‘Zal ik doen, Rhand.’ Er liep een koude rilling over haar rug. ‘Ik beloof het.’
‘Ik vertrouw je.’ Hij keek op toen een gestalte met een mantel voorzien van een diepe kap een van de vele wachtposten van de Steen uitliep.
‘Cadsuane Melaidhrin,’ zei Rhand toen ze voor hen stond, ‘Ik verleen je gratie voor gemaakte fouten en herroep je verbanning. Niet dat het voor jou ooit meer was dan een klein ongemak.’ Ze snoof en liet de kap zakken. ‘Als jij denkt dat zo’n mantel in deze hitte een “klein ongemak” is, jongen, dan heb je een lesje in contrasten nodig. Ik vertrouw erop dat je inziet dat je het mis had. En ik ben trouwens helemaal niet van mening dat ik “vergiffenis” of “gratie” nodig had.’
‘Nou,’ zei Rhand, ‘aanvaard dan alsjeblieft mijn verontschuldigingen samen met mijn gratie. Je zou kunnen zeggen dat ik de laatste tijd onder ongebruikelijke druk heb gestaan.’
‘Juist jij,’ zei Cadsuane streng, ‘kunt het je niet veroorloven om je door de druk van het leven te laten drijven.’
‘Integendeel. Ik ben wie ik ben vanwége die druk, Cadsuane. Je kunt metaal niet omvormen zonder klappen van een hamer. Maar dat doet er niet toe. Je hebt geprobeerd me naar je pijpen te laten dansen, en daarin heb je gefaald. Maar in dat falen heb je me iets laten zien.’
‘En dat is?’
‘Ik dacht dat ik werd omgesmeed tot een zwaard,’ zei Rhand, en zijn blik werd afwezig. ‘Maar ik had het mis. Ik ben geen wapen. Dat ben ik nooit geweest.’
‘Wat ben je dan?’ vroeg Min oprecht nieuwsgierig.
Hij glimlachte alleen maar. ‘Cadsuane Sedai, ik heb een taak voor je, als je die wilt aanvaarden.’
‘Dat hangt van de taak af, denk ik,’ zei ze, en ze sloeg haar armen over elkaar.
‘Je moet iemand voor me opzoeken. Iemand die vermist wordt, iemand van wie ik nu vermoed dat hij in handen is van goed bedoelende bondgenoten. Ik heb namelijk vernomen dat de Witte Toren Mattin Stepaneos in handen heeft.’ Cadsuane fronste haar voorhoofd. ‘Heb je hem nodig?’
‘Helemaal niet. Ik heb nog niet besloten wat ik met hem moet doen, dus hij mag nog een tijdje Egwenes probleem blijven. Nee, degene die ik zoek is waarschijnlijk ergens op de Caralainsteppe. Ik zal je meer vertellen als we van deze openbare plek weg zijn.’ De Hoogheren en Hoogvrouwes verzamelden zich. Rhand keek naar hen, hoewel hij opnieuw het plein af tuurde alsof hij iets zocht. Iets wat hem zorgen baarde.
Hij draaide zich weer om naar de edelen. Min keek sceptisch naar hen. Op Darlin na was ze nooit van hen onder de indruk geweest. Rhand legde zijn hand op haar schouder. De verzamelde edelen zagen er verfomfaaid uit. Ze waren kennelijk opgetrommeld van een dutje of een maaltijd, hoewel ze uitgedost waren in fijne zijde. Ze zagen er merkwaardig misplaatst uit op het plein van de Steen, waar alle anderen een doel hadden.
Ik zou niet zo streng voor ze moeten zijn, dacht Min, en ze sloeg haar armen over elkaar. Maar ze had ook gezien hoe hun gekonkel en gekoppel Rhand had gefrustreerd. Bovendien had ze nooit zoveel opgehad met mensen die zichzelf belangrijker vonden dan ieder ander.
‘Ga in een rij staan,’ zei Rhand terwijl hij naar hen toe liep. De Hoogheren en Hoogvrouwes keken hem verward aan. ‘Een rij,’ herhaalde Rhand luid en streng. ‘Nu.’ Ze gehoorzaamden en stelden zich haastig op. Rhand liep langs de rij, te beginnen bij Darlin, en keek iedere man en vrouw in de ogen. Rhands gevoelens waren... nieuwsgierig. Misschien een beetje boos. Wat deed hij?
Het werd stil op het plein. Rhand liep verder langs de rij, kijkend naar elk van de edelen, zonder iets te zeggen. Min keek opzij. Weiramon, bijna aan het eind van de rij, bleef maar steelse blikken op Rhand werpen. De lange man had dunnend grijs haar en zijn baard was met olie in een punt gedraaid.
Uiteindelijk kwam Rhand bij hem aan. ‘Kijk in mijn ogen, Weiramon,’ zei hij zacht.
‘Heer Draak, ik ben niet waardig genoeg om...’
‘Doe het.’
Weiramon scheen het er merkwaardig moeilijk mee te hebben. Het leek erop dat hij met zijn tanden knarste, en zijn ogen traanden. ‘Dus je bent het tóch,’ zei Rhand. Min voelde zijn teleurstelling. Rhand keek opzij, naar Anaiyella die als laatste in de rij stond. De knappe vrouw was bij Rhand weg gestapt en had haar hoofd afgewend. ‘Jullie allebei.’
‘Heer...’ begon Weiramon.
‘Ik wil dat je een boodschap aan de anderen van jullie... genootschap voor me overbrengt,’ zei Rhand. ‘Zeg maar dat ze zich niet langer onder mijn bondgenoten kunnen verbergen.’
Weiramon wilde tumult maken, maar Rhand zette een stap naar hem toe. Weiramons ogen werden groot, en Anaiyella slaakte een kreet en schermde haar gezicht af.
‘Zeg maar,’ vervolgde Rhand met een zachte maar veeleisende stem, ‘dat ik niet langer blind ben.’
‘Waarom...’ vroeg Anaiyella. ‘Waarom laat u ons gaan?’
‘Omdat vandaag een dag van hereniging is,’ zei Rhand. ‘Geen dag van sterven. Vertrek.’
De twee strompelden aangeslagen weg. De anderen op het plein keken verbaasd en verward toe. De Aiel, echter, begonnen met hun speren tegen hun schilden te slaan. Anaiyella en Weiramon bleven in de schaduwen van het plein tot ze de Steen in doken. ‘Leeh,’ zei Rhand. ‘Neem twee anderen mee. Hou een oogje op ze.’ Drie Speervrouwen maakten zich los van de groep die Rhand bewaakte en schoten achter de twee voormalige edelen aan. Min stapte naar Rhand toe en pakte zijn arm vast. ‘Rhand? Wat was dat? Wat heb je in hen gezien?’
‘De tijd van verbergen ligt achter ons, Min. De Schaduw heeft een gooi naar me gedaan en verloren. Het is een oorlog, geen voorwendsel, die nu de uitkomst bepaalt.’
‘Dus het zijn Duistervrienden?’ vroeg Min fronsend. Rhand draaide zich glimlachend naar haar om. ‘Ze zijn niet langer een dreiging. Ik...’ Hij brak plotseling zijn zin af en keek opzij. Min draaide zich om en kreeg het koud.
Tam Altor stond vlakbij. Hij was net uit een ingang van de Steen gekomen en stond nu boven aan een paar treden die naar het plein leidden. Rhands gevoelens werden weer ongerust, en Min besefte waar hij daarnet naar op zoek was geweest.
Tam keek naar zijn zoon en bleef stilstaan. Zijn haar was grijs en zijn gezicht gegroefd, maar hij was onwankelbaar op een manier die maar weinig mensen konden evenaren.
Rhand stak zijn hand op en de mensen – ook de Aes Sedai – weken uiteen. Rhand ging tussen hen door, met Min achter hem aan, en liep naar het trapje naar de Steen. Aarzelend beklom hij een paar treden. Het werd stil op het plein; zelfs de meeuwen staakten hun gekrijs.
Hij bleef op het trapje staan en Min voelde zijn aarzeling, zijn schande, zijn afgrijzen. Het leek zo vreemd. Rhand – die zonder te beven tegenover Verzakers had gestaan – was bang voor zijn vader. Rhand beklom de laatste paar treden in twee snelle stappen en klemde Tam in een omhelzing. Hij stond een tree lager, waardoor ze bijna even lang waren. In feite leek Tam in die houding bijna een reus, en Rhand slechts een kind dat zich aan hem vastklampte. Daar, in de armen van zijn vader, begon de Herrezen Draak te huilen.
De verzamelde Aes Sedai, Tyreners en Aiel keken ernstig toe. Niemand schuifelde met zijn voeten of wendde zich af. Rhand kneep zijn ogen dicht. ‘Het spijt me, vader,’ fluisterde hij. Min hoorde hem amper. ‘Het spijt me zo vreselijk.’
‘Het geeft niet, zoon. Het geeft niet.’
‘Ik heb zoveel verschrikkelijke dingen gedaan.’
‘Niemand kan een moeilijk pad bewandelen zonder af en toe te struikelen. Maar je val heeft je niet gebroken, en dat is het belangrijkste.’ Rhand knikte. Ze hielden elkaar nog een tijdje vast. Uiteindelijk stapte Rhand achteruit en gebaarde naar Min, die onder aan het trapje stond.
‘Vader,’ zei Rhand, ‘ik wil iemand aan je voorstellen.’ Tam grinnikte. ‘Ik ben hier al drie dagen, Rhand. Ik heb haar al ontmoet.’
‘Ja, maar ik heb jullie niet aan elkaar voorgesteld. Daar heb ik behoefte aan.’ Hij wenkte Min, en zij trok haar wenkbrauw op en sloeg haar armen over elkaar. Hij keek haar smekend aan, dus zuchtte ze en beklom de treden.