn saidin, maar het lijkt erop dat ik ze kan versterken met saidar. Zolang ik zelf een Poort kan maken, schijnt het dat ik de sterkte – en afmetingen – ervan kan vergroten met wat de vrouwen me lenen. Licht! Het is schitterend. We hadden dit maanden geleden al moeten doen.’ Perijn keek naar de twee vrouwen, Masuri en Edarra. Ze leken geen van beiden zo uitbundig als Neald. Masuri keek een beetje misselijk, en ze rook angstig. Edarra rook nieuwsgierig en behoedzaam. Gradi had gezegd dat als je op deze manier een cirkel maakte, de mannen de beheersing moesten krijgen over de vrouwen. ‘Dan kunnen we dus binnenkort de verkenners naar Cairhien sturen,’ zei Perijn, strelend over de smidspuzzel in zijn zak. ‘Gradi, maak met de Aiel afspraken over die missie, en stel de Poorten zo in als zij aangeven.’

‘Ja, heer,’ antwoordde Gradi, wrijvend over zijn gelooide gezicht. ‘Het is waarschijnlijk beter als ik hier blijf om die techniek te leren dan verder te gaan met onze rondes. Hoewel er wel nog eerst iets was wat ik met u wilde bespreken. Als u tijd hebt.’

‘Zoals je wilt,’ zei Perijn, die wegliep bij de groep. Vanaf de zijkant kwamen enkele andere Wijzen naar voren. Ze lieten Neald weten dat het hun beurt was om een cirkel met hem te proberen. Ze gedroegen zich helemaal niet alsof Neald de leiding had, en hij gehoorzaamde snel. Hij liep al op zijn tenen bij de Aiel sinds hij iets te vrijpostig was geweest tegen een Speervrouwe en dat had moeten bekopen met een spelletje Kus van de Speervrouwe.

‘Waar gaat dit over, Gradi?’ vroeg Perijn toen ze een eindje verderop waren.

‘Nou, Neald en ik voelen ons kennelijk allebei goed genoeg om Poorten te maken,’ zei Gradi. ‘Ik vroeg me af of ik...’ Hij scheen te aarzelen. ‘Nou, of ik vrijaf kon krijgen om een middagje naar de Zwarte Toren te gaan. Om mijn gezin te bezoeken.’

O ja, dacht Perijn. Hij heeft een vrouw en zoon. De Asha’man praatte niet vaak over hen. Eigenlijk praatte hij nergens echt over.

‘Ik weet niet, Gradi,’ zei Perijn, die opkeek naar de donker bewolkte hemel. ‘We hebben Witmantels voor ons, en we weten nog steeds niet zeker of die Shaido om ons heen zullen proberen te komen om een hinderlaag te leggen. Ik wil je liever niet missen totdat ik zeker weet dat we op een veilige plek zijn.’