Выбрать главу

Ze zoog geschrokken haar adem naar binnen; dat stof vloog in brand als droog papier dat in een vuur was gegooid, en er ontstond een helse vuurzee. Zij en Naeff gingen achteruit, maar het was in een oogwenk voorbij. Er bleef niet eens as achter. Als we het niet bijeen hadden geveegd, dacht ze, kijkend naar het dovende vuur, dan had iemand er een kaars op kunnen laten vallen. Zo’n brand...

Naeff liet de wind verstillen. Ze stonden in een kring van kale aarde, met hier en daar gaten waar kelders waren geweest. Langs de randen waren gebouwen in tweeën gehakt, half open kamers, en sommige gebouwen waren ingestort. Het was een spookachtige aanblik, dit holle gedeelte. Als een lege oogkas in een verder gezond gezicht. Enkele groepen Verdedigers stonden langs de rand. Ze knikte naar Naeff, en samen liepen ze naar de grootste groep toe. ‘Hebben jullie niemand gevonden?’ vroeg ze.

‘Nee, vrouwe Aes Sedai,’ zei een man. ‘Of, eh, we hebben er wel een paar gevonden, maar die waren al dood.’

Een andere man knikte, een tonronde vent bij wie het uniform heel strak zat. ‘Het lijkt erop dat iedereen die maar een teen binnen die ring heeft gezet, dood is neergevallen. We hebben er een paar gevonden bij wie alleen een voet of een deel van de arm ontbrak. Maar ze waren toch dood.’ De man huiverde zichtbaar. Nynaeve sloot haar ogen. De hele wereld viel uiteen, en zij had niet de kracht om hem te Helen. Ze voelde zich misselijk en boos. ‘Misschien hebben zij dit veroorzaakt,’ zei Naeff zacht. Ze opende haar ogen en zag dat hij naar een naburig gebouw knikte. ‘De Schimmen. Er zijn er daar drie, Nynaeve Sedai, en ze kijken naar ons.’

‘Naeff...’ zei ze gefrustreerd. Het hielp niet om hem te vertellen dat de Schimmen niet echt waren. Ik moet iets doen, dacht ze. Iemand helpen. ‘Naeff, blijf stilstaan.’ Ze pakte zijn arm beet en Schouwde hem. Hij keek haar verbaasd aan, maar zei niets. Ze zag de waanzin als een donker netwerk van aderen dat in zijn geest groef. Het leek te pulseren, als een klein, kloppend hart. Ze had de laatste tijd een gelijksoortige bezoedeling in andere Asha’man gevonden. Haar vaardigheid in het Schouwen verbeterde, haar wevingen werden verfijnder, en ze kon nu dingen vinden die vroeger voor haar verborgen bleven. Ze wist alleen niet hoe ze moest verhelpen wat er scheef zat.

Alles zou te Helen moeten zijn, hield ze zich voor. Alles behalve de dood zelf. Ze concentreerde zich, weefde alle vijf de Krachten en porde voorzichtig tegen de waanzin, terugdenkend aan wat er was gebeurd toen ze de Wilsdwang had verwijderd van Graendals ongelukkige dienaar. Naeff was beter af met deze waanzin dan als ze zijn geest nog verder beschadigde.

Vreemd genoeg leek deze duisternis op Wilsdwang. Was dat wat de smet had gedaan? Had die de mannen die de Ene Kracht gebruikten omgevormd, met Wilsdwang van de Duistere zelf? Ze maakte behoedzaam een tegenweving voor de waanzin en legde die over Naeffs geest heen. De weving vervaagde en deed niets. Ze knarsetandde. Dat had moeten werken. Maar, zoals de laatste tijd zo vaak scheen te gebeuren, het was mislukt. Nee, dacht ze. Nee, ik kan het er niet zomaar bij laten zitten. Ze Schouwde dieper. De duisternis had kleine, doornachtige uitsteeksels die in Naeffs geest staken. Ze negeerde de mensen die zich om haar heen verzamelden en onderzocht die doorns. Voorzichtig gebruikte ze wevingen van Geest om er een los te peuteren. Hij kwam met enige weerstand los, en snel Heelde ze de plek waar hij Naeffs vlees had doorboord. Zijn hersens leken te pulseren en er wat gezonder uit te zien. Een voor een peuterde ze de andere los. Ze was gedwongen haar wevingen in stand te houden, de doorns tegen te houden, anders bogen ze weer omlaag. Ze begon te zweten. Ze was al moe van het schoonvegen van het gebied en kon niet langer de concentratie opbrengen om de warmte op afstand te houden. Het was zo benauwd in Tyr.

Ze bleef werken en bereidde nog een tegenweving voor. Toen ze eenmaal alle doorns had losgepeuterd, liet ze haar nieuwe weving gaan. Het donkere gedeelte trilde en beefde, als een levend wezen. Toen verdween het.

Nynaeve ging wankelend achteruit, bijna geheel uitgeput. Naeff knipperde met zijn ogen en keek om zich heen. Hij hief zijn hand naar zijn hoofd.

Licht! dacht ze. Heb ik hem kwaad gedaan? Ik had me daar niet zomaar in moeten storten. Misschien heb ik hem wel... ‘Ze zijn weg,’ zei Naeff. ‘De Schimmen... Ik zie ze niet meer.’ Hij knipperde nog eens met zijn ogen. ‘En waarom zouden Schimmen zich trouwens in de schaduwen verstoppen? Als ik ze kon zien, zouden ze me hebben gedood, en...’ Hij keek haar aan en zijn ogen werden helder. ‘Wat heb je gedaan?’

‘Ik... Ik geloof dat ik je waanzin heb Geheeld.’ Althans, ze had er iéts mee gedaan. Wat zij had gedaan, was geen standaard Heling geweest, en ze had niet eens Helende wevingen gebruikt. Maar het had schijnbaar gewerkt.

Naeff glimlachte breed en leek stomverbaasd. Hij pakte haar hand in zijn beide handen vast en knielde met betraande ogen voor haar neer. ‘Al maanden had ik doorlopend het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden. Alsof ik zou worden vermoord zodra ik de schaduwen mijn rug toekeerde. Nu ben ik... Dank je. Ik moet naar Nelavaire toe.’

‘Ga dan maar,’ zei Nynaeve. Naeff vertrok op een holletje naar de Steen om zijn Aes Sedai op te zoeken.

Ik moet niet denken dat niets van wat ik doe iets uitmaakt, dacht ze.

Dat is wat de Duistere wil. Terwijl ze Naeff nakeek, merkte ze op dat de wolken aan de hemel uiteenweken. Rhand was teruggekeerd. Arbeiders begonnen het puin op te ruimen van gebouwen die half tot stof waren vergaan, en Nynaeve sprak geruststellende woorden tegen de ongeruste Tyreners die kwamen toestromen. Ze wilde niet dat er paniek ontstond; ze verzekerde iedereen dat het gevaar geweken was en vroeg hun toen om naar de gezinnen te gaan die iemand hadden verloren.

Ze was daar nog mee bezig – stond zachtjes te praten met een magere, ongeruste vrouw – toen Rhand naar haar toe kwam. De vrouw was een burger, gekleed in een hoog gesloten gewaad met drie schorten en een strohoed. Haar man had in de herberg gewerkt waar Nynaeve binnen was gegaan. De vrouw bleef maar blikken werpen op het gat in de grond dat de kelder was geweest. Even later merkte Nynaeve Rhand op, die met zijn armen op zijn rug naar haar stond te kijken, met zijn hand om zijn stomp heen. Twee Speervrouwen bewaakten hem, vrouwen genaamd Somma en Kanara. Nynaeve rondde haar gesprek met de Tyreense af, maar de betraande ogen van de vrouw waren hartverscheurend. Hoe zou zij zelf reageren als ze Lan verloor?

Het Licht behoede hem. Alsjeblieft, alsjeblieft, bescherm hem, bad ze. Ze maakte haar geldbuidel los en gaf die aan de vrouw mee. Misschien zou het helpen.

Rhand stapte naar Nynaeve toe. ‘Je zorgt voor mijn volk. Dank je.’

‘Ik zorg voor iedereen die het nodig heeft,’ antwoordde Nynaeve. ‘Zoals je altijd hebt gedaan,’ zei Rhand. ‘En je zorgt ook voor enkele mensen die het niet nodig hebben.’

‘Zoals jij?’ vroeg ze met een opgetrokken wenkbrauw. ‘Nee, ik heb het altijd nodig gehad. Dat en meer.’ Nynaeve aarzelde. Dat was niet iets waarvan ze ooit had verwacht dat hij het zou toegeven. Waarom droeg hij die oude mantel nog steeds? Het kledingstuk was verkleurd en vaal. ‘Dit is mijn schuld,’ zei Rhand, met een knik naar het gat in de stad.

‘Rhand, doe niet zo dwaas.’

‘Ik denk dat niemand kan voorkomen dat hij soms wel eens dwaas doet,’ zei hij. ‘Ik verwijt het mezelf vanwege mijn uitstel. We hebben de confrontatie met hem veel te lang voor ons uit geschoven. Wat is hier vandaag gebeurd? Zijn de gebouwen in stof veranderd?’

‘Ja,’ zei Nynaeve. ‘Hun wezen was verwijderd. Alles verkruimelde zodra we het aanraakten.’

‘Hij wil dit met de hele wereld doen,’ zei Rhand, en zijn stem werd zachter. ‘Hij roert zich. Hoe langer we wachten – vasthoudend aan onze vingernagels – hoe meer hij verwoest wat er overblijft. We kunnen ons geen uitstel meer veroorloven.’