Выбрать главу

‘Doet de stam altijd wat een stamhoofd wil?’ vroeg Egwene. ‘Natuurlijk niet,’ antwoordde Amys. ‘Maar natlanders zijn altijd bezig met stroopsmeren bij koningen en heren. Ze schijnen het prettig te vinden als hun wordt gezegd wat ze moeten doen. Het geeft ze een veilig gevoel.’

‘Aes Sedai zijn anders,’ zei Egwene.

‘De Aes Sedai blijven er maar op zinspelen dat we allemaal onderwijs zouden moeten volgen in de Witte Toren,’ zei Amys. Haar toon gaf aan wat ze daarvan vond. ‘Ze dreunen maar door, lawaaiig als een blinde sjippavogel die niet weet of het dag of nacht is. Ze moeten inzien dat we dat nooit zullen doen. Zeg maar dat je vrouwen naar ons toe stuurt om onze gebruiken te leren kennen, zodat we elkaar beter kunnen begrijpen. Het is niet meer dan de waarheid; ze hoeven niet te weten dat je ook verwacht dat ze door die ervaring sterker zullen worden.’

‘Dat zou kunnen lukken.’ Egwene was blij; dit was bijna helemaal datgene wat ze uiteindelijk hoopte te bereiken. ‘Dit is een onderwerp om te overdenken op eenvoudiger dagen,’ vond Bair. ‘Ik bespeur dat je met grotere problemen zit, Egwene Alveren.’

‘Er is ook een groter probleem,’ zei ze. ‘Rhand Altor. Heeft hij jullie verteld wat hij heeft verklaard tijdens zijn bezoek aan de Witte Toren?’

‘Hij zei dat hij je boos had gemaakt,’ antwoordde Amys. ‘Ik vind zijn gedrag vreemd. Hij gaat bij jou op bezoek, na al zijn getier over hoe de Aes Sedai hem in een kist hadden opgesloten?’

‘Hij was... anders toen hij hier kwam,’ zei Egwene.

‘Hij heeft de dood omhelsd,’ herhaalde Bair knikkend. ‘Hij is echt de Car’a’carn aan het worden.’

‘Hij sprak krachtig,’ zei Egwene, ‘maar zijn woorden duidden op waanzin. Hij zegt dat hij de zegels op de kerker van de Duistere wil verbreken.’

Amys en Bair verstijfden allebei. ‘Weet je dat zeker?’ vroeg Bair.

‘Ja.’

‘Dit is verontrustend nieuws,’ zei Amys. ‘We zullen er met hem over praten. Dank je dat je dit onder onze aandacht brengt.’

‘Ik wil mensen verzamelen die zich tegen hem verzetten.’ Egwene ontspande zich. Tot dat ogenblik had ze niet zeker geweten welke kant de Wijzen op zouden gaan. ‘Misschien luistert Rhand naar rede als er genoeg stemmen aanwezig zijn.’

‘Hij staat niet bekend om zijn bereidheid te luisteren naar rede,’ zei Amys zuchtend, en ze stond op. Egwene en Bair volgden haar voorbeeld. Meteen waren de hemden van de Wijzen gesloten. ‘De tijd dat de Witte Toren de Wijzen kon negeren, ligt ver achter ons,’ zei Egwene, ‘of dat de Wijzen de Aes Sedai konden negeren. We moeten samenwerken. Hand in hand, als zusters.’

‘Zolang het maar niet een of andere door de zon verblinde belachelijke gedachte is over dat de Wijzen een opleiding moeten volgen in de Toren,’ zei Bair. Ze glimlachte om te laten zien dat het een grapje was, maar slaagde er enkel in haar tanden te ontbloten. Egwene glimlachte. Ze wilde inderdaad dat de Wijzen een opleiding volgden in de Toren. Er waren vele methoden van geleiden waarin de Aes Sedai beter waren dan de Wijzen. Aan de andere kant waren de Wijzen beter in samenwerken en – moest Egwene schoorvoetend toegeven – in leiding geven.

De twee groepen konden veel van elkaar leren. Ze zou er iets op moeten verzinnen om de twee met elkaar te verbinden. Hoe dan ook. Ze nam hartelijk afscheid van de twee Wijzen en keek toe terwijl ze uit Tel’aran’rhiod vervaagden. Was hun raad alleen maar voldoende om Rhand van zijn waanzinnige voornemen af te brengen. Maar dat was onwaarschijnlijk.

Egwene haalde adem. Een tel later stond ze in de Zaal van de Toren, met haar voeten op de Vlam van Tar Valon die op de vloer was geschilderd. Zeven spiralen van kleur draaiden bij haar weg, uitstralend naar de buitenzijde van de kamer met de koepelvormige zoldering. Nynaeve was er niet. Egwene perste haar lippen opeen. Die vrouw! Egwene kon de Witte Toren op de knieën dwingen, een onwankelbaar lid van de Rode Ajah aan haar zijde scharen en eerbied verwerven van de taaiste Wijzen. Maar het Licht sta haar bij als ze de trouw van haar vrienden nodig had! Rhand, Gawein, Nynaeve; allemaal op hun eigen manier om woest van te worden.

Ze sloeg haar armen over elkaar en wachtte. Misschien kwam Nynaeve nog. Zo niet, dan zou het niet de eerste keer zijn dat ze Egwene had teleurgesteld. Een reusachtig roosvenster domineerde de muur achter de Amyrlin Zetel. De Vlam in het midden fonkelde alsof er zonlicht achter scheen, hoewel Egwene wist dat die kolkende zwarte wolken de gehele hemel in de Wereld der Dromen bedekten. Ze wendde zich af van het raam, maar verstijfde halverwege. Daar, in het glas onder de Vlam van Tar Valon, zat een groot stuk in de vorm van de Drakentand. Dat maakte geen deel uit van het echte venster. Egwene stapte naar voren en bekeek het glas. Er is nog een derde constante naast de Schepper en de Duistere, zei Verins nauwgezette stem; een herinnering uit een andere tijd. Er is een wereld die binnen elk van die andere ligt, binnen allemaal tegelijk. Of misschien eromheen. Schrijvers in de Eeuw der Legenden noemden die wereld Tel’aran’rhiod.

Vertegenwoordigde dit venster een van die werelden, een wereld waarin Draak en Amyrlin zij aan zij over Tar Valon heersten? ‘Dat is een mooi raam,’ zei een stem achter haar. Egwene schrok en draaide zich om. Nynaeve stond daar, gekleed in een helgeel gewaad dat langs het hoge lijfje en langs de rok met groen was afgezet. Ze droeg een rode stip midden op haar voorhoofd en de gebruikelijke vlecht in haar haren.

Egwene was ontzettend opgelucht. Eindelijk! Het was maanden geleden dat ze Nynaeve voor het laatst had gezien. Vanbinnen vloekend omdat ze zich had laten verrassen, trok ze haar gezicht in de plooi en omhelsde de Bron, waarna ze Geest weefde. Een paar omgekeerde wevingen konden voorkomen dat ze nog eens werd verrast. Elayne zou als het goed was straks ook nog komen. ‘Ik heb dit patroon niet gekozen,’ zei Egwene, omkijkend naar het roosvenster. ‘Dit is de interpretatie van Tel’aran’rhiod.’

‘Maar het venster zelf bestaat echt?’ vroeg Nynaeve. ‘Helaas,’ zei Egwene. ‘Een van de gaten die de Seanchanen maakten toen ze aanvielen.’

‘Hebben ze aangevallen?’ vroeg Nynaeve.

‘Ja,’ zei Egwene. En dat had je geweten als je ooit eens reageerde op mijn oproepen, dacht ze erachteraan.

Nynaeve sloeg haar armen over elkaar en de twee keken elkaar van weerskanten van de kamer aan, met de Vlam van Tar Valon op de vloer midden tussen hen in. Dit zou Egwene heel voorzichtig moeten aanpakken; Nynaeve kon stekelig zijn als de ergste doornstruik. ‘Nou,’ zei Nynaeve, en ze klonk beslist slecht op haar gemak, ‘ik weet dat je het druk hebt, en het Licht weet dat ik ook meer dan genoeg te doen heb. Vertel maar wat je vindt dat ik moet weten, dan vertrek ik weer.’

‘Nynaeve,’ zei Egwene, ‘ik heb je niet alleen hier naartoe laten komen om je nieuws te brengen.’

Nynaeve pakte haar vlecht vast. Ze wist dat ze een berisping verdiende om hoe ze Egwene had ontlopen. ‘Eigenlijk,’ vervolgde Egwene, ‘wilde ik je raad vragen.’ Nynaeve knipperde verbaasd met haar ogen. ‘Waarover?’

‘Nou,’ zei Egwene, die over de Vlam liep, ‘jij bent een van de weinige mensen van wie ik weet dat ze in een situatie heeft gezeten die lijkt op de mijne.’

‘Als Amyrlin?’ vroeg Nynaeve vlak.

‘Als leidster,’ antwoordde Egwene, die langs Nynaeve liep en haar mee wenkte, ‘van wie iedereen vindt dat ze te jong is. Die haar positie heel plotseling heeft verkregen. Die weet dat zij de juiste vrouw is voor de taak, maar die slechts schoorvoetend wordt aanvaard door de meeste anderen om haar heen.’

‘Ja,’ zei Nynaeve terwijl ze met Egwene meeliep en een afwezige blik in haar ogen kreeg. ‘Je zou kunnen zeggen dat ik wel iets van die situatie herken.’

‘Hoe ben jij ermee omgegaan?’ vroeg Egwene. ‘Het lijkt wel alsof ik alles waarvan ik wil dat het gebeurt zelf moet doen; als ik het niet doe, dan negeren ze me zodra ik uit het zicht verdwenen ben. Velen nemen aan dat ik bevelen geef alleen om van me te laten horen, of ze zijn verontwaardigd omdat mijn positie hoger is dan die van hen.’