Haar moeder had haar een keer een verwend nest genoemd, en ze had gelijk gehad. Haar moeder had er ook op gestaan dat Faile leerde de landgoederen te beheren, en al die tijd had Faile ervan gedroomd te trouwen met een Jager naar de Hoorn en haar leven door te brengen op een plek ver weg van legers en de saaie plichten van edelen.
Het Licht zegene je, Moeder, dacht Faile. Wat zou zij, of Perijn, hebben gedaan zonder al dat onderwijs? Zonder de dingen die haar moeder haar had geleerd, had Faile niets kunnen bijdragen. Het beheer van het hele kamp zou op de schouders van Aravine zijn beland. Hoe capabel de vrouw ook was als Perijns kamphoofd, ze zou dit niet allemaal in haar eentje hebben gered. En dat had ook niemand van haar mogen verwachten.
Faile kwam bij het onderkomen van de kwartiermeester aan, een klein paviljoen te midden van de kookkuilen. De bries voerde een mengeling van geuren aan: vet dat was geschroeid door de vlammen, kokende aardappelen, pepersauzen met knoflook, de vochtige, kleverige geur van aardappelschillen die als voer dienden voor een kleine kudde varkens die ze uit Malden hadden weten mee te nemen. De kwartiermeester, Bavin Rotsdoorn, was een bleke Cairhienin met wat blond door zijn grijzende bruine haar, als de vacht van een hond van gemengd ras. Hij had magere armen en benen en ook zijn borst was niet breed, maar hij had een bijna volmaakt ronde buik. Volgens zeggen was hij al kwartiermeester sinds de Aiel-oorlog, en hij was een deskundige; een meester met evenveel oefening in het toezien op bevoorradingsoperaties als een meester-timmerman in houtbewerking.
Dat betekende natuurlijk ook dat hij een deskundige was in het aannemen van steekpenningen. Toen hij Faile zag, glimlachte en boog hij stijfjes genoeg om vormelijk te zijn, maar zonder opsmuk. ‘Ik ben een eenvoudig soldaat, die zijn plicht doet,’ zei die buiging. ‘Vrouwe Faile!’ riep hij uit, terwijl hij enkelen van zijn bedienden wenkte. ‘U komt de boeken bekijken, neem ik aan?’
‘Ja, Bavin,’ zei ze, hoewel ze wist dat ze daar niets verdachts in zou vinden. Hij was veel te voorzichtig.
Toch bekeek ze vluchtig zijn gegevens. Een van de mannen bracht haar een kruk, een andere kwam met een tafel om de registerboeken op te leggen, en weer een andere voorzag haar van een kop thee. Ze was onder de indruk van hoe keurig de optelsom van alle kolommen klopte. Haar moeder had uitgelegd dat een kwartiermeester vaak slordige aantekeningen maakte, verwees naar andere bladzijden of andere registers, onderscheid maakte tussen soorten proviand en die opdeelde in verschillende boeken, allemaal om het moeilijker te maken exact bij te houden wat er gaande was. Een leider die zich liet bedotten door al die aantekeningen, zou ervan uitgaan dat de kwartiermeester zijn werk wel goed deed.
Daarvan was hier niets te vinden. Wat voor misleiding of nummering Bavin ook gebruikte om zijn diefstallen te verdoezelen, het was bijna magie. En hij stal beslist, of ging althans creatief om met hoe hij zijn voedingsmiddelen uitdeelde. Dat was onvermijdelijk. De meeste kwartiermeesters zagen dat ook niet echt als diefstal; hij had zeggenschap over zijn proviand, punt uit.
‘Wat zijn ze toch merkwaardig,’ zei Faile terwijl ze door het register bladerde. ‘De grillen van het lot.’
‘Vrouwe?’ vroeg Bavin.
‘Hmm? O, niets bijzonders. Alleen dat ze in het kamp van Torven Rikshan hun maaltijden elke avond een goed uur eerder krijgen dan in de andere kampen. Maar dat is vast toeval.’ Bavin aarzelde. ‘Ongetwijfeld, vrouwe.’
Ze bleef door de boeken bladeren. Torven Rikshan was een Cairhiense edele, en hij had de leiding gekregen over een van de twintig kampen binnen de grotere menigte van vluchtelingen. In zijn kamp zat een ongebruikelijk groot aantal edelen. Aravine had dit onder Failes aandacht gebracht; ze wist niet hoeveel Torven had betaald om sneller voedingsmiddelen te ontvangen, maar het kon zo niet doorgaan. De andere kampen konden het gevoel krijgen dat Perijn de een boven de ander stelde.
‘Ja,’ zei Faile, en ze lachte lichtjes. ‘Gewoon toeval. Die dingen gebeuren in een kamp dat zo groot is. Tja, laatst nog klaagde Varkei Tius tegen me dat hij een aanvraag had ingediend voor canvas om gescheurde tenten te herstellen, maar dat hij er al bijna een week op wachtte. Alleen weet ik toevallig dat Soffi Moraton haar tent scheurde tijdens de oversteek van de rivier, en dat die dezelfde avond nog hersteld was.’ Bavin zweeg.
Faile uitte geen beschuldigingen. Haar moeder had haar gewaarschuwd dat een goede kwartiermeester te waardevol was om in de gevangenis te smijten, vooral wanneer zijn opvolger waarschijnlijk maar half zo bekwaam en minstens even onbetrouwbaar zou zijn. Failes taak was niet om Bavin te ontmaskeren of voor gek te zetten. Ze wilde hem alleen zodanig bezorgd maken dat hij zich een beetje inhield.
‘Misschien kun je iets doen aan die onregelmatigheden, Bavin,’ zei ze, en ze sloot het registerboek. ‘Ik wil je liever niet belasten met onzinnige zaken, maar de problemen mogen het oor van mijn echtgenoot niet bereiken. Je weet hoe hij is als hij kwaad wordt.’ Eigenlijk zou Perijn ongeveer even gauw iemand als Bavin kwaaddoen als Faile met haar armen zou flapperen en wegvliegen. Maar zo zag het kamp het niet. Ze hadden gehoord over Perijns woede in de strijd, en over hoe zij zo nu en dan ruzie met hem maakte – door Faile uitgelokt zodat ze een fatsoenlijk twistgesprek konden voeren – en namen aan dat hij vreselijk opvliegend was. Dat was goed, zolang ze hem ook maar zagen als eerzaam en vriendelijk. Beschermend ten opzichte van zijn mensen, maar vol woede jegens diegenen die hem dwarsboomden.
Ze stond op van de kruk en overhandigde de registerboeken aan een van zijn stafleden, een man met krullend haar en inktvlekken op zijn vingers en wambuis. Ze glimlachte naar Bavin en liep zijn deel van het kamp uit. Met ongenoegen merkte ze op dat een bergje wilde bosuien naast het pad was bedorven in de heel korte tijd sinds ze er op de heenweg langs was gekomen. De stengels waren zacht en snotterig geworden, alsof ze al weken in de zon lagen te rotten. Dat voedsel bederf was pas kortgeleden begonnen in het kamp, maar volgens de verslagen gebeurde het veel vaker op het platteland. De tijd viel moeilijk te bepalen nu de hemel zo bewolkt was, maar naar de donker wordende horizon te oordelen was het tijd geworden voor haar ontmoeting met Perijn. Faile glimlachte. Haar moeder had haar gewaarschuwd wat er met haar zou gebeuren, had haar verteld wat er van haar werd verwacht, en Faile was bang geweest dat ze zich opgesloten zou voelen door het leven. Maar wat Deira niet had verteld, was hoeveel voldoening het zou geven. Perijn maakte alle verschil. Het was helemaal geen straf om aan hem vast te zitten.
Perijn steunde met één voet op de stronk van een gevelde boom en keek naar het noorden. Vanaf de heuvel had hij uitzicht over de vlakte naar de kliffen van Garens Muur, die oprezen als de knokkels van een slapende reus.
Hij stelde zijn geest open en tastte ermee naar wolven. Er waren er een paar in de verte, bijna te ver weg om te bespeuren. Wolven bleven weg bij grote verzamelingen mensen.
Het kamp spreidde zich achter hem uit, met langs de omtrekken flakkerende waakvuren. Deze heuvel lag zo ver weg dat ze er alle rust hadden, maar ook weer niet zo ver dat ze geïsoleerd zaten. Hij wist niet zeker waarom Faile hem had gevraagd haar hier bij zonsondergang te ontmoeten, maar ze had een geur van opwinding verspreid, dus hij had niet aangedrongen. Vrouwen stelden prijs op hun geheimen.