Выбрать главу

Elayne ging rechtop zitten en voelde plotseling spanning. Duhara Basaheen had herhaaldelijk getracht een audiëntie bij Elayne te krijgen door verschillende leden van de paleisstaf te koeioneren. Die wisten nu echter allemaal dat ze niét mocht worden toegelaten. Aes Sedai of niet, ze was een afgevaardigde van Elaida, en Elayne wilde niets met haar te maken hebben.

‘U hebt haar in de gaten laten houden,’ zei Elayne gretig. ‘Vertel me alstublieft dat u iets hebt ontdekt wat ik kan gebruiken om dat onuitstaanbare mens te verbannen.’

‘Dus ik verdien geen afkeuring?’ vroeg meester Norrij behoedzaam, even droog en onbewogen als altijd. Hij was nog onervaren waar het op verspieden aankwam.

‘Licht, nee,’ zei Elayne. ‘Ik had die opdracht zelf moeten geven. U hebt me gered van die onoplettendheid, meester Norrij. Als wat u hebt ontdekt erg goed nieuws is, dan ga ik u misschien wel kussen.’ Dat ontlokte hem wel een reactie: zijn ogen werden groot van afgrijzen. Elayne moest erom lachen, en Birgitte grinnikte ook. Dyelin leek minder blij. Nou, zij mocht aan een geitenpoot gaan sabbelen, wat Elayne betrof.

‘Eh... nou,’ zei Norrij, ‘dat is niet nodig, Majesteit. Ik had de gedachte dat als er Duistervrienden in de stad waren die zich voordeden als Aes Sedai’ – net als alle anderen had hij inmiddels geleerd niet naar Falion en de anderen te verwijzen als ‘Aes Sedai’ waar Elayne bij was – ‘het goed zou zijn om iedereen die beweerde uit de Witte Toren te komen in het oog te houden.’

Elayne knikte gretig. Wat kon die Norrij doorkletsen! ‘Ik vrees dat ik Uwe Majesteit moet teleurstellen,’ zei Norrij, die kennelijk Elaynes opwinding opmerkte, ‘als u hoopte op bewijs dat die vrouw een Duistervriend is.’

‘O.’

‘Maar,’ zei Norrij, die een magere vinger opstak, ‘ik heb wel reden om aan te nemen dat Duhara Sedai mogelijk de hand heeft gehad in het document dat u met eh... ongebruikelijke eerbied schijnt te behandelen.’ Hij keek naar de vellen papier die Elayne op de vloer had gesmeten. Op een ervan was een duidelijke schoenafdruk te zien. ‘Heeft Duhara ontmoetingen gehad met Ellorien?’ vroeg Elayne. ‘Dat is inderdaad het geval,’ beaamde meester Norrij. ‘De bezoekjes worden veelvuldiger. En ze gaan gepaard met enige mate van geheimzinnigheid.’

Elayne keek opzij naar Dyelin. ‘Waarom wil Duhara dat mijn tegenstrevers worden bevrijd?’

Dyelin keek ongerust. ‘Ze kan niet zo dom zijn om aan te nemen dat ze een beweging tegen jou kan beginnen, vooral niet met een groep gebroken, bankroete edelen.’

‘Majesteit?’ zei Norrij. ‘Als ik een opmerking mag maken...’

‘Natuurlijk, meester Norrij.’

‘Misschien probeert de Aes Sedai in het gevlei te komen bij vrouwe Ellorien. We weten niet zeker of ze hebben samengespannen in dit voorstel; het leek alleen waarschijnlijk, gezien de frequentie en tijdstippen van de bezoeken van de Aes Sedai. Maar ze heeft mogelijk niet zozeer reden om uw vijanden te steunen, als wel om in een goed blaadje te komen bij sómmige edelen in de stad.’ Het was mogelijk. Duhara zou niet gauw terugkeren naar de Witte Toren, ongeacht hoe vaak Elayne haar dat ook voorstelde. Teruggaan zou betekenen dat ze met lege handen en een vijandig Andor bij Elaida aankwam. Geen enkele Aes Sedai zou zich zo gemakkelijk laten ontmoedigen. Maar als ze kon terugkeren met de belofte van trouw van enkele Andoraanse edelen, dan was dat al iets. ‘Als Duhara haar herberg verliet om een bezoek te brengen aan Elloriens huis,’ zei Elayne, ‘hoe kleedde ze zich dan?’ Hoewel Ellorien kort had gesproken over terugkeren naar haar landgoederen, was ze niet vertrokken, misschien omdat ze besefte dat het politiek gezien nog niet verstandig zou zijn. Ze verbleef nu in haar landhuis in Caemlin.

‘In een mantel, Majesteit,’ zei Norrij. ‘Met de kap omhoog.’

‘Rijk of arm?’

‘Ik... Dat weet ik niet,’ antwoordde Norrij, en hij klonk beschaamd, ik kan meester Hark wel even halen...’

‘Dat is niet nodig,’ zei Elayne. ‘Maar zeg eens. Ging ze alleen?’

‘Nee. Ik geloof dat ze altijd een vrij groot geleide bij zich had.’ Elayne knikte. Ze durfde te wedden dat hoewel Duhara een mantel droeg met de kap omhoog, ze wel haar Grote Serpent-ring omhield en een opvallend kostbare mantel koos voor de misleiding, samen met dat geleide.

‘Meester Norrij,’ zei Elayne, ‘ik vrees dat u bij de neus bent genomen.’

‘Majesteit?’

Dyelin knikte. ‘Ze wilde dat mensen zagen dat ze op bezoek ging bij Ellorien. Ze wilde niet dat die bezoekjes officieel waren; dat zou haar te duidelijk tegenover jouw troon plaatsen. Maar ze wilde wel dat jij wist wat ze deed.’

‘Ze gaat schaamteloos om met mijn vijanden,’ zei Elayne. ‘Het is een waarschuwing. Ze heeft me al eens bedreigd, gezegd dat ik het niet op prijs zou stellen om tegenover haar en Elaida te staan.’

‘Ach,’ zei Norrij ontmoedigd. ‘Dus mijn initiatief was toch niet zo sluw.’

‘O, het was alsnog waardevol,’ zei Elayne. ‘Als u haar niet in de gaten had gehouden, hadden we dit over het hoofd gezien, en dat zou beschamend zijn geweest. Als iemand zoveel moeite doet om me te beledigen, dan wil ik me daar in ieder geval bewust van zijn. Al is het maar zodat ik later weet wie ik moet laten onthoofden.’ Norrij verbleekte.

‘Figuurlijk gesproken, meester Norrij,’ zei ze. Hoezeer ze dat ook mocht willen doen. En Elaida ook! Ze had het lef om een waakhondje te sturen om Elayne ‘raad’ te geven? Elayne schudde haar hoofd. Schiet op, Egwene. We hebben je in de Toren nodig. De wereld heeft je daar nodig, dacht ze vurig.

Ze zuchtte en wendde zich weer tot Norrij. ‘U zei dat er meerdere nieuwe kwesties waren die mijn aandacht behoefden?’

‘Inderdaad, Majesteit,’ zei hij, en hij pakte die verschrikkelijke leren map van hem. Hij haalde er een vel papier uit, waar hij met lang niet zoveel eerbied naar keek als naar de meeste documenten die hij verzamelde. Dit vel hield hij zelfs tussen twee vingers omhoog, als een man die een dood dier opraapt dat hij in de goot heeft gevonden. ‘U herinnert zich ongetwijfeld nog uw bevelen aangaande de troepen huurlingen?’

‘Ja,’ zei ze met een grimas. Ze begon dorst te krijgen. Neerslachtig keek ze naar de kom warme geitenmelk op het tafeltje naast haar stoel. Nieuws over veldslagen trok huurlingen aan die graag hun diensten wilden aanbieden.

Helaas voor de meeste huurlingen had het beleg maar kort geduurd. Nieuws verspreidde zich snel, maar vermoeide en hongerige soldaten reisden langzaam. Soldatengroepen bleven in gestage stromen in de stad aankomen, waar de mannen teleurgesteld ontdekten dat er geen behoefte meer was aan hun wapens.

Elayne was ermee begonnen ze weg te sturen, maar had toen beseft hoe dom dat was. Elke man zou nodig zijn bij Tarmon Gai’don, en als Andor een man of vijf-, tienduizend kon leveren aan het conflict, dan wilde ze dat doen.

Ze had nu niet het geld om de soldaten te betalen, maar ze wilde hen ook niet kwijt. Dus had ze meester Norrij en kapitein Guybon opgedragen om alle huurlingentroepen dezelfde instructies te geven. Ze mochten niet meer dan een bepaald aantal soldaten tegelijk Caemlin in sturen, en ze mochten niet binnen een roede afstand van de stad hun kamp opslaan.

Dat moest de hoop bij hen wekken dat Elayne uiteindelijk met hen zou overleggen en hun werk zou aanbieden. En dat deed ze misschien ook wel, nu ze had besloten de Zonnetroon in te nemen. Al waren de laatste huurlingen die ze in de arm had genomen vaker wel overgelopen dan niet.

Tegen beter weten in pakte ze de beker melk en nam een slok. Birgitte knikte tevreden, maar Elayne trok een vies gezicht. Ze kon nog beter dorst houden!

‘Nou,’ zei meester Norrij, kijkend naar het document in zijn hand, ‘een van de huurlingkapiteins heeft het op zich genomen om u een erg... vrijpostige brief te schrijven. Ik zou hem niet eens bij u hebben gebracht, maar bij tweede lezing leek het me toch iets wat u zou moeten zien. Die schurk beweert buitenissige dingen, maar ik zou niet degene willen zijn die ze had genegeerd, mochten ze... eh... blijken te kloppen.’