Выбрать главу

Die vrouw mocht branden! Cadsuane had gedacht dat Alanna stevig onder de duim zat, ondanks haar koppigheid van de laatste tijd. Ze was overduidelijk met opzet weggeglipt. De kleding was verdwenen uit de kist en de schrijftafel was grotendeels leeg. Er stond alleen nog een lege inktpot.

‘Heeft ze niets tegen je gezegd?’ vroeg Cadsuane. ‘Nee, Cadsuane Sedai,’ antwoordde Bera. ‘We hebben elkaar al weken niet meer echt gesproken. Ik... nou, ik heb haar wel vaak horen huilen in haar kamer.’

‘Wat is hier allemaal aan de hand?’ vroeg een nieuwe stem. Cadsuane keek naar de deur toen Nynaeve binnenkwam en Cadsuane in de ogen keek. ‘Het is maar één vrouw, en voor zover ik heb begrepen, was ze vrij om te vertrekken wanneer ze wilde.’

‘Poeh,’ zei Cadsuane. ‘Dat meisje is niet “maar één vrouw”. Ze is een hulpmiddel. Een belangrijk hulpmiddel.’ Ze stapte naar de tafel en stak een vel papier omhoog dat ze in de kamer hadden gevonden. Het was opgevouwen en verzegeld met een klodder bloedrode was. ‘Herken je dit?’

Nynaeve fronste haar voorhoofd. ‘Nee. Moet dat?’ Leugen of waarheid? Cadsuane vond het vreselijk om niet te kunnen vertrouwen op de woorden van iemand die zich een Aes Sedai noemde. Maar Nynaeve Almaeren had nog nooit de Eedstaf vastgehouden.

Die ogen keken oprecht verwonderd. Nynaeve zóu te vertrouwen moeten zijn; ze ging prat op haar eerlijkheid. Behalve als dat een dekmantel was. Behalve als ze een Zwarte was.

Voorzichtig, dacht ze. Straks word je nog net zo wantrouwig als die jongen. Nynaeve had Alanna dat briefje niet gegeven, en dat maakte een einde aan haar laatste goede theorie over de afkomst ervan. ‘Nou, wat is het, Cadsuane Sedai?’ wilde Nynaeve weten. Ze gebruikte nu in ieder geval de beleefdheidsvorm; Cadsuane berispte dat meisje bijna om haar toon. Maar eerlijk gezegd was ze net zo gefrustreerd als Nynaeve. Er waren tijden waarin dat soort gevoelens gerechtvaardigd waren. Het naderen van het einde van de wereld terwijl de Herrezen Draak volkomen onbestuurbaar was, was er één van.

‘Ik weet het niet,’ zei Cadsuane. ‘Het omslag is haastig geopend; het papier was gescheurd. Het is op de vloer gegooid, en het briefje dat erin zat is meegenomen, samen met kleding en wat noodartikelen.’

‘Maar waarom maakt het uit?’ vroeg Nynaeve. Achter haar glipte Min de kamer in, en twee Speervrouwen vatten post bij de deur. Was Min al achter de echte reden waarom de Aiel haar overal volgden? ‘Omdat, Nynaeve,’ zei Min, ‘ze een pad naar hém is.’ Nynaeve snoof. ‘Ze is al net zo hulpvaardig als jij, Min.’

‘Hoe overredend je ook kunt zijn, Nynaeve,’ zei Cadsuane droogjes, ‘de Schaduw heeft middelen om mensen mededeelzamer te maken.’ Nynaeve bloosde vurig en begon binnensmonds te mompelen. Alanna kon de weg wijzen naar de Herrezen Draak. Als agenten van de Duistere haar in handen hadden, dan viel Rhand niet meer voor hen te verbergen. Hun valstrikken waren al dodelijk genoeg geweest toen ze hem ernaartoe hadden moeten lokken.

‘We zijn stom geweest,’ zei Nynaeve. ‘Ze had bewaakt moeten worden door honderd Speervrouwen.’

‘De Verzakers hebben al eens eerder geweten waar ze hem konden vinden,’ zei Cadsuane, hoewel ze het stiekem met Nynaeve eens was. Ze had er inderdaad voor moeten zorgen dat Alanna beter werd bewaakt. ‘En dat heeft hij overleefd. Dit is gewoon nog weer iets waar we ons van bewust moeten zijn.’ Ze zuchtte. ‘Kan iemand ons wat thee brengen?’

Bera was degene die het ging halen, hoewel Cadsuane geen moeite had gedaan om invloed op die vrouw te krijgen. Nou ja, een indrukwekkende naam was ook iets waard, kennelijk. Bera keerde snel terug; Cadsuane was de gang in gestapt om na te denken. Ze nam de kom thee aan en bereidde zich voor op een bittere smaak. Ze had deels om thee gevraagd omdat ze even tijd nodig had om na te denken, en een vrouw met lege handen zag er vaak zenuwachtig uit.

Ze zette de kom aan haar lippen. Wat nu? De Verdedigers bij de poort van de Steen ondervragen? Gisteravond had Alanna – na wat aandringen – bevestigd dat Altor nog steeds op dezelfde plek was. In het noorden, misschien in Andor. Al drie dagen. Wat deed dat domme joch...

Cadsuane verstijfde. De thee smaakte lekker.

Hij was zelfs heerlijk. Volmaakt gezoet met honing. Een lichte bitterheid en een ontspannende smaak. Het was al weken geleden, misschien wel maanden, dat Cadsuane thee had geproefd die niet bedorven was.

Min slaakte een kreetje en wendde zich scherp naar het noordelijke deel van de stad. De twee Speervrouwen in de deuropening waren binnen een oogwenk verdwenen, wegrennend door de gang. Cadsuanes vermoedens waren bevestigd: hun zorgvuldig waken over Min was niet zozeer voor haar bescherming geweest als wel om uit te kijken naar tekenen van... ‘Hij is terug,’ zei Min zachtjes.

13

Voor wat er vervaardigd is

Min stormde de poort in de Drakenmuur aan de oostkant van de Steen uit en rende het plein over. Het leek wel alsof er een hele stam van Aiel achter haar aan holde, zich verspreidend rondom Min als herten die om een eik heen galoppeerden. Ze zochten zich een weg tussen geschrokken Verdedigers en verzorgers door en bewogen zich lenig en snel naar de muur. Het stak Min hoe eenvoudig ze haar achter zich lieten; jaren geleden was ze er trots op geweest dat ze elke jongen die ze kende kon verslaan in een eerlijke hardloopwedstrijd. Nu... nou, misschien had ze te veel maanden alleen maar met haar neus in de boeken gezeten. Ze bleef nog wel de Aes Sedai voor, die werden belemmerd door hun behoefte om de gepaste welvoeglijkheid in acht te nemen. Min had lang geleden alle gevoel voor welvoeglijkheid terzijde geschoven voor haar lange schaapherder. En dus rende ze, dankbaar voor haar broek en laarzen, snel naar de poort.

Daar stond hij. Ze kwam tot stilstand en keek door een rij Aiel in cadin’sor naar de man zelf, die met twee Verdedigers van de muur-wacht stond te praten. Hij keek naar haar toen ze naderde; hij voelde haar aankomen, net zoals zij hem voelde.

Rhand had ergens een lange, oude bruine mantel vandaan gehaald. De mantel had mouwen als een jas, hoewel hij los om zijn schouders hing. Eronder droeg Rhand een hemd en een mooie zwarte broek. Nu hij vlakbij was, leek de warmte die door de binding kwam overstelpend. Konden de anderen het niet zien? Ze wilde haar hand op-’ tillen en haar ogen afschermen, hoewel er niet echt iets te zien was. Het kwam alleen maar door de binding. Behalve... de lucht leek zich wel om hem heen te vervormen. Was dat een speling van het zonlicht? Nieuwe visioenen draaiden om zijn hoofd. Doorgaans negeerde ze die, maar dat kon ze nu niet. Een open grot, gapend als een mond. Met bloed besmeurde rotsen. Twee dode mannen op de grond, omringd door vele rijen Trolloks, en een pijp waar rook uit opkrulde.

Rhand ontmoette haar blik, en ondanks de binding stond ze versteld van wat ze daar zag. Die grijze ogen als edelstenen waren dieper geworden. Er lagen lichte rimpeltjes omheen. Waren die er eerder ook al geweest? Daar was hij toch te jong voor?

Maar die ogen zagen er niet jong uit. Min voelde even paniek toen zijn blik de hare vasthield. Was dit dezelfde man? Was de Rhand van wie zij hield haar ontstolen, vervangen door een oeroude kracht van een man die ze nooit zou kennen of begrijpen? Was ze hem alsnog kwijtgeraakt?

En toen glimlachte hij, en die ogen – hoe peilloos ze ook waren geworden – waren de zijne. Die glimlach was iets waar ze een heel lange tijd op had gewacht. Hij was nu veel zelfverzekerder dan de lach die hij haar had geschonken in hun begintijd samen, maar hij was nog steeds kwetsbaar. Hij liet haar een deel van Rhand zien dat voor anderen altijd ontoegankelijk was.

Dat deel was de jonge man, op een of andere manier nog steeds onschuldig. Ze rende naar hem toe en knelde hem in een omhelzing. ‘Jij wolkoppige stommeling! Drié dagen? Wat heb je drie dagen lang uitgevoerd?’

‘Bestaan, Min,’ zei hij, terwijl hij zijn armen om haar heen sloeg. ‘Ik was me er niet van bewust dat dat zo’n zware taak was.’