Выбрать главу

Elayne hield van hem. Maar ze was niet van zins doelloos toe te kijken als Andor alleen maar weer een deel werd van het rijk van de Draak. Bovendien, als Rhand inderdaad stierf bij Shayol Ghul, wie moest dat rijk dan besturen? Het kon uiteenvallen, maar ze was bang dat iemand – Darlin, misschien – sterk genoeg zou zijn om het bijeen te houden. Zo ja, dan zou Andor alleen staan tussen een agressief Seanchaans rijk in het zuidwesten, Rhands opvolger in het noord-, westen en zuidoosten en de verenigde Grenslanders in het noorden cn noordoosten.

Dat kon ze niet laten gebeuren. De vrouw in haar kromp ineen bij de gedachte om voorbereidingen te treffen voor als Rhand overleed, maar de koningin kon niet zo teergevoelig zijn. De wereld veranderde.

‘Ik besef dat het moeilijk zal zijn om twee naties te besturen,’ zei Elayne. ‘Maar ik móét Cairhien in handen krijgen. Voor de bestwil van beide tronen.’

Ze draaide zich om en keek Dyelin in de ogen, en de oudere vrouw knikte langzaam. ‘Het schijnt dat je vastberaden bent.’

‘Dat ben ik ook,’ zei Elayne. ‘Maar ik denk dat ik een betrouwbaar gebruik van het Reizen nodig zal hebben als ik het wil redden. Ik moet overleggen met Sumeko en Alise. We moeten de toekomst van de Kinne bespreken.’

12

Een lege inktpot

Min zat in een raamkozijn in de Steen van Tyr, genietend van de warmte.

De middagbries was verfrissend, hoe beladen hij ook was met vocht en de geuren van de stad beneden. De Tyreners noemden dit weer ‘frisjes’, en daar moest Min om lachen. Hoe zouden die mensen reageren op een stevige Andoraanse winter, met sneeuw in hopen tegen de gebouwen en ijspegels aan de daklijsten? Het enige wat je de laatste tijd over het weer kon zeggen, was dat het minder drukkend was dan gebruikelijk. De warmte waar Min van genoot, had echter niets te maken met de buitentemperatuur. Er scheen zonlicht op de stad. Op de pleinen bij de Steen bleven Verdedigers met hun gestreepte mouwen en broeken steeds stilstaan om naar de heldere hemel te kijken. De wolken hingen nog altijd aan de horizon, maar ze waren in een onnatuurlijk gevormde ring rondom de stad gebroken. Volkomen rond.

De warmte die Min voelde, werd niet veroorzaakt door het zonlicht. ‘Hoe kun je daar gewoon maar zitten?’ wilde Nynaeve weten. Min draaide haar hoofd om. Het raam stond wijd open, en de muren van de Steen waren dik. Min zat op de vensterbank, met opgetrokken knieën en haar blote voeten tegen de muur aan de andere kant. Haar laarzen en kousen lagen op de vloer, naast een stapel boeken.

Nynaeve ijsbeerde door de kamer. De Steen van Tyr had belegeringen en stormen, oorlogen en ontvolking doorstaan, maar Min vroeg zich af of het ooit iets had overleefd als Nynaeve Almaeren die verbolgen was. De donkerharige Aes Sedai zweefde al drie dagen als een donkere donderwolk door de gangen, denderde langs Verdedigers en joeg dienaren de stuipen op het lijf.

‘Drie dagen,’ zei Nynaeve. ‘Drie dagen is hij al weg! De Laatste Slag nadert, en de Herrezen Draak wordt vermist.’

‘Hij wordt niet vermist,’ zei Min zachtjes. ‘Rhand weet waar hij is.’

‘Jij ook,’ zei Nynaeve afgemeten.

‘Ik leid je niet naar hem toe, Nynaeve.’

‘Waarom niet? Je kunt toch niet...’

‘Hij heeft afzondering nodig.’

Nynaeve brak haar zin af. Ze liep naar een hoektafeltje en schonk zichzelf een kom gekoelde zwarte Tremalkin in. Gekoelde thee. Dat was zo vreemd. Thee diende om je te verwarmen op koude dagen. Min richtte haar blik weer naar het noorden, naar dat verre, in wolken gesmoorde waas. Voor zover ze via de binding kon bepalen, keek ze recht zijn kant op. Was hij misschien in Andor? Of in de Grenslanden? Ze was aanvankelijk in de verleiding gekomen om hem via de binding op te zoeken, toen ze die vreselijke smart had gevoeld. Een pijn die dieper ging dan de wonden in zijn zij. Pijn, woede en wanhoop. In die ogenblikken had Rhand gevaarlijker geleken dan ooit tevoren. Zelfs die avond – toen hij zich over haar heen had gebogen en haar met één hand had gewurgd – was hij niet zo angstaanjagend geweest.

En toen...

Ze glimlachte. En toen was de warmte gekomen. Het straalde door de binding als een aangenaam haardvuur in de winter. Er gebeurde iets prachtigs, iets waar ze zonder het te weten op had gewacht. ‘Het komt wel goed, Nynaeve,’ zei ze.

‘Hoe kun je dat nou zeggen?’ De vrouw nam een slok thee. ‘Hij heeft Ebo Dar niet verwoest, maar dat betekent nog niet dat hij niet gevaarlijk is. Je hebt gehoord wat hij Tam bijna aandeed. Zijn eigen vader, Min.’

‘Een man moet niet worden veroordeeld om wat hij “bijna” heeft gedaan, Nynaeve. Hij heeft zich ingehouden.’

‘Hij heeft zich niet ingehouden bij Natrins Terp.’

‘Dat was noodzakelijk.’

‘Dat vond je destijds ook niet.’

Min haalde diep adem. Nynaeve probeerde haar de laatste tijd tot ruzies uit te lokken; ze had ook beslist goede redenen om gespannen te zijn. Haar man reed zijn dood tegemoet. De Herrezen Draak – een man die ze als haar beschermeling zag, nog steeds – zwierf in zijn eentje rond, en Nynaeve kon helemaal niets doen. En als er één ding was wat Nynaeve echt verschrikkelijk vond, dan was het machteloosheid.

‘Nynaeve,’ zei Min, ‘als dit nog veel langer duurt, dan leid ik je naar hem toe. Dat beloof ik.’

De Aes Sedai kneep haar ogen tot spleetjes. ‘“Veel” langer?’

‘Een paar dagen.’

‘In een paar dagen tijd kan hij Cairhien met de grond gelijkmaken.’

‘Denk je nu echt dat hij dat zou doen, Nynaeve?’ vroeg Min zachtjes. ‘Echt?’

‘Denk ik dat?’ Nynaeve pakte haar thee en staarde erin. ‘Ooit zou ik om die gedachte gelachen hebben. Ik kende Rhand Altor, en die jongen zit nog steeds binnen in hem. De man die hij is geworden, maakt me bang. Ik zei altijd tegen hem dat hij eens volwassen moest worden. En toen... en toen deed hij dat.’ Ze huiverde zichtbaar. Min wilde antwoorden, maar een beweging trok haar aandacht. Twee Speervrouwen – Surial en Lerian – stonden op wacht bij de open deur; ze hadden zich omgedraaid omdat er iemand naderde. Er waren tegenwoordig altijd Speervrouwen om Min heen. Even later kwam Sarene Nemdahl de kleine kamer binnen. Mins vertrekken in de Steen waren niet uitgebreid; ze gebruikte ze nauwelijks en verbleef in plaats daarvan bij Rhand. Haar zitkamer was voorzien van een dik blauw met wit tapijt en een kleine kersenhouten schrijftafel, maar verder niets.

Sarene droeg haar donkere haar in de gebruikelijke vlechten met kralen die haar bijna volmaakte gezicht omlijstten. ‘Cadsuane Sedai,’ zei Sarene, ‘ze heeft je nodig.’

‘O ja?’ vroeg Nynaeve. ‘Nou, misschien moet Cadsuane Sedai maar eens...’

‘Alanna is weg,’ vervolgde Sarene onverstoorbaar. ‘Verdwenen uit haar kamers. De Verdedigers, die hebben haar niet zien weggaan, en er was geen spoor van een Poort.’

‘O. Nou, laten we dan maar gaan.’ Nynaeve draafde de kamer uit.

‘En ik zeg je dat ik niets heb gevoeld,’ zei Corele. Ze glimlachte en tikte tegen de zijkant van haar neus. ‘Ik weet niet hoe ze weg is gekomen. Behalve als jij denkt dat ze op een of andere manier het vliegen heeft uitgevonden; wat me trouwens niet eens zo onredelijk lijkt, als je nagaat wat er de laatste tijd allemaal gebeurt.’ Dom mens, dacht Cadsuane, die een vlakke blik op Corele richtte.

De spotternij van de vrouw was beter dan de zelfingenomenheid van sommige andere Aes Sedai, maar vandaag had Cadsuane er het geduld niet voor.

De Gele zuster haalde haar schouders op, nog steeds glimlachend, maar meer zei ze niet. Cadsuane zette haar handen in haar zij en bekeek de kleine kamer. Ruimte voor een kledingkist, een brits om op te slapen en een schrijftafel. Cadsuane had verwacht dat een Aes Sedai meer zou eisen, zelfs in Tyr. Al liep Alanna natuurlijk niet te koop met haar nauwe betrekkingen met de Draak. De meesten wisten er niets van.

Twee andere Aes Sedai – Rafela Cindal en Bera Harkin – stonden aan de zijkant van de kamer. Bera had gezegd dat ze Alanna had voelen geleiden, maar het was niets ingewikkelds geweest. Zeker niet voldoende om een Poort te maken.