Выбрать главу

‘Hoe ik daarmee omging toen ik Wijsheid was?’ vroeg Nynaeve. ‘Egwene, ik weet niet eens of ik dat wel gedaan heb. Ik had regelmatig moeite om Jon Tan geen oorvijg te geven, en dan begin ik nog maar niet eens over Cen!’

‘Maar uiteindelijk eerbiedigden ze je.’

‘Het was een kwestie van zorgen dat ze mijn status niet vergaten. Ze mochten me niet blijven zien als een jong meisje. Vestig snel je gezag. Wees streng voor de vrouwen in de Toren, Egwene, want aanvankelijk zullen ze uitproberen hoe ver ze bij je kunnen gaan. En als je je eenmaal een handbreedte door hen hebt laten dwingen, dan moet je door keiharde winterstroop waden om terug te krijgen wat je verloren hebt.’

‘Dat begrijp ik,’ zei Egwene.

‘En verzin geen onzinnige taken voor ze,’ vervolgde Nynaeve. Ze liepen de Zaal van de Toren uit en wandelden door de gangen. ‘Laat ze eraan gewend raken dat je bevelen geeft, maar zorg dat het goede bevelen zijn. Zorg dat ze je niet omzeilen. Ik vermoed dat het voor hen gemakkelijker is om de Gezetenen of de oversten van de Ajahs te benaderen dan jou. De vrouwen in Emondsveld begonnen ook naar de Vrouwenkring te gaan in plaats van naar mij. Als je ontdekt dat de Gezetenen beslissingen nemen die voor de gehele Zaal hadden moeten worden gebracht, dan moet je daar flink stampij over maken, geloof me. Ze zullen wel zeuren dat je te veel toestanden maakt over kleinigheden, maar ze zullen zich de volgende keer wel twee keer bedenken voordat ze iets belangrijks doen zonder dat jij ervan afweet.’

Egwene knikte. Dat was goede raad, hoewel het – natuurlijk – gekleurd was door hoe Nynaeve de wereld zag. ‘Het grootste probleem is volgens mij,’ zei Egwene, ‘dat ik zo weinig echte aanhangers heb.’

‘Je hebt mij. En Elayne.’

‘O ja?’ vroeg Egwene. Ze bleef in de gang staan en keek Nynaeve aan. ‘Heb ik jou echt, Nynaeve?’

De voormalige Wijsheid bleef naast haar staan. ‘Natuurlijk heb je mij. Doe niet zo gek.’

‘En hoe komt het over,’ vroeg Egwene, ‘als degenen die me het beste kennen mijn gezag weigeren? Kan dat op de anderen misschien overkomen alsof er iets is wat zij niet weten? Een zwakte die alleen mijn vriendinnen doorzien?’

Nynaeve verstijfde. Ineens smolt haar openhartigheid om in argwaan, en ze kneep haar ogen samen. ‘Dit ging er helemaal niet om dat je mijn raad wilde vragen, of wel?’

‘Natuurlijk wel,’ antwoordde Egwene. ‘Alleen een dwaas zou de raad negeren van diegenen die haar steunen. Maar hoe voelde het voor jou, in de eerste weken toen je net Wijsheid was? Toen alle vrouwen die je zogenaamd moest leiden alleen maar naar je keken als het meisje dat ze hadden gekend?’

‘Verschrikkelijk,’ zei Nynaeve zacht. ‘En was dat verkeerd van ze?’

‘Ja. Want ik was méér geworden. Ik was niet langer ik. Ik was mijn status geworden.’

Egwene keek de oudere vrouw in de ogen en hield haar blik vast, en ze begrepen elkaar.

‘Licht,’ zei Nynaeve. ‘Je hebt me wel te pakken, nietwaar?’

‘Ik heb je nódig, Nynaeve,’ antwoordde Egwene. ‘Niet alleen omdat je zo sterk bent in de Kracht, niet alleen omdat je een slimme, vastberaden vrouw bent. Niet alleen omdat je verfrissend onbezwaard bent door de politiek in de Toren, en niet alleen omdat je een van de weinigen bent die Rhand al kende voordat dit allemaal begon. Maar omdat ik mensen nodig heb die ik onvoorwaardelijk kan vertrouwen. Als jij een van die mensen kunt zijn.’

‘Je wilt dat ik voor je kniel,’ zei Nynaeve. ‘En je ring kus.’

‘En? Zou je dat voor een andere Amyrlin doen?’

‘Niet van harte.’

‘Maar je zou het doen.’

‘Ja.’

‘En denk je eerlijk dat er iemand anders is die het beter zou doen dan ik?’

Nynaeve aarzelde, maar toen schudde ze haar hoofd.

‘Waarom kost het je dan zoveel moeite om de Amyrlin te dienen?

Niet mij, Nynaeve, maar de rang.’

Nynaeves gezicht vertrok alsof ze iets heel bitters had gedronken. ‘Dit zal... niet gemakkelijk voor me zijn.’

‘Jij bent nooit iemand geweest die een taak ontloopt omdat hij lastig is, Nynaeve.’

‘De rang. Goed dan. Ik zal het proberen.’

‘Dan zou je kunnen beginnen met me Moeder te noemen.’ Egwene stak haar vinger op om Nynaeves tegenwerping voor te zijn. ‘Om jezelf eraan te herinneren, Nynaeve. Het hoeft niet doorlopend, althans niet als we alleen zijn. Maar je moet aan me gaan dénken als de Amyrlin.’

‘Goed, goed. Je hebt wel genoeg doorns in me gestoken. Ik voel me nü al alsof ik de hele dag windzittersdrank heb gedronken.’ Ze aarzelde, en voegde er toen aan toe: ‘Moeder.’ Ze leek zich bijna in dat woord te verslikken. Egwene glimlachte bemoedigend.

‘Ik zal jou niet behandelen zoals sommige vrouwen mij behandelden toen ik net tot Wijsheid was benoemd,’ beloofde Nynaeve. ‘Licht! Wat vreemd dat ik me net zo kan voelen als zij. Nou, het was toch dom van ze. Ik zal het beter doen; je zult het zien. Moeder.’ Deze keer klonk het wat minder gedwongen. Egwenes glimlach werd breder. Een wedstrijd was een van de beste manieren om Nynaeve te prikkelen.

Plotseling klonk er een tinkelend belletje in Egwenes geest. Ze was haar omgekeerde wevingen bijna vergeten. ‘Ik geloof dat Elayne er is.’

‘Mooi,’ zei Nynaeve, en ze klonk opgelucht. ‘Laten we dan maar naar haar toe gaan.’ Ze liep in de richting van de Zaal, maar toen verstijfde ze. Ze keek om. ‘Met uw welnemen, Moeder.’ Ik vraag me af of ze dat ooit zal kunnen zeggen zonder dat het geknepen klinkt, dacht Egwene. Nou, zolang ze haar best maar doet. ‘Een uitstekend voorstel.’ Ze sloot zich bij Nynaeve aan. Toen ze echter in de Zaal aankwamen, was die verlaten. Egwene sloeg haar armen over elkaar en keek om zich heen. ‘Misschien is ze naar ons op zoek gegaan,’ opperde Nynaeve. ‘Dan zouden we haar in de gang zijn tegengekomen,’ zei Egwene. ‘Bovendien...’

Elayne verscheen in de kamer. Ze droeg een vorstelijk wit gewaad, fonkelend van de diamanten. Zodra ze Egwene zag, glimlachte ze breed, rende naar haar toe en pakte haar handen. ‘Het is je gelukt, Egwene! We zijn weer één geheel!’

Egwene glimlachte. ‘Ja, hoewel de Toren nog altijd gewond is. Er is veel te doen.’

‘Je klinkt al net als Nynaeve.’ Elayne keek glimlachend naar Nynaeve.

‘Dank je,’ zei Nynaeve droogjes.

‘O, doe niet zo mal.’ Elayne liep naar haar toe en omhelsde Nynaeve vriendschappelijk. ‘Ik ben blij dat je er bent. Ik was al bang dat je niet zou komen, dat Egwene je zou moeten opsporen en een voor een je tenen eraf zou moeten trekken.’

‘De Amyrlin,’ zei Nynaeve, ‘heeft wel iets beters te doen. Of niet, Moeder?’

Elayne schrok en keek stomverbaasd. Ze kreeg een glinstering in haar ogen en verborg een glimlach. Ze nam aan dat Nynaeve een standje had gekregen. Maar natuurlijk wist Egwene dat dat bij Nynaeve niet zou hebben gewerkt. Dat zou net zoiets zijn als proberen een klit uit je huid te trekken terwijl de stekels er omgekeerd in zaten.

‘Elayne,’ zei Egwene. ‘Waar was je naartoe, voordat wij terugkeerden?’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.

‘Toen je hier net aankwam, waren wij er toch niet? Ben je naar ons op zoek gegaan?’

Elayne keek verward. ‘Ik heb geleid in mijn ter’angreaal, ben gaan slapen, en jullie waren hier toen ik verscheen.’

‘Wie heeft dan je wevingen in beweging gezet?’ vroeg Nynaeve. Verontrust stelde Egwene de wevingen opnieuw in en weefde vervolgens – zorgvuldig nadenkend – een omgekeerde ban tegen afluisteren, die ze wijzigde om een klein beetje geluid door te laten. Met een volgende weving liet ze dat geluid zich een beetje verder om hen heen verspreiden.

Iemand die in de buurt kwam, zou hen horen alsof ze fluisterden. De luistervink zou dichterbij sluipen, maar het geluid zou een fluistering blijven. Misschien zou dat diegene nog dichterbij lokken, stukje bij beetje.