Met hun zessen vertrokken ze uit het kamp, en gelukkig scheen Faile niet te hebben gehoord wat er aan de hand was. Perijn zou haar meenemen als er een langduriger overleg volgde, maar hij wilde dit tochtje kort houden, en hij moest zich kunnen bewegen zonder zich zorgen over haar te hoeven maken.
Ze gingen te voet en troffen de Witmantels op korte afstand verderop langs de weg. Het leken er maar twaalf te zijn, staand bij een kleine tent die naast de weg was opgezet. Ze stonden tegen de wind in, en daardoor ontspande Perijn een beetje. Hij ving geuren van woede en walging op, maar het voelde niet aan als een valstrik. Toen hij en de anderen naderden, stapte er een in het wit gehulde gestalte uit de kleine tent. De lange man had fraaie gelaatstrekken en kort, donker haar. De meeste vrouwen zouden hem waarschijnlijk knap noemen. Hij rook... beter dan de andere Witmantels. Zij hadden een wilde geur over zich, als die van een hondsdol dier. Die leider van hen rook kalm, en helemaal niet ziekelijk. Perijn keek zijn metgezellen even aan.
‘Dit bevalt me niet, Perijn Aybara,’ zei Edarra, die van de ene naar de andere kant keek. ‘Die Kinderen bezorgen me een naar gevoel.’
‘Boogschutters tussen die bomen zouden ons makkelijk kunnen raken,’ zei Tam met een grom, knikkend naar een boomgroepje verderop.
‘Gradi, hou je de Kracht vast?’ vroeg Perijn.
‘Natuurlijk.’
‘Hou je klaar, gewoon voor de zekerheid,’ zei Perijn, en toen stapte hij naar het kleine groepje Witmantels toe.
Hun leider keek Perijn onderzoekend aan, met zijn handen op zijn rug. ‘Goudkleurige ogen,’ zei de man. ‘Dus het is waar.’
‘Bent u de Kapiteinheer-gebieder?’ vroeg Perijn.
‘Inderdaad.’
‘Wat kost het me om te zorgen dat u mijn mensen vrijlaat?’
‘Volgens mijn mannen hebben ze zo’n uitwisseling al eens geprobeerd,’ zei de leider van de Witmantels. ‘En vervolgens zijn ze door u misleid en verraden.’
‘Ze hadden onschuldige mensen ontvoerd,’ zei Perijn. ‘En ze eisten mijn leven in ruil voor dat van hen. Toen ben ik mijn mensen zelf gaan halen. Dwing me niet om nu weer hetzelfde te doen.’ De leider van de Witmantels kneep zijn ogen tot spleetjes. Hij rook nadenkend, ik zal doen wat juist is, Guldenoog. Wat het kost, doet er niet toe. Mijn mannen zeggen dat u een paar jaar geleden enkele Kinderen hebt vermoord, en dat u daarvoor nooit voor het gerecht bent gebracht. Dat u Trolloks aanvoert in de aanval op dorpen.’
‘Uw mannen zijn niet erg betrouwbaar,’ zei Perijn grauwend, ik wil een vormeiijker overleg, waar we dit zittend kunnen bespreken. Niet zo’n hapsnap-regeling als nu.’
‘Dat lijkt me niet nodig,’ zei de leider van de Witmantels. ‘Ik ben hier niet om te onderhandelen. Ik wilde u alleen met eigen ogen zien. Wilt u dat ik uw mensen laat gaan? Ontmoet mijn leger dan op het slagveld. Doe dat, dan laat ik de gevangenen vrij, ongeacht de uitkomst. Het zijn overduidelijk geen soldaten. Ik zal ze vrijlaten.’
‘En als ik weiger?’ vroeg Perijn.
‘Dan voorspelt dat niet veel... goeds voor hun gezondheid.’ Perijn knarsetandde.
‘Uw leger moet zich met dat van ons meten onder het Licht,’ zei de leider van de Witmantels. ‘Dat zijn onze voorwaarden.’ Perijn keek opzij. Gradi ontmoette zijn blik, en er was een overduidelijke vraag in zijn ogen te zien. Hij kon de leider van de Witmantels ter plekke gevangennemen, zonder enige moeite. Het was verleidelijk. Maar ze waren onder een eed van veiligheid van de Witmantels gekomen. Hij zou die vrede niet schenden. In plaats daarvan draaide hij zich om en leidde zijn mensen terug naar zijn kamp.
Galad keek Aybara na. Die goudkleurige ogen waren onrustbarend. Hij had Byars stellige overtuiging, dat die man niet slechts een Duistervriend was maar zelfs Schaduwgebroed, terzijde geschoven. Toen hij echter in die ogen keek, wist Galad niet meer zo zeker of hij die beweringen kon negeren.
Naast hem slaakte Bornhald een zucht, ik kan niet geloven dat je dit wilde doen. Stel dat hij wél Aes Sedai had meegenomen? We hadden niets kunnen uitrichten tegen de Ene Kracht.’
‘Ze zouden me niet hebben gedeerd,’ zei Galad. ‘En bovendien, als Aybara het vermogen had gehad om me te vermoorden met de Ene Kracht, dan had hij dat al kunnen doen in mijn eigen kamp. Maar als hij is zoals jij en Byar zeggen, dan maakt hij zich erg druk over zijn imago. Hij heeft niet ronduit Trolloks aangevoerd tegen Tweewater. Hij deed alsof hij het dorp verdedigde.’ Zo’n man zou fijnzinnig handelen. Galad was veilig geweest.
Hij had Aybara zelf willen zien, en hij was blij dat hij het had gedaan. Die ogen... die waren op zich al bijna een veroordeling. En Aybara had zichtbaar gereageerd toen Galad het over de vermoorde Witmantels had: hij was verstijfd. Verder was er nog wat zijn mensen over hem zeiden in verband met de Seanchanen, en dat hij mannen bij zich had die konden geleiden.
Ja, die Aybara was een gevaarlijk man. Galad had zich zorgen gemaakt over wat er zou gebeuren als hij zijn leger hier liet strijden, maar het Licht zou hen bijstaan. Hij kon die Aybara beter nu meteen verslaan dan wachten tot hij hem tegenover zich kreeg bij de Laatste Slag. En zo snel nam hij zijn besluit. Het juiste besluit. Ze zouden vechten.
‘Kom,’ zei Galad, en hij wenkte zijn mannen. ‘We gaan terug naar het kamp.’
11
Een onverwachte brief
We kunnen onmogelijk verwachten dat ik dit onderteken,’ zei Elayne, die de stapel papieren op de vloer naast haar stoel smeet.
‘Dat doen ze waarschijnlijk ook niet,’ merkte Dyelin op. Haar goudblonde haar zat keurig, haar smetteloze gelaat was ingetogen, en ze hield haar slanke lichaam kaarsrecht. Die vrouw was volmaakt! Het was niet eerlijk dat zij er zo onberispelijk uitzag terwijl Elayne zich een zeug voelde, vetgemest en rijp voor de slacht. De haard in Elaynes zitkamer knapperde warm. Er stond wijn in een kan op een van de zijtafeltjes, maar natuurlijk mocht zij daar niets van hebben. Als nog één iemand probeerde haar die smerige geitenmelk te laten drinken...
Birgitte hing onderuit tegen de achterste muur, met haar gouden vlecht over haar rechterschouder, contrasterend met haar rode jas met witte kraag en hemelsblauwe broek. Ze had een kom thee voor zichzelf ingeschonken en keek er glimlachend overheen, vermaakt om Elaynes ergernis. Elayne voelde het door de binding! Zij waren de enigen in de kamer. Elayne had zich teruggetrokken in de zitkamer nadat ze het voorstel van Elloriens boodschapper had aangehoord en had verklaard dat ze het aanbod in afzondering wilde ‘overwegen’. Nou, ze zou het zeker overwegen! Overwegen het in de prullenmand te gooien, want daar hoorde het! ‘Dit is een belediging,’ zei ze, wuivend met haar hand naar de vellen papier.
‘Is het dan je bedoeling om ze eeuwig gevangen te houden, Elayne?’ vroeg Dyelin, die haar wenkbrauw optrok. ‘Ze kunnen zich geen losgeld veroorloven, niet na al het geld dat ze hebben besteed aan hun bod op de Opvolging. Je moet dus een besluit nemen.’
‘Ze mogen wegrotten,’ zei Elayne, en ze sloeg haar armen over elkaar. ‘Ze hebben legers tegen me in stelling gebracht en Caemlin belegerd!’
‘Ja,’ zei Dyelin vlak. ‘Ik geloof dat ik erbij was.’ Elayne vloekte zachtjes in zichzelf, stond op en begon te ijsberen. Birgitte keek naar haar; ze wisten allebei dat Melfane had gezegd dat Elayne zich niet moest opwinden. Elayne keek de Zwaardhand koppig in de ogen en ging door met ijsberen. Het Licht mocht haar branden, en die verrekte vroedvrouw ook! Lopen was geen opwinding. Ellorien was een van de laatsten die zich nog niet had uitgesproken voor Elaynes regentschap en was de meest problematische; op Jarid Sarand na, misschien. Die maanden markeerden het begin van een lange tijd van beproevingen voor Elayne. Welke stelling zou ze nemen over bepaalde kwesties? Hoe gemakkelijk zou ze zich laten koeioneren? Hoeveel leek ze op haar moeder? Ze zouden inmiddels moeten weten dat ze zich niet zo gemakkelijk bang liet maken. Maar de onfortuinlijke waarheid was dat ze op een hele hoge, wankele stapel theekommen zat. Elk van die kommen was een Andoraans Huis; sommige hadden haar bereidwillig gesteund, andere met tegenzin. Er waren er maar heel weinig zo standvastig als zij zou willen.