Nynaeve en Elayne keken toe terwijl ze de wevingen maakte. Elayne leek vol ontzag, maar Nynaeve knikte peinzend in zichzelf. ‘Ga toch zitten,’ zei Egwene, die een stoel voor zichzelf opriep en plaatsnam. ‘We hebben veel te bespreken.’ Elayne maakte een troon voor zichzelf, misschien onbewust, en Nynaeve maakte een stoel zoals die van de Gezetenen in de Zaal. Egwene had natuurlijk de Amyrlin Zetel genomen.
Nynaeve keek overduidelijk ontevreden van de ene troon naar de andere. Misschien had ze zich daarom zo lang tegen deze ontmoetingen verzet; Egwene en Elayne waren zo ver opgestegen. Het was tijd voor een beetje honing om de bitterheid weg te nemen. ‘Nynaeve,’ zei Egwene. ‘Ik zou het erg op prijs stellen als je zou kunnen terugkeren naar de Toren om meer zusters je nieuwe methode van Heling te leren. Velen van hen zijn er al mee bezig, maar ze kunnen wel wat meer begeleiding gebruiken. En er zijn erbij die de oude aanpak liever niet willen loslaten.’
‘Koppige geiten,’ zei Nynaeve. ‘Geef ze kersen, en toch blijven ze de rotte appels eten, omdat ze dat nu eenmaal al zo lang doen. Ik weet alleen niet zeker of het wel verstandig zou zijn als ik terugkom. Eh, Moeder.’
‘Waarom niet?’
‘Rhand,’ zei Nynaeve. ‘Iemand moet een oogje op hem houden. Iemand anders dan Cadsuane, bedoel ik.’ Haar lippen krulden omlaag toen ze de naam van die vrouw noemde. ‘Hij is de laatste tijd veranderd.’
‘Veranderd?’ vroeg Elayne bezorgd. ‘Hoe bedoel je?’
‘Heb je hem onlangs nog gezien?’ vroeg Egwene. ‘Nee,’ antwoordde Elayne meteen. Te snel. Het was ongetwijfeld de waarheid – Elayne zou niet tegen haar liegen – maar er waren dingen die ze verborg over Rhand. Egwene vermoedde dat al een tijdje. Had ze hem misschien gebonden?
‘Hij is veranderd,’ zei Nynaeve, ‘en dat is heel goed. Moeder... je weet niet hoe erg hij was geworden. Er waren ogenblikken dat ik doodsbang voor hem was. Nu... is dat weg. Hij is dezelfde persoon; hij praat zelfs nog net zoals vroeger. Rustig, zonder woede. Voorheen was het als de stilte van een mes dat werd getrokken, en nu is het als de stilte van een briesje.’
‘Hij is ontwaakt,’ zei Elayne plotseling. ‘Hij is nu warm.’ Egwene fronste haar voorhoofd. ‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Ik... Eigenlijk weet ik het niet.’ Elayne bloosde. ‘Het kwam zomaar naar buiten. Het spijt me.’
Ja, ze had hem gebonden. Nou, dat kon nuttig zijn. Waarom wilde ze daar niet over praten?
Egwene zou haar eens onder vier ogen moeten uithoren.
Nynaeve keek Elayne met samengeknepen ogen aan. Had zij het ook gemerkt? Haar ogen schoten naar Elaynes borsten, en toen naar haar buik.
‘Je bent zwanger!’ riep Nynaeve ineens beschuldigend, wijzend naar Elayne.
De Andoraanse koningin bloosde. Natuurlijk, Nynaeve wist niets van de zwangerschap, hoewel Egwene het van Aviendha had gehoord.
‘Licht!’ zei Nynaeve. ‘Ik dacht niet dat ik Rhand daar lang genoeg voor uit het oog had verloren. Wanneer is dit gebeurd?’ Elayne bloosde. ‘Ik heb niet gezegd dat hij...’
Nynaeve keek Elayne vlak aan, en de koningin bloosde nog dieper. Ze wisten allebei hoe Nynaeve over dit soort zaken dacht, en eigenlijk was Egwene het daarmee eens. Maar Elaynes privéleven ging haar niets aan.
‘Ik ben blij voor je, Elayne,’ zei Egwene. ‘En voor Rhand. Ik weet alleen niet goed wat ik van het gekozen tijdstip vind. Je moet weten dat Rhand zich heeft voorgenomen om de resterende zegels op de kerker van de Duistere te verbreken, en dat daardoor het gevaar bestaat dat hij de Duistere vrijlaat in de wereld.’ Elayne tuitte haar lippen. ‘Nou, er zijn nog maar drie zegels over, en die verbrokkelen.’
‘Wat is er zo erg aan?’ vroeg Nynaeve. ‘De Duistere zal worden bevrijd wanneer het laatste zegel verbrokkelt; dat kan dan beter gebeuren als Rhand erbij is om tegen hem te strijden.’
‘Ja, maar de zegels? Dat is roekeloos. Rhand kan toch wel tegen de Duistere strijden, hem verslaan en hem opsluiten zonder die gok te nemen?’
‘Misschien heb je gelijk,’ zei Nynaeve.
Elayne keek verontrust.
Dit was een lauwere ontvangst dan Egwene had verwacht. Ze had gedacht dat de Wijzen zich tegen haar zouden verzetten, en dat Nynaeve en Elayne onmiddellijk het gevaar zouden inzien. Nynaeve gaat te veel met hem om, dacht Egwene. Ze was waarschijnlijk meegesleept in zijn ta’veren-aard. Het Patroon boog zich om hem heen. Degenen die bij hem vertoefden, zouden zaken net zo gaan beschouwen als hij, zouden onbewust meewerken om zijn wil te laten geschieden.
Dat moest de verklaring zijn. Doorgaans was Nynaeve zo nuchter over dit soort dingen. Of... nou, Nynaeve was niet echt nuchter te noemen. Maar over het algemeen zag ze de juiste manier waarop dingen moesten worden aangepakt, zolang die aanpak maar niet behelsde dat zij het mis had.
‘Ik heb jullie allebei in de Toren nodig,’ zei Egwene. ‘Elayne, ik weet wat je gaat zeggen, en ja, ik besef dat je koningin bent en dat Andor behoeften heeft. Maar zolang jullie de geloften nog niet hebben afgelegd, zullen andere Aes Sedai blijven denken dat jullie je positie niet verdienen.’
‘Ze heeft gelijk, Elayne,’ beaamde Nynaeve. ‘Je hoeft niet lang te blijven; alleen lang genoeg om officieel tot Aes Sedai te worden verheven en te worden aanvaard als lid van de Groene Ajah. De edelen van Andor zullen het verschil niet merken, maar andere Aes Sedai wel.’
‘Dat is waar,’ zei Elayne. ‘Maar het tijdstip is... onhandig. Ik weet niet of ik de geloften wel moet afleggen terwijl ik zwanger ben. Het is misschien schadelijk voor de kinderen.’
Dat zette Nynaeve even aan het denken.
‘Misschien heb je gelijk,’ zei Egwene. ‘Ik zal iemand laten uitzoeken of de geloften gevaarlijk zijn tijdens de zwangerschap. Maar Nynaeve, ik wil je hier beslist terug hebben.’
‘Dan blijft Rhand volkomen zonder toezicht achter, Moeder.’
‘Ik vrees dat dat niet te vermijden valt.’ Egwene keek Nynaeve in de ogen. ‘Ik wil niet dat jij als Aes Sedai vrij bent van de geloften. Nee, je hoeft het niet te zeggen; ik weet dat je je aan de geloften houdt. Maar zolang je vrij bent van de Eedstaf zelf, zullen anderen zich afvragen of zij niet ook vrij zouden kunnen zijn.’
‘Ja,’ zei Nynaeve. ‘Dat zal wel.’
‘Dus je keert terug?’
Nynaeve klemde haar kaken opeen en leek een inwendige strijd te voeren. ‘Ja, Moeder,’ antwoordde ze. Elayne sperde haar ogen open van verbazing.
‘Dit is belangrijk, Nynaeve,’ benadrukte Egwene. ‘Ik denk niet dat er iets is wat jij in je eentje kunt doen om Rhand nu tegen te houden. We moeten bondgenoten verzamelen, voor een verenigd front.’
‘Goed,’ zei Nynaeve.
‘Wat mij zorgen baart, is de beproeving,’ begon Egwene. ‘De Gezetenen hebben er geen moeite mee dat jij en de anderen in ballingschap zijn verheven. Maar ze bepleiten dat jullie alsnog de beproeving moeten doorstaan, nu de Witte Toren is herenigd. Ze hebben erg goede argumenten. Misschien kan ik aanvoeren dat jullie recente lastige uitdagingen jullie een uitzonderingspositie zouden moeten opleveren. We hebben geen tijd om jullie twee alle wevingen te leren die je moet kennen.’
Elayne knikte. Nynaeve haalde haar schouders op. ‘Ik onderga de beproeving wel. Als ik dan terugkom, kan ik het net zo goed op de juiste manier doen.’
Egwene knipperde verbaasd met haar ogen. ‘Nynaeve, het zijn héél complexe wevingen. Ik heb niet eens tijd gehad om ze allemaal te leren; ik zweer je dat veel ervan onnodig omslachtig zijn, gewoon om ze moeilijk te maken.’ Egwene was niet van plan de beproeving zelf te doorstaan, en dat hoefde ook niet. De wet was duidelijk. Door tot Amyrlin verheven te worden, was ze een Aes Sedai geworden. De zaken waren echter niet zo helder met betrekking tot Nynaeve en de anderen die door Egwene waren verheven.
Nynaeve haalde haar schouders opnieuw op. ‘De honderd wevingen voor de beproeving zijn niet zo lastig. Ik zou ze je nu meteen kunnen voordoen, als je wilt.’
‘Wanneer heb jij tijd gehad om ze allemaal te leren?’ riep Elayne uit. ‘Ik heb de afgelopen maanden niet alleen maar lopen zwijmelen en dromen over Rhand Altor.’