De mensen waar Nynaeve nu langsliep, hadden bezorgde gezichten, en sommigen keken angstig over hun schouder. Die kant op was de stad getroffen door een bel van kwaad. Het Licht geve dat er niet te veel gewonden waren, want Nynaeve had niet veel tijd. Ze moest terug naar de Witte Toren. Het stak haar dat ze Egwene moest gehoorzamen. Maar ze zou gehoorzamen, en vertrekken zodra Rhand terugkeerde. Hij was vanochtend ergens naartoe gegaan. Onuitstaanbare man. Maar hij had in ieder geval Speervrouwen meegenomen. Ze had gehoord dat hij had gezegd dat hij iets moest ophalen. Nynaeve versnelde haar pas, en Naeff volgde haar voorbeeld, totdat ze bijna renden. Een Poort zou sneller zijn geweest, maar dat was niet veilig; ze kon er niet zeker van zijn dat ze niemand doormidden zouden hakken. We raken te afhankelijk van die Poorten, dacht ze. Onze eigen voeten lijken nauwelijks nog goed genoeg. Ze gingen een hoek om en een straat in waar een groep zenuwachtige Verdedigers – in zwarte jassen en zilverkleurige borstplaten waaruit wijde zwart-met-gouden mouwen uitstaken – op een rij stond. Ze weken voor haar en Naeff uiteen, en hoewel ze opgelucht leken dat ze er was, grepen ze toch zenuwachtig hun paalwapens vast. De stad achter hen oogde een beetje... bleker dan gewoonlijk. Flets. De plaveistenen hadden een lichtere kleur grijs, de muren van de gebouwen waren valer bruin of grijs dan ze zouden moeten zijn. ‘Zijn er mannen binnen om te zoeken naar gewonden?’ vroeg Nynaeve.
Een van de Verdedigers schudde zijn hoofd. ‘We hebben iedereen erbuiten gehouden, eh, vrouwe Aes Sedai. Het is niet veilig.’ De meeste Tyreners waren het nog altijd niet gewend om eerbied te betonen aan Aes Sedai. Tot voor kort was geleiden in de stad verboden geweest.
‘Stuur mannen naar binnen om te zoeken,’ zei Nynaeve ferm. ‘De Draak zal vertoornd zijn als je angst levens kost. Begin bij de randen. Laat me halen als jullie iemand vinden die ik kan helpen.’ De wachters liepen weg. Nynaeve wendde zich naar Naeff, en hij knikte. Ze draaide zich om en zette een stap in het aangetaste gedeelte van de stad. Toen haar voet de plaveisteen raakte, veranderde die in stof. Haar voet zonk door de verbrokkelde kei heen en raakte harde aarde.
Ze keek omlaag en verkilde. Toen liep ze door, en de stenen verpulverden als ze ze raakte. Zij en Naeff liepen naar een nabijgelegen gebouw en lieten een spoor van verbrokkelde stenen achter. Het gebouw was een herberg met fraaie balkons op de bovenverdieping, sierlijke gietijzeren rekken voor de glazen ruiten en een donker geschilderde veranda. De deur stond open, en toen ze haar voet op de eerste tree naar de veranda zette, veranderden de planken ook in stof. Ze verstijfde en keek omlaag. Naeff kwam naast haar staan en knielde neer om het stof tussen zijn vingers te voelen. ‘Het is zacht,’ zei hij. ‘Het fijnste poeder dat ik ooit heb gevoeld.’ De lucht rook onnatuurlijk fris, wat een vreemd contrast vormde met de stille straat. Nynaeve haalde diep adem en liep de herberg in. Ze moest waden, met de houten vloer om haar knieën heen, want de planken vielen uiteen zodra ze ze aanraakte.
Kinnen was het schemerig. De staande lampen brandden niet meer. Er zaten mensen in de ruimte verspreid, verstijfd halverwege hun bewegingen. De meesten waren edelen in kostbare kleding, de mannen met baarden die met olie in een punt waren gedraaid. Een van hen zat aan een tafel vlakbij, op een stoel met lange poten. Een kroes ochtendbier was halverwege naar zijn lippen geheven. Hij zat roerloos, met zijn mond al geopend om te drinken. Naeffs gezicht stond grimmig, hoewel er maar weinig scheen te zijn wat Asha’man verbaasde of van hun stuk bracht. Toen hij nog een stap naar voren wilde zetten, dook Nynaeve achter hem aan en greep hem bij de arm. Hij keek haar fronsend aan, en zij wees omlaag. Recht voor hem – amper zichtbaar onder de nog intacte vloerplanken – verdween de grond. Hij had op het punt gestaan de kelder van de herberg in te stappen.
‘Licht,’ zei Naeff, die achteruitstapte. Hij knielde neer en klopte op de plank voor hem. Die verviel tot stof, dat omlaag dwarrelde in de donkere kelder eronder.
Nynaeve weefde Geest, Lucht en Water om de man te Schouwen die vlakbij op de stoel zat. Doorgaans raakte ze iemand aan om hem te Schouwen, maar deze keer aarzelde ze. Het kon ook zonder aanraking, al zou dat minder effectief zijn voor Heling. Met haar Schouwen vond ze niets. Geen leven, geen gevoel dat hij ooit geleefd had. Zijn lichaam bestond niet eens uit vlees en bloed. Terwijl de moed haar in de schoenen zonk, Schouwde ze andere mensen in de schemerige ruimte. Een dienstmeisje dat met een ochtendmaal op weg was geweest naar drie Andoraanse kooplieden. Een gezette waard, die ongetwijfeld moeite had gehad zich tussen de dicht opeen geplaatste tafels te bewegen. Een vrouw in een kostbaar gewaad, zittend helemaal achter in de gelagkamer, nuffig lezend in een boekje.
In geen van hen was leven te vinden. Dit waren geen lijken; het waren omhulsels. Met trillende vingers stak Nynaeve haar hand uit en streek over de schouder van de man aan de hoge tafel. Hij verviel onmiddellijk tot stof, dat in een wolkje omlaag dwarrelde. De stoel en vloerplanken onder hem vergingen niet. ‘Er is hier niemand meer te redden,’ zei Nynaeve. ‘Arme mensen,’ zei Naeff. ‘Het Licht behoede hun ziel.’ Nynaeve had er vaak moeite mee medelijden op te brengen voor de Tyreense edelen; van alle mensen die zij ooit had ontmoet, waren zij de hooghartigste. Maar niemand verdiende dit. Bovendien waren er ook een groot aantal burgers in deze bel van kwaad beland. Zij en Naeff liepen het gebouw weer uit, en Nynaeve trok uit frustratie aan haar vlecht. Ze vond het verschrikkelijk om zo machteloos te zijn. Zoals bij die arme wachter die de brand bij het landhuis in Arad Doman had veroorzaakt, of de mensen die waren geveld door vreemde ziekten. De stoffige omhulsels van vandaag. Wat had het voor zin om Heling te leren als ze geen mensen kon helpen? En nu moest ze vertrekken. Terug naar de Witte Toren. Het voelde als vluchten. Ze wendde zich tot Naeff. ‘Wind,’ zei ze.
‘Nynaeve Sedai?’
‘Geef dat gebouw een zet met een windvlaag, Naeff,’ zei ze. ‘Ik wil zien wat er gebeurt.’
De Asha’man deed wat ze vroeg, en zijn onzichtbare wevingen veroorzaakten een luchtstroom. Het hele gebouw barstte uiteen in stof dat wegwaaide, als de witte zaadjes van een paardenbloem. Naeff draaide zich naar haar om. ‘Hoe groot zeiden ze dat die bel was?’ vroeg ze. ‘Ongeveer twee straten breed naar alle kanten.’
‘We hebben meer wind nodig,’ zei ze, en ze begon een weving. ‘Maak een zo sterk mogelijke windvlaag. Als er nog ergens een gewonde ligt, dan kunnen we hem of haar op die manier vinden.’ Naeff knikte. Samen beenden ze naar voren en maakten wind. Ze verwoestten gebouwen, lieten die barsten en uiteenvallen. Naeff was hier veel beter in dan zij, maar Nynaeve was sterker in de Ene Kracht. Samen veegden ze de verkruimelende gebouwen, stenen en omhulsels in een stofstorm voor zich uit.
Het was uitputtend werk, maar ze hielden vol. Nynaeve hoopte – tegen beter weten in – dat ze iemand zou vinden die nog te helpen was. Gebouwen vielen voor haar en Naeff om, en het stof werd opgenomen in de wervelende lucht. Ze duwden het stof in een kring naar binnen. Als een vrouw die de vloer veegt.
Ze zagen mensen die halverwege een stap midden op straat waren verstijfd. Ossen die een wagen trokken. Hartverscheurend was dat ze ook enkele spelende kinderen in een steeg zagen. Alles viel tot stof uiteen.
Ze vonden niemand meer in leven. Uiteindelijk hadden zij en Naeff het hele verwoeste gedeelte van de stad laten oplossen en het stof naar het midden geblazen. Nynaeve keek ernaar, hoe het daar op zijn plaats draaide in een wervelwindje dat Naeff had geweven. Nieuwsgierig geleidde Nynaeve een tong van Vuur de wervelwind in, en het stof vatte vlam.