‘Het hoeft niet lang te duren, heer,’ zei Gradi ernstig. Perijn vergat soms hoe jong die man was, slechts zes of zeven jaar ouder dan hij. Gradi leek zoveel ouder in die zwarte jas en met zijn zongebruinde gezicht.
‘We vinden er wel een goed tijdstip voor,’ zei Perijn. ‘Binnenkort. Ik wil niets in beroering brengen tot we nieuws hebben over wat er sinds ons vertrek is gebeurd.’ Inlichtingen konden een machtig wapen zijn. Dat had Balwer hem geleerd.
Gradi knikte en leek tevredengesteld, hoewel Perijn hem niets concreets had geboden. Licht! Zelfs de Asha’man begonnen te ruiken als mensen die hem als hun heer zagen. En ze waren nog wel zo hooghartig geweest toen dit allemaal begon.
‘Je hebt je hier nooit eerder druk over gemaakt, Gradi,’ zei Perijn.
‘Is er iets veranderd?’
‘Alles,’ zei Gradi zachtjes. Perijn ving een vleug van zijn geur op.
Hoopvol. ‘Het veranderde een paar weken geleden. Maar natuurlijk weet u dat niet. Niemand weet het. Fager en ik waren er eerst niet zeker van, en we wisten niet of we het iemand moesten vertellen, uit angst dat we voor gek zouden worden versleten.’
‘Wat weet ik niet?’
‘Heer, de smet. Hij is wég.’
Perijn fronste zijn voorhoofd. Kwam dit uit waanzin voort? Maar Gradi rook niet waanzinnig.
‘Het gebeurde op die dag,’ vertelde Gradi, ‘dat we in het noorden iets zagen. Ik weet dat het ongelooflijk klinkt, maar het is echt waar.’
‘Dat zou wel iets kunnen zijn waar Rhand zich mee bezig heeft gehouden,’ zei Perijn, en de kleuren wervelden voor zijn ogen. Hij schoof ze terzijde. ‘Als jij het zegt, dan vertrouw ik je, Gradi. Maar wat heeft dat te maken met de Zwarte Toren en je gezin? Wil je gaan kijken of de andere Asha’man het er ook over eens zijn?’
‘O, die zijn het er wel over eens,’ zei Gradi. ‘Het gaat erom... Nou, heer, ik ben een eenvoudig man. Sora is van ons twee altijd de denker geweest. Ik doe wat gebeuren moet, en dat is dat. Me aansluiten bij de Zwarte Toren, dat was iets wat gebeuren moest. Ik wist wat er zou volgen als ik beproefd werd. Ik wist dat ik het in me had. Mijn vader had het ook, begrijpt u. We praatten er nooit over, maar het was er. De Roden vonden hem alleen nog te jong, vlak nadat ik was geboren.
Toen ik me bij de Draak aansloot, wist ik wat er met me zou gebeuren. Nog een paar jaar en ik zou dood zijn. Die kon ik dan net zo goed vechtend doorbrengen. De Draak zei tegen me dat ik een soldaat was, en een soldaat mag zijn plicht niet verzaken. Daarom heb ik tot nu toe nooit gevraagd of ik mocht terugkeren. U had me nodig.’
‘Is dat veranderd?’
‘Heer, de smet is wég. Ik word niet waanzinnig. Dat betekent... Nou, ik heb altijd een reden gehad om te vechten, maar nu heb ik ook een reden om te léven.’
Toen hij de man in zijn ogen keek, begreep Perijn het. Hoe moest het zijn geweest? Weten dat je uiteindelijk je verstand zou verliezen en terechtgesteld zou moeten worden. Waarschijnlijk door je eigen vrienden, die dat dan een genade zouden noemen? Dat was wat Perijn al die tijd al bij de Asha’man voelde, de reden dat ze zich afzonderden, dat ze vaak zo neerslachtig leken. Ieder ander vocht voor het leven. De Asha’man... zij vochten om te sterven. Zo voelt Rhand zich ook, dacht Perijn, kijkend naar de wervelende kleuren waarin zijn vriend verscheen. Rhand reed op zijn grote zwarte paard door een stad met modderige straten en praatte met Nynaeve, die naast hem reed.
Perijn schudde zijn hoofd en verjoeg het beeld. ‘We krijgen je wel thuis, Gradi,’ beloofde hij. ‘Je krijgt nog wat tijd met haar voordat het einde komt.’
Gradi knikte en keek naar de hemel toen er een diep gerommel van donder in het noorden klonk. ‘Ik wil alleen maar met haar praten, begrijpt u? En ik wil mijn kleine Gadren weer zien. Ik zal die jongen wel niet meer herkennen.’
‘Het is vast een knap kind, Gradi.’
Gradi lachte. Het voelde vreemd, maar aangenaam, om dat van die man te horen. ‘Knap? Gadren? Nee, heer, hij is groot voor zijn leeftijd, maar hij is ongeveer net zo knap als een boomstronk. Toch hou ik ontzettend veel van hem.’ Hij schudde zijn hoofd vermaakt. ‘Maar ik moet weg, dat handigheidje leren samen met Neald. Dank u, heer.’
Perijn glimlachte en keek hem na toen een Speervrouwe zich het kamp in haastte. Ze meldde zich bij de Wijzen, maar verhief haar stem zodat ook Perijn haar kon verstaan. ‘Er komt een vreemdeling aan over de weg naar het kamp. Hij heeft een vredesvlag bij zich, maar hij draagt de kleding van die Kinderen van het Licht.’ Perijn knikte en riep zijn wachters bijeen. Terwijl hij zich naar de voorzijde van het kamp haastte, verscheen Tam en liep met hem mee. Ze kwamen aan op het ogenblik dat de Witmantel de eerste wachters naderde. De man reed op een helwitte ruin, en hij droeg een lange steel met een witte banier eraan. Zijn witte kleding – maliën met een tabberd en een mantel eroverheen – was op de borst voorzien van een gele zonnekrans.
Perijn kreeg een scherp, ontmoedigend gevoel. Hij herkende die man. Dain Bornhald.
‘Ik wil de misdadiger Perijn Aybara spreken,’ kondigde Bornhald met luide stem aan terwijl hij tot stilstand kwam.
‘Ik ben hier, Bornhald,’ riep Perijn, en hij stapte naar voren.
Bornhald keek hem aan. ‘Je bent het echt. Het Licht heeft je aan ons uitgeleverd.’
‘Als het Licht je niet ook een leger heeft bezorgd dat drie of vier keer zo groot is als wat je nu hebt,’ riep Perijn, ‘dan denk ik niet dat je er veel aan hebt.’
‘We hebben mensen in hechtenis die beweren trouw aan je te zijn, Aybara.’
‘Nou, die mag je terug laten rijden naar ons kamp, en dan vertrekken we.’
De jonge Witmantel wendde zijn paard opzij en keek boos. ‘We hebben onafgemaakte zaken, Duistervriend.’
‘Dit hoeft niet akelig te worden, Bornhald,’ zei Perijn. ‘Zoals ik het zie, kunnen we nog steeds ieder ons weegs gaan.’
‘De Kinderen sterven liever dan dat ze de kans op gerechtigheid laten lopen,’ zei Dain, en hij spoog opzij. ‘Maar dat zal ik de Kapiteinheer-gebieder laten uitleggen. Hij wil je zelf spreken. Er is me bevolen je te vertellen dat hij een klein stukje rijden verderop langs de weg wacht. Hij wil graag dat je naar hem toe komt.’
‘Denk je dat ik in zo’n overduidelijke valstrik trap?’ vroeg Perijn. Bornhald haalde zijn schouders op. ‘Kom, of kom niet. Mijn Kapiteinheer-gebieder is een man van eer, en hij zweert dat je veilig mag terugkeren; meer dan ik een Duistervriend zou hebben aangeboden. Je mag je Aes Sedai meebrengen, als je die hebt, voor je veiligheid.’ Na die woorden wendde Bornhald zijn rijdier en galoppeerde weg.
Perijn bleef peinzend staan en keek hem na. ‘Je overweegt toch niet echt om te gaan, hè, jongen?’ vroeg Tam. ‘Ik weet liever zeker wie ik tegenover me heb,’ antwoordde Perijn. ‘En we hadden zelf om een overleg gevraagd. Misschien kunnen we onderhandelen om onze mensen terug te krijgen. Het Licht verzenge me, Tam. Ik moet het in ieder geval probéren voordat we aanvallen.’
Tam zuchtte, maar hij knikte.
‘Hij had het over Aes Sedai,’ zei Perijn, ‘maar niet over Asha’man. Ik durf te wedden dat hij niet veel over hen weet. Laat Gradi zich kleden als een man uit Tweewater en zeg dat hij zich bij me meldt, samen met Gaul en Sulin. Vraag Edarra of ze ook meegaat. Maar vertel mijn vrouw hier niets over. Wij vijf gaan vooruit om te kijken of de Witmantels echt in vrede met ons willen praten. Als er iets misgaat, staat Gradi klaar om ons via een Poort weg te krijgen.’ Tam knikte en haastte zich weg. Perijn wachtte zenuwachtig tot Tam terugkeerde met Gaul, Sulin en Edarra. Gradi kwam enkele minuten later, gekleed in een bruine wollen mantel en bruine en groene kleding die hij had geleend van een van de mannen uit Tweewater. Hij droeg een boog bij zich, maar hij liep als een soldaat, met een rechte rug terwijl hij met scherpe ogen om zich heen keek. Hij straalde iets van gevaar uit, wat je bij geen enkele gewone dorpeling zou zien. Hopelijk verpestte dat de vermomming niet.