Выбрать главу

Nynaeve fronste haar voorhoofd. ‘Maar Rhand, als je hem vrijlaat, maakt dat het dan niet nog erger?’

‘Misschien heel korte tijd,’ zei Rhand. ‘Het openen van de Bres zal hem niet onmiddellijk bevrijden, hoewel het hem wel meer kracht zal geven. En toch moet het gebeuren. Zie onze taak maar als het beklimmen van een hoge stenen muur. Helaas talmen we, rennen we rondjes voordat we ons aan de klim wagen. Elke stap vermoeit ons voor het gevecht dat zal komen. We moeten hem tegemoet treden nu we nog sterk zijn. Daarom moet ik de zegels verbreken.’

‘Ik...’ zei Nynaeve. ‘Ik geloof je.’ Ze was verbaasd het te beseffen. ‘Is dat zo, Nynaeve?’ vroeg hij, en hij klonk merkwaardig opgelucht. ‘Is dat echt zo?’

‘Ja.’

‘Probeer Egwene dan te overtuigen. Ze zal me tegenhouden als ze kan.’

‘Rhand... ze heeft me teruggeroepen naar de Toren. Ik moet vandaag al vertrekken.’

Rhand keek bedroefd. ‘Ja, ik vermoedde al dat ze dat uiteindelijk zou doen.’ Hij pakte Nynaeve in een vreemd gebaar bij de schouder. ‘Laat ze je niet onderuithalen, Nynaeve. Ze zullen het proberen.’

‘Me onderuithalen?’

‘Je hartstocht is een deel van jou,’ zei Rhand. ‘Ik heb geprobeerd zoals hen te zijn, hoewel ik dat voorheen niet zou hebben toegegeven. Kil. Altijd beheerst. Het verwoestte me bijna. Voor sommigen is dat kracht, maar het is niet de énige soort kracht. Misschien zou je kunnen leren je iets meer te beheersen, maar ik mag je graag zoals je bent. Het maakt je oprecht. Ik zou niet willen dat je ook zo’n “volmaakte” Aes Sedai werd, met een geschilderd masker van een gezicht en geen medeleven met anderen.’

‘Aes Sedai zijn is kalm zijn,’ antwoordde Nynaeve. ‘Aes Sedai zijn is wat jij besluit dat het is,’ zei Rhand, met zijn stomp nog op zijn rug. ‘Moiraine gaf om mensen. Dat kon je aan haar zien, zelfs als ze kalm was. De beste Aes Sedai die ik heb gekend, waren degenen over wie anderen klaagden dat ze niet waren wat een Aes Sedai hoorde te zijn.’

Nynaeve merkte dat ze knikte, maar ergerde zich toen aan zichzelf.

Nam ze nu goede raad aan van Rhand Altor?

Er was iets veranderd aan Rhand. Een rustige intensiteit en weloverwogen woorden. Hij was een man van wie je raad kon aannemen zonder het gevoel te hebben dat hij neerbuigend tegen je deed. Net als zijn vader, eigenlijk. Niet dat ze dat ooit tegenover een van hen beiden zou toegeven.

‘Ga naar Egwene,’ zei Rhand, die haar schouder losliet. ‘Maar zodra het kan, zou ik heel graag willen dat je bij me terugkwam. Ik heb je raad weer nodig. Op z’n allerminst wil ik je graag aan mijn zijde hebben als ik naar Shayol Ghul ga. Ik kan hem niet verslaan met saidin alleen, en als we Callandor gaan gebruiken, dan zal ik twee vrouwen die ik vertrouw bij me in de cirkel nodig hebben. Ik heb nog niet besloten over de andere. Aviendha of Elayne, misschien. Maar jou zeker.’

‘Ik zal er zijn, Rhand.’ Ze voelde een merkwaardige trots. ‘Blijf even stilstaan. Ik doe je geen pijn, beloofd.’

Hij trok zijn wenkbrauw op, maar deed niets terwijl ze hem Schouwde. Ze was ontzettend vermoeid, maar als ze hem achterliet, moest ze deze kans aangrijpen om zijn waanzin te Helen. Het leek plotseling het belangrijkste wat ze voor hem kon doen. En voor de wereld. Ze Schouwde, wegblijvend van de wonden in zijn zij, aangezien dat putten van duisternis waren die haar energie in zich leken op te zuigen. Ze hield haar aandacht op zijn geest gericht. Waar was die... Ze verstijfde. De duisternis was overal. Het lag over zijn hele geest heen. Duizenden en nog eens duizenden kleine zwarte doorns prikten in zijn hersens, maar daaronder was een helwit soort kantwerk van iéts te zien. Een witte straling, als vloeibare Kracht. Licht dat vorm en leven had gekregen. Ze zoog haar adem naar binnen. Het bedekte elk van de donkere punten, dook samen met de doorns in zijn hersens. Wat betekende dit?

Ze had geen flauwe notie hoe ze hier zelfs maar aan moest beginnen. Er waren zoveel doorns. Hoe kon hij nadenken terwijl er zoveel duisternis op zijn brein drukte? En waardoor was dat witte ontstaan? Ze had Rhand al eens Geheeld, en toen had ze het niet opgemerkt. Al zag ze die duisternis ook pas sinds kort. Het kwam waarschijnlijk door haar oefeningen met het Schouwen. Met tegenzin trok ze zich terug. ‘Het spijt me,’ zei ze. ‘Ik kan je niet Helen.’

‘Velen hebben het al geprobeerd, en jij ook. Die wonden zijn gewoon niet te genezen. Ik sta er eigenlijk tegenwoordig niet meer zo bij stil.’

‘Niet de wonden in je zij,’ zei Nynaeve. ‘De waanzin. Ik...’

‘Kun je waanzin Helen?’

‘Ik geloof dat ik dat bij Naeff heb gedaan.’

Rhand grijnsde breed. ‘Je blijft me maar verbazen... Nynaeve, besef je wel dat de allerwaardigste Helers in de Eeuw der Legenden moeite hadden met geestesziekten? Velen geloofden dat het niet mogelijk was om waanzin te Helen met de Ene Kracht.’

‘Ik zal de anderen Helen,’ zei ze. ‘Narishma en Flin in ieder geval, voor ik ga. Alle Asha’man hebben waarschijnlijk minstens een zweem van deze smet op hun geest. Ik weet niet of ik naar de Zwarte Toren zal kunnen gaan.’ En of ik daar wel heen wil, voegde ze er in gedachten aan toe.

‘Dank je,’ zei Rhand, en hij keek naar het noorden. ‘Maar nee, je moet niet naar de Zwarte Toren gaan. Ik zal er iemand heen moeten sturen, maar we moeten het voorzichtig aanpakken. Er is iets gaande bij hen. Ik heb alleen zoveel te doen...’ Hij schudde zijn hoofd en keek haar aan. ‘Dat is een kloof die ik nu niet kan overbruggen. Doe een goed woordje voor me bij Egwene. Ik heb haar als bondgenote nodig.’

Nynaeve knikte en toen – al voelde ze zich belachelijk – omhelsde ze hem voordat ze zich weg haastte om op zoek te gaan naar Narishma en Flin. Een omhelzing. Bij de Herrezen Draak. Ze werd al even dom als Elayne. Ze schudde haar hoofd, denkend dat een tijdje in de Witte Toren haar misschien weer wat nuchterder zou maken.

De wolken waren terug.

Egwene stond helemaal boven op de Witte Toren, op het platte, ronde dak, leunend tegen het muurtje rondom, dat tot haar middel kwam. Als een kruipende schimmel – als een zwerm insecten – had het wolkendek zich boven Tar Valon gesloten. Het bezoek van het zonlicht was welkom geweest, maar van korte duur. De thee smaakte weer muf. De graanvoorraden die ze hadden gevonden begonnen op te raken, en de volgende zakken die waren binnengekomen, hadden vol gezeten met kalanders. Het land is één met de Draak.

Ze ademde in, snoof de frisse lucht op en keek uit over Tar Valon. Haar Tar Valon.

Saerin, Yukiri en Seaine – drie van de oorspronkelijke jagers op de Zwarte Ajah in de Toren – stonden geduldig achter haar te wachten. Zij waren nu enkele van haar vurigste aanhangsters, en de meest nuttige. Iedereen verwachtte dat Egwene de groep die zich van Elaida had afgesplitst zou voortrekken, dus het was goed als ze liet zien dat ze ook omging met Aes Sedai die in de Witte Toren waren gebleven.

‘Wat hebben jullie ontdekt?’ vroeg Egwene.

Saerin schudde haar hoofd en kwam naast Egwene bij de muur staan. Het litteken op haar wang en het grijs bij haar slapen gaven de Bruine zuster met haar olijfkleurige huid en botte gelaatstrekken het aanzien van een oudere generaal. ‘Sommige inlichtingen waar u om vroeg, waren zelfs drieduizend jaar geleden al onbetrouwbaar, Moeder.’

‘Alles wat je kunt bieden zal helpen, dochter,’ zei Egwene. ‘Zolang we ons maar niet geheel blindstaren op de feiten, is onvolledige kennis beter dan volledige onwetendheid.’

Saerin snoof zachtjes, maar ongetwijfeld herkende ze het citaat van Yasicca Cellach, een geleerde Bruine zuster uit de oudheid. ‘En jullie?’ vroeg Egwene aan Yukiri en Seaine. ‘We zoeken nog,’ antwoordde Yukiri. ‘Seaine heeft een lijst van mogelijkheden. Sommige daarvan zijn warempel redelijk.’ Egwene trok haar wenkbrauw op. Een Witte zuster om theorieën vragen leverde veel op, maar het was niet altijd zinvol. Ze hadden de neiging het voor de hand liggende te negeren en zich te richten op vergezochte mogelijkheden. ‘Laten we daar dan beginnen,’ zei Egwene. ‘Seaine?’