Saerin schudde haar hoofd. ‘De Verzakers zijn in de ogen van de meeste mensen eerder monsters in de nacht dan echte “persoonlijkheden”, Moeder, en er is veel verloren gegaan of verkeerd geciteerd. Voor zover ik kan bepalen, zou je haar onder de Verzakers kunnen zien als een pragmatist; iemand die niet hoog op een troon zit, maar de mouwen opstroopt en haar handen vies maakt. Elandria Borndat houdt in haar boek Het Breken doorstaan vol dat Mesaana, in tegenstelling tot Moghedien en Graendal, bereid was om zelf de touwtjes in handen te nemen.
Ze heeft nooit bekend gestaan als de vaardigste of sterkste onder de Verzakers, maar ze was bijzonder capabel. Elandria zegt dat Mesaana deed wat er gebeuren moest. Als anderen konkelden, bouwde zij zorgvuldig aan verdedigingen en leidde nieuwe rekruten op.’ Saerin aarzelde. ‘Ze... nou, ze klinkt erg als een soort Amyrlin, Moeder.
De Amyrlin van de Schaduw.’
‘Licht,’ zei Yukiri. ‘Geen wonder dat ze hierheen is gekomen.’ De Grijze leek daar erg ontdaan over.
‘Het enige andere wat ik heb kunnen vinden en wat me relevant leek, Moeder,’ vervolgde Saerin, ‘was een merkwaardige verwijzing van de Blauwe geleerde Lannis, die aangaf dat Mesaana in haar woede alleen ondergeschikt was aan Demandred.’
Egwene fronste haar voorhoofd. ‘Ik had aangenomen dat alle Verzakers vol haat zitten.’
‘Geen haat,’ zei Saerin. ‘Woede. Lannis dacht dat Mesaana boos was – op zichzelf, op de wereld, op de andere Verzakers – omdat zij niet in de voorste gelederen zat. Dat kon haar heel gevaarlijk maken.’ Egwene knikte langzaam. Ze is een organisator, dacht ze. Een bestuurder die het verschrikkelijk vond om in die positie teruggezet te zijn. Was dat de reden dat ze in de Toren was gebleven nadat de Zwarte zusters waren ontdekt? Wilde ze een of andere grootse prestatie kunnen leveren voor de Duistere? Verin had gezegd dat de Verzakers één kenmerk met elkaar deelden: hun zelfzucht. Ze wilde hem een gebroken Witte Toren overhandigen, dacht Egwene. Maar dat is mislukt. Ze heeft waarschijnlijk ook meegedaan aan de poging om Rhand te ontvoeren. Alweer een fiasco. En de vrouwen die zijn gestuurd om de Zwarte Toren te verwoesten? Mesaana zou iets werkelijk groots nodig hebben om tegenwicht te bieden aan zoveel mislukkingen. Egwene vermoorden zou genoeg kunnen zijn. Dat zou de Witte Toren misschien weer verdelen. Gawein was ontzet geweest toen ze had gezegd dat ze overwoog zelf het aas in de val te zijn. Durfde ze dat te doen? Ze greep de muur vast, staand boven op de Toren, boven de stad die op haar vertrouwde, uitkijkend over een wereld die haar nodig had. Er moest iets gebeuren. Mesaana moest uit haar tent worden gelokt. Als wat Saerin zei klopte, dan zou die vrouw bereid zijn ronduit te strijden; ze zou zich niet verbergen en konkelen vanuit de schaduwen. Egwenes taak was dus om haar te verleiden met een kans, die niet al te overduidelijk was maar die ze niet kon weerstaan. ‘Kom,’ zei Egwene, en ze liep naar de helling die terugleidde naar de Toren. ‘Ik moet een paar voorbereidingen treffen.’
16
Shanna’har
Faile liep in het afnemende avondlicht door het kamp, op weg naar de tent van de kwartiermeester. Perijn had hun groep verkenners door de Poort naar Cairhien gestuurd; ze zouden pas de volgende morgen terugkeren.
Perijn broedde nog steeds op de kwestie met de Witmantels. In de afgelopen paar dagen hadden de twee legers meerdere brieven uitgewisseld, waarin Perijn hen probeerde te bewegen een tweede, vormeiijker onderhoud aan te gaan, terwijl de Witmantels aandrongen op een veldslag. Faile had Perijn vermanend toegesproken omdat hij stiekem naar die ontmoeting met de Witmantels was gegaan, zonder haar.
Perijn rekte tijd terwijl hij Elyas en de Aiel inlichtingen liet verzamelen over de Witmantels, op zoek naar een manier om hun mensen naar buiten te smokkelen, maar dat was waarschijnlijk geen optie. Hij was erin geslaagd in Tweewater, maar toen was er slechts een handvol gevangenen geweest. Nu waren het er honderden. Perijn kon niet goed omgaan met zijn schuldgevoel. Faile zou straks wel even met hem praten. Ze liep verder door het kamp en ging rechts langs de wapperende banieren boven het gedeelte van de Mayeners. Met haar zal ik me binnenkort ook bezig moeten houden, dacht Faile, kijkend naar Berelains banier. De geruchten over haar en Perijn waren problematisch. Ze had al vermoed dat Berelain in haar afwezigheid iets zou kunnen proberen, maar hem in de nacht haar tent binnenhalen was wel erg vrijpostig.
Faile zou haar volgende stappen uitzonderlijk zorgvuldig moeten nemen. Haar man, zijn volk en zijn bondgenoten waren allemaal in wankel evenwicht. Ze merkte dat ze wenste dat ze haar moeder om raad kon vragen.
Dat schokte haar, en ze bleef even staan op het sleetse pad van vertrapt geel gras en modder. Licht, dacht Faile. Kijk toch eens wat er met me gebeurd is.
Twee jaar geleden was Faile – die toen nog Zarine heette – weggelopen van haar huis in Saldea om Jager naar de Hoorn te worden. Ze had zich verzet tegen haar plichten als oudste dochter en tegen het onderwijs waarvan haar moeder wilde dat ze dat volgde. Ze was niet weggelopen omdat ze een hekel had aan het werk; in feite was ze goed geweest in alles wat er van haar werd vereist. Waarom was ze dan weggegaan? Deels voor het avontuur. Maar deels ook – gaf ze nu pas bij zichzelf toe – vanwege alle aannames. In Saldea deed je altijd wat er van je werd verwacht. Niemand vroeg zich af of je je plicht zou doen, vooral als je familie was van de koningin. En dus... was ze vertrokken. Niet omdat ze nu zo vreselijk vond wat ze zou worden, maar om het feit dat het zo onvermijdelijk leek. Nu was ze hier, en ze gebruikte alle kennis die haar moeder haar destijds wilde bijbrengen.
Faile zou er bijna hardop om gaan lachen. Een heleboel dingen in het kamp zag ze in één oogopslag. Ze zouden binnenkort wat goed leer moeten vinden voor de schoenmakers. Water was geen probleem, want er waren de afgelopen dagen enkele lichte regenbuitjes gevallen, maar droog hout voor de kampvuren begon wel schaars te worden. Een groep vluchtelingen – enkele voormalige natlander-gai’shain die met regelrechte vijandschap naar Perijns Aiel keken – zou aandacht nodig hebben. Onder het lopen keek ze om zich heen om na te gaan of het kamp schoon genoeg was en of de soldaten zichzelf wel goed verzorgden. Sommige mannen bekommerden zich met de allergrootste zorg om hun paarden, maar vergaten vervolgens zelf om gezond – of in ieder geval fatsoenlijk – te eten. Niet te vergeten hun gewoonte om de halve nacht bij het kampvuur te blijven zitten roddelen.
Ze schudde haar hoofd en liep door naar het bevoorradingsgedeelte, waar voedselwagens waren gelost voor de horde koks en dienstmeiden. Het bevoorradingsgedeelte was bijna een dorp op zich, met honderden mensen die snel paden hadden uitgesleten in het modderige gras. Ze kwam langs een groep jongelui met vuile gezichten, bezig kuilen in de grond te graven, toen langs vrouwen die kletsend en neuriënd aardappelen schilden, waar kinderen de schillen verzamelden en in de kuilen gooiden. Er waren niet veel van die kinderen, maar Perijns leger had een aantal gezinnen van het platteland opgepikt die – vanwege de honger – hadden gesmeekt of ze met hen mee mochten.
Dienaren renden met manden vol geschilde aardappelen naar kookpotten, langzaam met water gevuld door jonge vrouwen die heen en weer liepen naar de kreek. Reiskoks bereidden de kooltjes voor het roosteren voor, en oudere koks mengden kruiden tot sauzen die over andere etenswaren konden worden gegoten, eigenlijk de enige manier om zulke grote hoeveelheden eten nog wat smaak te geven. Oudere vrouwen – de weinige oudere vrouwen in het kamp – schuifelden langs met gebogen rug en lichte biezenmanden vol kruiden op hun magere armen, met wapperende omslagdoeken terwijl ze met krassende stemmen kletsten. Soldaten haastten zich het kamp in en uit met gevangen wild. Jongens, tussen kind en man in, verzamelden aanmaakhout. Ze zag een klein groepje van die jongelui, die zich hadden laten afleiden door een spelletje spinnen vangen. Het was een orkaan van verwarring en orde, die naast elkaar bestonden als twee kanten van een munt. Vreemd, hoezeer Faile zich hier thuis voelde. Als ze terugkeek naar hoe ze slechts enkele jaren eerder was geweest, stond ze versteld van het besef dat ze toen een verwend, egocentrisch kind was. De Grenslanden verlaten om Jager naar de Hoorn te worden? Ze had haar plichten, haar huis en haar familie verlaten. Wat was er in vredesnaam in haar hoofd omgegaan? Ze kwam langs enkele vrouwen die graan maalden en liep om een verse lading wilde bosuien heen, die lagen te wachten om in de soep te gaan. Ze was blij dat ze was vertrokken en Perijn had ontmoet, maar dat was geen uitvlucht voor wat ze had gedaan. Met een grimas herinnerde ze zich hoe ze Perijn had gedwongen de saidinwegen te bereizen in de duisternis, alleen. Ze wist niet eens meer waarmee hij haar zo boos had gemaakt, hoewel ze dat nooit aan hem zou toegeven.