Выбрать главу

Hij hoorde Faile tegen de heuvel op komen, geruisloos lopend over het vochtige gras. Ze kon heel stil zijn; niet zo stil als Elyas of een Aiel, maar stiller dan je van haar zou verwachten. Hij rook echter haar geur, zeep met lavendel. Die zeep gebruikte ze alleen op dagen die bijzonder voor haar waren.

Ze kwam boven aan de heuvel aan, mooi en indrukwekkend. Ze droeg een violetkleurig vest over een lang zijden hemd in een lichtere kleur. Waar had ze die kleding vandaan? Hij had dit fraaie stel nog niet eerder gezien.

‘Echtgenoot,’ zei ze terwijl ze naar hem toe liep. Vaag hoorde hij anderen aan de voet van de heuvel; waarschijnlijk Cha Faile. Ze had hen achtergelaten. ‘Je kijkt bezorgd.’

‘Het is mijn schuld dat Gil en de anderen gevangen zijn genomen, Faile,’ zei hij. ‘Mijn mislukkingen blijven zich maar opstapelen. Het is een wonder dat iemand me nog volgt.’

‘Perijn,’ zei ze, en ze legde haar hand op zijn arm. ‘We hebben het hier al over gehad. Je moet zulke dingen niet zeggen.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik je nooit als leugenaar heb gekend,’ zei ze op mild berispende toon.

Hij keek haar aan. Het werd donker, maar hij kon nog steeds bijzonderheden ontwaren. Zij had het ongetwijfeld moeilijker om hem te zien.

‘Waarom blijf je je hiertegen verzetten?’ vroeg ze. ‘Je bent een góéd leider, Perijn.’

‘Ik zou me niet voor hen hebben overgegeven,’ zei hij. Ze fronste haar voorhoofd. ‘Wat heeft dat nou...’

‘In Tweewater,’ vervolgde Perijn, die zich van haar afwendde en weer naar het noorden keek, ‘was ik bereid dat te doen. Toen de Witmantels Marts familie en de Lohans hadden gegrepen, wilde ik me overgeven. Deze keer niet. Zelfs toen ik hun leider sprak, hem vroeg wat zijn prijs was, wist ik dat ik me niet zou overgeven.’

‘Je bent een betere leider aan het worden.’

‘Hoe kun je dat nou zeggen? Ik begin hard te worden, Faile. Als je eens wist wat ik heb gedaan om je terug te krijgen, en waar ik toe bereid zou zijn geweest...’ Hij streelde over de hamer aan zijn middel. De tand of de klauw, Jonge Stier, het maakt niet uit. Hij had de bijl weggegooid, maar kon hij die zijn bruutheid kwalijk nemen? Het was maar een stuk gereedschap. Hij kon met de hamer net zulke verschrikkelijke dingen doen.

‘Het is niet hard of egoïstisch,’ zei Faile. ‘Je bent nu een leider, en je kunt het niet gebruiken als bekend wordt dat groeperingen je kunnen ondermijnen door je mensen gevangen te nemen. Denk je dat koningin Morgase haar troon zou afstaan aan tirannen die haar onderdanen ontvoerden? Zo kan niemand leiding geven. Je onvermogen om kwaadaardige mensen tegen te houden maakt jóu nog niet kwaadaardig.’

‘Ik wil deze mantel niet, Faile. Ik heb hem nooit gewild.’

‘Dat weet ik.’

‘Soms wou ik dat ik nooit uit Tweewater vertrokken was. Ik wou dat ik Rhand zijn lotsbestemming tegemoet had laten gaan en dat hij de gewone mensen had laten doorgaan met hun leven.’ Hij ving een geur van ergernis van Faile op.

‘Maar als ik was gebleven,’ voegde hij er haastig aan toe, ‘dan had ik jou nooit leren kennen. Dus ben ik blij dat ik ben vertrokken. Ik zeg alleen dat ik blij zal zijn als dit allemaal voorbij is en ik kan terugkeren naar een eenvoudige plek.’

‘Denk je dat Tweewater ooit weer zo zal worden als jij het je herinnert?’

Hij aarzelde. Ze had gelijk. Toen ze vertrokken, waren er al tekenen van verandering geweest. Vluchtelingen van de overzijde van de bergen kwamen aan, de dorpen begonnen uit te puilen. Nu zoveel mannen zich bij hem aansloten voor de oorlog, gedachten in hun hoofd kregen over het hebben van een heer...

‘Ik kan een andere plek zoeken,’ zei hij koppig. ‘Er zijn nog meer dorpen. Die veranderen niet allemaal.’

‘En zou je mij dan meeslepen naar zo’n dorp, Perijn Aybara?’ vroeg ze.

‘Ik...’ Wat zou er gebeuren als Faile, zijn mooie Faile, opgesloten zat in een slaperig dorpje? Hij had altijd volgehouden dat hij maar een smid was. Maar was Faile een smidsvrouw? ‘Ik zou jou nooit ergens toe dwingen, Faile,’ zei hij, en hij legde zijn hand tegen haar wang. Hij voelde zich altijd lomp als hij met zijn dikke, eeltige vingers haar satijnzachte huid aanraakte.

‘Ik zou meegaan als je dat echt wilde,’ antwoordde ze. Dat was vreemd. Doorgaans kon hij een snauw van haar verwachten om zijn onhandige tong. ‘Maar is het wat je wilt? Wat je echt wilt?’

‘Ik weet niet wat ik wil,’ zei hij openhartig. Nee, hij wilde Faile niet meeslepen naar een dorp. ‘Misschien... een leven als smid in een stad ergens?’

‘Als jij dat wilt,’ herhaalde ze. ‘Al zou Tweewater dan natuurlijk achterblijven zonder heer. Zij zouden iemand anders moeten zoeken.’

‘Nee. Ze hebben geen heer nódig. Daarom moet ik zorgen dat ze ophouden me als zodanig te behandelen.’

‘Denk je dat ze die gedachte zo snel zouden opgeven?’ vroeg Faile, en ze rook vermaakt. ‘Nadat ze hebben gezien hoe alle anderen het doen? Na de manier waarop ze voor die dwaas van een Luc hebben gekropen? Nadat ze al die mensen van de Almothvlakte hebben verwelkomd, die gewend zijn aan heren?’

Wat zouden de mensen in Tweewater eigenlijk doen als hij aftrad als hun heer? Met een wee gevoel besefte hij dat Faile gelijk had. Ze zouden vast iemand kiezen die het beter zou doen dan ik, dacht hij. Misschien meester Alveren.

Maar kon Perijn daarop vertrouwen? Mannen zoals meester Alveren of Tam weigerden die positie misschien. Kozen ze dan mogelijk iemand als de oude Cen Buin? Zouden ze een keus hebben? Als Perijn aftrad, kon iemand die vond dat hij hooggeboren was dan misschien de macht grijpen?

Doe niet zo stom, Perijn Aybara, dacht hij. Bijna iedereen zou beter zijn dan jij.

Toch vervulde de gedachte dat iemand anders de macht zou overnemen – dat iemand anders heer werd – hem van een ongelooflijke onrust. En een verrassende hoeveelheid verdriet. ‘Zo,’ zei Faile, ‘en nu ophouden met piekeren. Ik heb grootse bedoelingen vanavond.’ Ze klapte driemaal luid in haar handen, en beneden hoorden ze beweging. Even later kwamen dienaren de heuvel op. Perijn herkende ze als mensen die ze om zich heen had verzameld uit de vluchtelingen, een groep die net zo trouw aan haar was als Cha Faile.

Ze hadden een stuk zeildoek bij zich, dat ze op de grond uitspreidden. Toen legden ze daar een deken overheen. En wat rook hij daar voor geur? Ham?

‘Wat is dit, Faile?’ vroeg hij.

‘Aanvankelijk,’ zei ze, ‘nam ik aan dat je iets bijzonders had voorbereid voor onze shanna’har. Maar ik begon zenuwachtig te worden toen je er niets over zei, en dus heb ik wat navraag gedaan. Kennelijk vieren jullie het in Tweewater niet, hoe vreemd dat ook is.’

‘Shanna’har?’ vroeg Perijn, krabbend op zijn hoofd. ‘In de komende weken zijn we één jaar getrouwd,’ zei Faile. ‘Dit is onze eerste shanna’har, onze huwelijksviering.’ Ze sloeg haar armen over elkaar en keek toe terwijl haar bedienden een maaltijd op de deken neerzetten. ‘In Saldea vieren we de shanna’har elk jaar aan het begin van de zomer. Het is een feest om weer een jaar samen te gedenken, weer een jaar waarin man en vrouw niet ten prooi zijn gevallen aan de Trolloks. Jonge stellen wordt verteld dat ze moeten genieten van hun eerste shanna’har, ongeveer net zoals je geniet van de eerste hap van een heerlijke maaltijd. Ons huwelijk is maar één keer nieuw voor ons.’

Toen de maaltijd was klaargezet, zetten de bedienden nog enkele glazen schalen met kaarsen neer. Faile bedankte hen met een glimlach en een handgebaar, en ze liepen de heuvel weer af. Faile had zich overduidelijk moeite getroost om het maal er overdadig uit te laten zien. De deken was geborduurd, misschien geplunderd van de Shaido. Het eten was opgediend op zilveren borden en schotels: ham op een bedje van gekookte gerst met kappertjes erop. Er was zelfs wijn. Faile stapte naar hem toe. ‘Ik besef dat er dit jaar niet veel is geweest om van te genieten. Malden, de Profeet, die strenge winter. Maar als dat de prijs is om bij jou te zijn, Perijn, dan zou ik die gerust tien keer betalen.