‘Vader,’ zei Rhand, met zijn hand op Mins rug. ‘Dit is Min Farsen. Ze is me heel dierbaar.’
14
Een eed
Egwene liep tegen een flauwe, met groen gras begroeide helling op. De lucht was aangenaam koel. Trage vlinders zweefden van bloem naar bloem, als nieuwsgierige kinderen die in kastjes gluurden. Egwene liet haar schoenen verdwijnen, zodat ze de grassprieten onder haar voeten kon voelen.
Ze haalde diep adem, glimlachte en keek toen naar de kolkende zwarte wolken. Kwaad, gewelddadig, geruisloos, ondanks flitsen van amethistkleurige bliksems. Een vreselijke storm boven, een rustige, vredige wei beneden. Een tweedeling van de Wereld der Dromen. Merkwaardig genoeg voelde Tel’aran’rhiod nu wat haar betrof onnatuurlijker dan tijdens haar eerste paar bezoeken met gebruikmaking van Verins ter’angreaal. Ze had deze plek gezien als een speelplaats, had in een gril haar kleding veranderd, aannemend dat ze veilig was. Ze had het niet begrepen. Tel’aran’rhiod was ongeveer net zo veilig als een berenval die in een mooie kleur was geschilderd. Als de Wijzen haar niet op het juiste pad hadden gezet, had ze het misschien niet overleefd en was ze nooit Amyrlin geworden. Ja, ik geloof dat dit het is, dacht ze. De glooiende groene heuvels, de groepjes bomen. Het was de eerste plek waar ze naartoe was gegaan, meer dan een jaar geleden. Het had iets betekenisvols om hier te staan, nu ze zo ver was gekomen. En toch leek het alsof ze nog een even grote afstand te overbruggen had voordat dit achter de rug zou zijn, en in veel kortere tijd.
Toen ze gevangenzat in de Toren, had ze zichzelf er – herhaaldelijk – aan herinnerd dat ze zich slechts op één probleem tegelijk kon richten. De hereniging van de Witte Toren moest op de eerste plaats komen. Nu leken zowel de problemen als de mogelijke oplossingen echter ontelbaar. Ze overstelpten haar, verdronken haar in alle dingen die ze zóu moeten doen.
Gelukkig waren er in de afgelopen paar dagen meerdere onverwachte graanvoorraden in de stad aangetroffen. In één geval een vergeten pakhuis, eigendom van een man die in de winter was overleden. De andere waren kleiner geweest: een paar zakken hier en daar. Opmerkelijk genoeg was op geen van die vindplaatsen enig spoor van verrotting aangetroffen.
Ze had twee ontmoetingen vanavond, gericht op andere problemen. Haar grootste zorg zou bestaan uit de gezichtspunten van de mensen met wie ze had afgesproken. Geen van beide groepen zou haar zien als wat ze was geworden.
Ze sloot haar ogen en verplaatste zichzelf met haar wilskracht. Toen ze haar ogen opende, stond ze in een grote ruimte met diepe schaduwen in de hoeken, waarin pilaren oprezen als dikke torens. Het Hart van de Steen van Tyr.
Twee Wijzen zaten op de vloer midden in de kamer, tussen een woud van pilaren. Ze droegen lichtbruine rokken en witte hemden, en hun gezichten waren opvallend verschillend. Dat van Bair was gerimpeld van ouderdom, als leer dat te drogen was gelegd in de zon. Hoewel ze af en toe streng kon zijn, waren er lachrimpeltjes rond haar ogen en mond te zien.
Amys’ gezicht was zijdezacht, een gevolg van haar vermogen tot geleiden. Haar gelaat was niet leeftijdloos, maar het was zo beheerst dat ze een Aes Sedai had kunnen zijn.
De twee droegen hun omslagdoeken om hun middel, en hun hemden waren open geknoopt. Egwene ging voor hen zitten, maar hield vast aan de natlanderkleding die ze droeg. Amys trok haar wenkbrauw op; vond ze dat Egwene zich had moeten omkleden? Of waardeerde ze het juist dat Egwene niet probeerde zich voor te doen als iets wat ze niet was? Het was moeilijk te bepalen. ‘De strijd binnen de Witte Toren is voorbij,’ meldde Egwene. ‘De vrouw Elaida a’Roihan?’ vroeg Amys.
‘Ontvoerd door de Seanchanen,’ antwoordde Egwene. ‘Ik ben door haar volgelingen aangesteld als de nieuwe Amyrlin. Mijn positie is verre van zeker. Soms heb ik het gevoel dat ik mijn evenwicht bewaar op een steen die boven op een andere steen ligt. Maar de Witte Toren is weer één geheel.’
Amys klakte zachtjes met haar tong. Ze hief haar hand en een gestreepte stola – een Amyrlinstola – verscheen erin. ‘Dan neem ik aan dat je deze zou moeten dragen.’
Egwene liet zachtjes, langzaam haar adem ontsnappen. Soms vond ze het opmerkelijk hoeveel waarde ze hechtte aan de mening van deze vrouwen. Ze nam de stola aan en legde hem om haar schouders. ‘Dit nieuws zal Sorilea niet bevallen,’ zei Bair hoofdschuddend. ‘Ze had nog steeds de hoop dat je die dwazen in de Witte Toren zou achterlaten en bij ons zou terugkeren.’
‘Pas alsjeblieft op,’ zei Egwene, die een kom thee voor zichzelf opriep. ‘Niet alleen ben ik een van die dwazen, mijn goede vriendin, ik ben zelfs hun leidster. Koningin van de dwazen, zou je kunnen zeggen.’
Bair aarzelde. ‘Ik heb toh.’
‘Niet voor het spreken van de waarheid,’ verzekerde Egwene haar. ‘Velen van hen zijn dwazen, maar zijn we niet allemaal wel eens dwaas? Jullie lieten me niet over aan mijn dwaasheid toen jullie me zwervend door Tel’aran’rhiod aantroffen. Ik kan de vrouwen in de Witte Toren net zomin in de steek laten.’
Amys’ kneep haar ogen samen. ‘Je bent veel gegroeid sinds onze vorige ontmoeting, Egwene Alveren.’
Dat verheugde Egwene. ‘Ik moest ook veel groeien. Mijn leven is de laatste tijd zwaar.’
‘Als er een dak instort,’ zei Bair, ‘zullen sommige mensen beginnen met het wegslepen van de brokstukken en tijdens het werk sterker worden. Anderen gaan op bezoek bij de veste van hun broer en drinken zijn water.’
‘Hebben jullie Rhand de laatste tijd nog gezien?’ vroeg Egwene. ‘De Car’a’carn heeft de dood omhelsd,’ zei Amys. ‘Hij heeft zijn pogingen om zo sterk als de stenen te zijn opgegeven, en heeft in plaats daarvan de kracht van de wind verworven.’
Bair knikte. ‘We zullen bijna moeten ophouden hem een kind te noemen.’ Ze glimlachte. ‘Bijna.’
Egwene liet niet merken hoe geschokt ze was. Ze had verwacht dat de vrouwen boos op Rhand zouden zijn. ‘Ik wil dat je weet hoeveel eerbied ik voor jullie heb. Jullie hebben veel eer, vanwege hoe jullie me hebben opgenomen. Ik geloof dat ik alleen maar verder kan kijken dan mijn zusters omdat jullie me hebben geleerd te lopen met een rechte rug en een opgeheven hoofd.’
‘Het was eenvoudig,’ zei Amys overduidelijk ingenomen. ‘Iets wat elke vrouw zou hebben gedaan.’
‘Er zijn maar weinig genoegens die zoveel voldoening geven als een snoer overnemen dat door iemand anders is geknoopt,’ zei Bair, ‘en het dan weer recht te maken. Maar als het snoer niet van goed materiaal is gemaakt, dan zal geen enkele mate van ontwarren het redden. Jij gaf ons uitstekend materiaal, Egwene Alveren.’
‘Ik wou dat het mogelijk was,’ zei Egwene, ‘om meer zusters op te leiden in de gebruiken van de Wijzen.’
‘Je zou ze naar ons toe kunnen sturen,’ antwoordde Amys. ‘Vooral als ze straf nodig hebben. Wij zouden ze niet zo in de watten leggen als de vrouwen in de Witte Toren.’
Egwenes stekels kwamen overeind. De afranselingen die ze had ondergaan, daarmee was ze ‘in de watten gelegd’? Dat was echter een strijd die ze niet wilde aangaan. De Aiel zouden de gebruiken van natlanders altijd beschouwen als zacht, en aan dat standpunt viel niet te tornen.
‘Ik betwijfel of de zusters daarmee zouden instemmen,’ zei Egwene behoedzaam. ‘Maar wat wel zou kunnen werken, is als we jonge vrouwen – die nog in opleiding zijn – bij jullie laten onderwijzen. Dat was deels waarom mijn opleiding zo effectief was; ik zat nog niet vastgeroest in de gewoonten van de Aes Sedai.’
‘Zouden ze daarmee instemmen?’ vroeg Bair.
‘Mogelijk,’ zei Egwene. ‘Als we Aanvaarden sturen. Novices zouden ze beschouwen als te onervaren, en zusters als te waardig. Maar Aanvaarden... misschien. Er zou wel een goede reden voor moeten zijn, die van nut lijkt te zijn voor de Witte Toren.’
‘Jij kunt ze gewoon opdragen om te gaan,’ zei Bair, ‘en dan moeten ze maar gehoorzamen. Heb jij van hen allen niet de meeste eer? Moeten ze niet naar je raadgevingen luisteren als die wijs zijn?’