Выбрать главу

‘Dat is het voor mij af en toe wel geweest.’ Hij zweeg, en ze stelde zich er tevreden mee hem vast te houden. Ja, dit was nog dezelfde man. Veranderd – ten goede – maar nog steeds Rhand. Ze hield hem stevig vast. Het kon haar niet schelen dat er zich mensen verzamelden, steeds meer mensen. Laat ze maar kijken. Uiteindelijk blies ze haar adem uit en stapte met tegenzin achteruit. ‘Rhand, Alanna is weg. Ze is eerder vandaag verdwenen.’

‘Ja. Ik voelde haar gaan. Ergens naar het noorden. De Grenslanden, misschien Arafel.’

‘Ze zou tegen je kunnen worden gebruikt, om te achterhalen waar je bent.’

Hij glimlachte. Licht, wat was het fijn om die uitdrukking weer op zijn gezicht te zien! ‘De Schaduw heeft haar niet nodig om mij op te sporen, Min, en dat zal ook nooit meer zo zijn. Al zijn ogen zijn rechtstreeks op mij gericht, en dat blijft zo totdat ik ze blind maak.’

‘Wat? Maar Rhand...’

‘Het is al goed, Min. De tijd dat hij me stilletjes het zwijgen kon opleggen – en dus kon winnen – is voorbij. De confrontatie staat vast en de schreeuw die de lawine in gang zet, is geuit.’ Hij scheen te stralen van het leven. Het was bedwelmend opwindend. Hij liet zijn arm om haar heen liggen – de arm die eindigde in een stomp – terwijl hij zich omdraaide om naar de Aiel te kijken. ‘Ik heb toh.’ Hoewel het plein achter hen een chaos was, bleven de Aiel rustig staan.

Ze waren hierop voorbereid, dacht Min. De Aiel waren niet echt vijandig, maar ze deelden de opwinding van de Verdedigers ook niet. De Tyreners dachten dat Rhand was teruggekeerd om hen naar de Laatste Slag te leiden.

‘In de Woestenij komt een dier voor,’ zei Rhuarc, die naar voren stapte. ‘De meegerling. Hij lijkt veel op een rat, maar is veel dommer. Als je hem in de buurt van graan neerzet, gaat hij er recht op af, ongeacht het gevaar. Hoe vaak dat beest ook in een greppel tussen zichzelf en het voedsel valt, hij blijft het steeds opnieuw doen als je hem weer aan het begin terugzet. Aielkinderen vermaken zich met dat spelletje.’ Hij keek Rhand onderzoekend aan. ‘Ik had niet verwacht dat jij een meegerling was, Rhand Altor.’

‘Ik beloof dat ik jullie nooit meer zal verlaten,’ zei Rhand. ‘Niet uit vrije keus, en niet zonder Speervrouwen op de hoogte te stellen en -als ze toestemming geven – hen mee te nemen als wacht.’ De Aiel bond niet in. ‘Dit voorkomt dat je nog meer toh verdient,’ zei Rhuarc. ‘Het verandert echter niets aan wat er al is gebeurd. En beloften zijn al eerder gedaan.’

‘Dat is waar,’ zei Rhand, die Rhuarc in de ogen keek. ‘Dan zal ik mijn toh inlossen.’

Er werd iets tussen hen uitgewisseld, iets wat Min niet begreep, en de Aiel weken uiteen en zagen er meer ontspannen uit. Twintig Speervrouwen kwamen naar voren en vormden een wacht rondom Rhand. Rhuarc trok zich samen met de anderen terug en sloot zich aan bij een kleine groep Wijzen die vanaf de rand toekeek.

‘Rhand?’ vroeg Min.

‘Het komt wel goed,’ zei hij, hoewel zijn gevoelens nog een zweem van grimmigheid bevatten. ‘Dit was een van de dingen die ik moest herstellen. Een van de vele.’ Hij haalde zijn arm van haar schouders en keek om zich heen op het plein, met een aarzeling alsof hij ergens naar op zoek was. Wat het ook was, hij zag het niet, dus beende hij in de richting van koning Darlin, die net haastig was aangekomen. Koning Darlin maakte een buiging, met zijn hand op de knop van zijn smalle zwaard. ‘Heer Draak. Trekken we dan eindelijk ten strijde?’

‘Loop met me mee, Darlin,’ zei Rhand ten antwoord terwijl hij het plein overstak. ‘Er is veel te doen. Wie is er nog meer? Narishma, Flin. Uitstekend.’ Hij knikte naar de twee Asha’man in zwarte jassen die op een holletje aankwamen. ‘Je Aes Sedai? Ach, daar komen ze al. Nou, dat wordt het volgende. Kainea, zou jij zo vriendelijk willen zijn om een paar boodschappers voor me te roepen?’ Een van de Speervrouwen – een vrouw met opvallend donker haar voor een Aiel – rende weg om aan zijn verzoek te voldoen. Min fronste haar voorhoofd en liep met Rhand en Darlin mee, terwijl de twee Asha’man hen volgden.

Nynaeve en Merise leidden de groep Aes Sedai. Ze bleven staan toen ze Rhand zagen naderen, alsof ze hém degene wilden laten zijn die hén kwam ontmoeten. Ze gingen op een kluitje staan en plukten aan hun kleding, en ze oogden voor Aes Sedai behoorlijk onbehaaglijk. Rhand stak het drukke, open plein over, lopend in de schaduw van de torenhoge versterkingen van de Steen, en stapte naar hen toe. ‘Rhand Altor,’ zei Nynaeve, die haar armen over elkaar sloeg terwijl hij hen naderde. ‘Je bent...’

‘Een stommeling?’ voltooide Rhand, en hij klonk vermaakt. ‘Een hooghartige dwaas? Een impulsief, wolkoppig joch dat een flinke draai om zijn oren nodig heeft?’

‘Eh, ja.’

‘Allemaal waar, Nynaeve,’ zei hij. ‘Dat zie ik nu in. Misschien ben ik eindelijk wat wijzer geworden. Ik vind alleen wel dat je een paar nieuwe beledigingen nodig hebt. Die van jou zijn versleten als het kant van vorig jaar. Laat iemand Cadsuane gaan halen. Ik beloof haar niet terecht te stellen.’

De Aes Sedai leken geschokt door zijn norse toon, maar Min glimlachte. Zijn zelfvertrouwen was weer toegenomen sinds zijn confrontatie met de Aiel. Het was ontzettend tevredenstellend om te zien hoe hij de Aes Sedai ontwapende, hoe de tegenwerpingen en veroordelingen op hun lippen stierven. Merise stuurde een dienaar op pad om Cadsuane te halen.

‘Narishma,’ zei Rhand, die zich omdraaide. ‘Je moet voor me langsgaan bij dat Grenslanderleger dat naar me op zoek was. Ik neem aan dat ze nog steeds in Far Madding zitten. Vertel de leiders daar dat ik hun voorwaarden aanvaard en dat ik over een paar dagen naar hen toe kom.’

‘Heer Draak?’ vroeg Narishma. ‘Is dat wel verstandig, gezien de aard van die plek?’

‘Verstandig? Verstand is voor mensen die de bedoeling hebben om lang te leven, Narishma. Darlin, zorg dat de Hoogheren en Hoogvrouwes in een rij staan om me te ontvangen. Een van de boodschappers die zo komen kan die taak wel uitvoeren. En laat bekendmaken dat de Witte Toren is herenigd, en dat Egwene Alveren nu Amyrlin Zetel is.’

‘Wat?’ vroeg Merise. Enkele andere Aes Sedai slaakten kreten. ‘Rhand,’ waarschuwde Min. ‘Ik denk niet dat de Amyrlin ermee ingenomen zal zijn als je de nadruk legt op de scheiding.’

‘Daar zeg je wat,’ zei Rhand. ‘Darlin, schrijf een verklaring dat Egwene Alveren als Amyrlin de opvolgster is van Elaida a’Roihan. Dat zou voldoende moeten zijn, zonder te veel te onthullen. Het Licht weet dat ik niet nog méér kan gebruiken waardoor Egwene boos op me wordt...’

‘Nog meer?’ vroeg Corele, die verbleekte.

‘Ja,’ zei Rhand achteloos. ‘Ik ben al naar de Witte Toren geweest om haar te spreken.’

‘En ze hebben je laten gaan?’ vroeg Corele.

‘Ik liet ze geen andere keus. Darlin, wees zo vriendelijk om onze troepen hier te verzamelen. Ik wil dat ze vanavond klaarstaan. Flin, we zullen Poorten nodig hebben. Grote. Er is misschien een cirkel nodig.’

‘Tarwins Kloof?’ vroeg Nynaeve gretig.

Rhand keek haar aan en aarzelde. Min voelde zijn pijn – scherp, stekend, oprecht – toen hij antwoordde. ‘Nog niet, Nynaeve. Ik heb hete olie in de Witte Toren gegoten, en die zal snel aan de kook raken. Tijd. We hebben geen tijd! Ik zorg dat Lan hulp krijgt, dat zweer ik je, maar nu moet ik me voorbereiden op een confrontatie met Egwene.’

‘Een confrontatie?’ vroeg Nynaeve, die naar voren stapte. ‘Rhand, wat heb je gedaan?’

‘Wat gebeuren moest. Waar is Bashere?’

‘Hij was de stad uit met zijn mannen, heer Draak,’ zei Flin, ‘om hun paarden te oefenen. Hij zou snel terug moeten zijn.’

‘Mooi. Hij gaat met me mee naar Arad Doman. Jij ook, Nynaeve. Min.’ Hij keek haar aan, en die peilloos diepe ogen leken haar naar binnen te trekken. ‘Ik heb je nodig, Min.’

‘Je hebt me. Domme lomperik.’

‘Callandor,’ zei hij. ‘Het zwaard speelt hier een rol in. Jij moet uitzoeken hoe. Ik kan de Bres niet verzegelen op dezelfde manier die ik de vorige keer heb geprobeerd. Ik zie iets belangrijks over het hoofd. Zoek het voor me uit.’