Als alles goed was, zouden we elkaar de komende maand geschenken geven, onze liefde bevestigen, onze eerste zomer als man en vrouw vieren. Ik betwijfel of ons de ontspannen maand te wachten staat waar we recht op hebben, maar we kunnen in ieder geval deze avond samen doorbrengen en ervan genieten.’
‘Ik weet niet of ik dat kan, Faile,’ zei hij. ‘De Witmantels, die wolken... Licht! De Laatste Slag zelf is bijna ophanden. De Laatste Slag, Faile! Hoe kan ik lekker gaan zitten eten terwijl mijn mensen gevangen worden gehouden onder dreiging van executie en terwijl de rest van de wereld misschien wel stervende is?’
‘Als de hele wereld stervende is,’ zei Faile, ‘is dat dan niet de tijd waarin iemand tijd móét maken om te genieten van wat hij heeft? Voordat alles wordt weggenomen?’
Perijn aarzelde. Ze legde haar hand op zijn arm, met een heel zachte aanraking. Ze had haar stem niet verheven. Wilde ze dat hij met tegenwerpingen kwam? Het was zo moeilijk te bepalen wanneer ze ruzie zocht en wanneer niet. Misschien kon Elyas hem raad geven. ‘Alsjeblieft,’ zei ze zacht. ‘Probeer je één avond te ontspannen. Voor mij.’
‘Goed dan,’ zei hij, en hij legde zijn hand op de hare. Ze leidde hem naar de deken en ze gingen naast elkaar voor de uitstalling van zilveren schalen zitten. Faile stak nog een paar kaarsen aan. Het was een kille avond; de wolken leken de zomerwarmte weg te trekken. ‘Waarom doen we dit buiten,’ vroeg Perijn, ‘en niet in onze tent?’
‘Ik heb Tam gevraagd wat jullie in Tweewater doen voor shanna’har,’ zei ze. ‘En zoals ik al vreesde, ontdekte ik dat jullie het niet vieren. Dat is behoorlijk primitief, besef je wel, en we zullen het gebruik moeten veranderen zodra alles weer wat rustiger is. Toch zei Tam dat hij en zijn vrouw iets deden wat er wel enigszins op leek. Eenmaal per jaar pakten ze een volledige maaltijd in – zo buitensporig als ze zich konden veroorloven – en gingen ze naar een nieuw plekje in het bos. Ze aten daar en brachten de dag met elkaar door.’ Ze kroop tegen hem aan. ‘Ons huwelijk is op Tweewaterse wijze voltrokken, dus wilde ik dat deze dag ook zo verliep.’ Hij glimlachte. Ondanks zijn eerdere bedenkingen begon zijn spanning af te nemen. Het eten rook lekker en zijn maag knorde. Faile hoorde het, ging rechtop zitten, schepte voor hem op en overhandigde hem het bord.
Perijn viel erop aan. Hij probeerde aan zijn manieren te denken, maar het eten smaakte uitstekend en het was een lange dag geweest. Hij merkte dat hij als een dolle de ham naar binnen schrokte, hoewel hij wel zijn best deed om niet op de mooie deken te morsen. Faile at langzamer, en de geur van vermaak mengde zich met die van haar zeep.
‘Wat is er?’ vroeg Perijn, die zijn mond afveegde. Nu de zon volledig onder was, werd ze alleen verlicht door de kaarsen. ‘Er zit veel wolf in je, echtgenoot.’
Hij verstijfde toen hij in de gaten kreeg dat hij zijn vingers zat af te likken. Hij gromde in zichzelf en pakte een doekje om ze aan af te vegen. Hoeveel hij ook van wolven hield, hij zou ze niet voor de maaltijd uitnodigen. ‘Te veel wolf in me,’ zei hij. ‘Je bent wat je bent, echtgenoot. En ik hou toevallig van wat je bent, dus dat zit wel goed.’
Hij at verder van het stuk ham. Het was een rustige avond. De bedienden hadden zich zo ver teruggetrokken dat hij ze niet kon ruiken of horen. Faile had waarschijnlijk gezegd dat ze niet mochten worden gestoord, en met de bomen onder aan de heuvel hoefden ze zich geen zorgen te maken over nieuwsgierige blikken. ‘Faile,’ zei hij zacht, ‘je moet weten wat ik heb gedaan toen jij een gevangene was. Ik heb dingen gedaan waardoor ik bang werd dat ik zou veranderen in iemand die jij niet langer zou willen. Dan doel ik niet alleen op de overeenkomst met de Seanchanen. Er waren mensen in een stad, So Habor, waar ik maar steeds aan blijf denken. Mensen die ik misschien had moeten helpen. En er was een Shaido, met zijn hand...’
‘Daar heb ik over gehoord. Volgens mij heb je gedaan wat je moest doen.’
‘Ik zou nog veel verder zijn gegaan,’ gaf Perijn toe. ‘En mezelf al die tijd hebben gehaat. Je had het erover dat een leider sterk genoeg moet zijn om zich niet te laten manipuleren. Nou, zo sterk zal ik nooit zijn. Niet als jij bent ontvoerd.’
‘Dan zullen we ervoor moeten zorgen dat ik niet meer word ontvoerd.’
‘Het zou me te gronde richten, Faile,’ zei hij zacht. ‘AI het andere zou ik denk ik wel aankunnen. Maar als ze jou tegen me gebruiken, dan doet niets er meer toe. Ik zou alles doen om je te beschermen, Faile. Alles.’
‘Misschien moet je me dan maar in zachte doeken wikkelen,’ zei ze droogjes, ‘en me in een kamer opsluiten.’ Vreemd genoeg rook ze niet beledigd.
‘Dat zou ik nooit doen,’ zei Perijn. ‘Dat weet je best. Maar dit betekent dat ik een zwakte heb, een verschrikkelijke zwakte. En dat kan een leider zich niet veroorloven.’
Ze snoof. ‘Denk je dat andere leiders geen zwaktes hebben, Perijn? Elke koning of koningin van Saldea heeft die gehad. Nikiol Dianatkhah was een zatlap, hoewel hij bekendstaat als een van onze grootste koningen. Belairah trouwde vier keer en ontdeed zich dan weer van haar man. Haar hart bracht haar telkens in de problemen. Jonasim had een zoon die zoveel gokte dat hij bijna haar Huis te gronde richtte, en Leeuwenfort kon zijn woede niet beheersen als iemand hem uitdaagde. Stuk voor stuk waren het goede monarchen. En allemaal hadden ze hun zwakke punten.’ Perijn bleef peinzend op zijn eten kauwen.
‘In de Grenslanden hebben we een gezegde,’ zei Faile, ‘“Een gewreven zwaard weerspiegelt de waarheid.” Een man kan wel bewéren zijn plichten ijverig uit te voeren, maar als zijn zwaard niet is gewreven, dan weet je dat hij heeft zitten niksen.
Nou, jouw zwaard glanst, echtgenoot. In de afgelopen paar weken bleef je maar zéggen dat je slecht leiding hebt gegeven tijdens mijn gevangenschap. Je wilde me laten geloven dat je het hele kamp naar de afgrond had geleid! Maar dat is helemaal niet waar. Je hebt hun aandacht erbij gehouden; je hebt ze geïnspireerd, een sterke aanwezigheid in stand gehouden en de uitstraling van een heer gehandhaafd.’
‘Een deel daarvan is aan Berelain te danken,’ zei hij. ‘Ik begon al half te denken dat die vrouw me zelf in bad zou stoppen als ik nog een dag langer had gewacht.’
‘Dat zou vast koren op de geruchtenmolen zijn geweest,’ merkte Faile droogjes op.
‘Faile, ik...’
‘Ik bekommer me wel om Berelain,’ zei Faile. Haar stem klonk gevaarlijk. ‘Dat is een taak waar jij je niet mee hoeft te vermoeien.’
‘Maar...’
‘Ik bekommer me wel om haar,’ zei Faile nu op fermere toon. Het was niet verstandig om haar uit te dagen als ze zo rook, als hij tenminste geen ruzie wilde. Ze verzachtte en nam nog een hap gerst. ‘Toen ik zei dat je net een wolf was, echtgenoot, had ik het niet over hoe je eet. Ik had het over hoe je je aandacht verdeelt. Je bent gedreven. Als je een probleem voorgelegd krijgt, hoe groot ook, dan los je het op.
Begrijp je het niet? Dat is een uitstekende eigenschap voor een leider. Het is nu net wat Tweewater nodig zal hebben. Aangenomen, natuurlijk, dat je een vrouw hebt die zich met de kleinere aangelegenheden bezighoudt.’ Ze fronste haar voorhoofd. ‘Ik wou dat je met mij had overlegd over die banier voordat je hem liet verbranden. Het zal nu moeilijk worden hem weer te heffen zonder voor gek te staan.’
‘Ik wil hem niet heffen,’ zei Perijn. ‘Daarom heb ik ze ook allemaal laten verbranden.’
‘Maar waaróm?’
Hij nam nog een hap ham en keek met opzet niet naar haar. Ze rook nieuwsgierig, bijna wanhopig nieuwsgierig.
Ik kan die mensen niet leiden, dacht hij. Niet voordat ik de wolf kan beheersen. Hoe moest hij dat uitleggen? Dat hij bang was voor hoe de wolf in hem de macht overnam als hij vocht, als hij iets te graag wilde?
Hij zou zich niet ontdoen van de wolven; ze waren te zeer deel van hem gaan uitmaken. Maar waar zouden zijn mensen blijven, waar zou Faile blijven, als hij zichzelf verloor aan wat er binnen in hem zat?