Hij herinnerde zich weer een vuil schepsel, ooit een man, opgesloten in een kooi. In hem is niets meer over wat zich nog herinnert een man te zijn geweest...
‘Echtgenoot,’ zei Faile, die een hand op zijn arm legde. ‘Alsjeblieft.’ Ze rook verdrietig. Dat wrong zijn hart. ‘Het heeft met die Witmantels te maken,’ antwoordde Perijn. ‘Wat? Perijn, ik dacht dat ik had gezegd...’
‘Met heeft te maken,’ vervolgde Perijn, ‘met wat er met mij gebeurde toen ik ze voor het eerst tegenkwam. En wat ik in de dagen daarvoor had ontdekt.’
Faile fronste haar voorhoofd.
‘Ik had je verteld dat ik twee Witmantels heb gedood,’ zei hij. ‘Voordat ik jou leerde kennen.’
‘Ja.’
‘Ga maar even rustig zitten,’ zei hij. ‘Je moet het hele verhaal horen.’ En dus vertelde hij het haar. Eerst aarzelend, maar algauw ging het gemakkelijker. Hij sprak over Shadar Logoth, en over de verspreiding van hun groep. Over Egwene die hem de leiding had laten nemen, misschien de eerste keer dat hij daartoe gedwongen was. Hij had haar al verteld over zijn ontmoeting met Elyas. Ze wist veel over Perijn, dingen die hij nog nooit aan iemand anders had verteld, dingen waar hij zelfs nooit met Elyas over had gesproken. Ze wist van de wolf. Ze wist dat hij bang was om zichzelf te verliezen.
Maar ze wist niet wat hij tijdens de strijd ervoer. Ze wist niet hoe het had gevoeld om die Witmantels te doden, hun bloed te proeven; in zijn eigen mond en via zijn band met de wolven. Ze wist niet hoe het was geweest om te worden verteerd door woede, angst en wanhoop toen zij was ontvoerd. Dat waren de dingen die hij haar nu haperend uitlegde.
Hij vertelde hoe dol hij was geworden toen hij naar haar zocht in de wolfsdroom. Hij sprak over Noam en wat hij had gevreesd dat er met hem zou gebeuren. En over wat dat te maken had met hoe hij zelf deed als hij vocht.
Faile luisterde zwijgend, zittend op de heuvel met haar armen om haar benen geslagen, verlicht door kaarsen. Haar geuren waren ingehouden. Misschien had hij wat dingen moeten weglaten. Geen enkele vrouw wilde weten wat voor beest haar man werd als hij anderen doodde, toch? Maar nu hij zijn verhaal deed, wilde hij van al zijn geheimen af. Hij was ze zat.
Elk woord dat hij uitsprak, ontspande hem verder. Het deed wat de maaltijd – hoe roerend die ook was geweest – niet had kunnen doen. Door haar over zijn moeilijkheden te vertellen, viel iets van de last van hem af.
Hij eindigde met te vertellen over Springer. Hij wist niet zeker waarom hij de wolf voor het laatst had bewaard. Springer was onderdeel van veel wat Perijn al had verteld: de Witmantels, de wolfsdroom. Maar het voelde goed om Springer tot het eind te bewaren, dus deed hij dat.
Toen hij klaar was, staarde hij in de vlam van een van de kaarsen. Twee ervan waren uitgegaan, maar andere flakkerden nog. Voor hem was kaarslicht niet zwak. Hij had moeite zich te herinneren hoe zijn leven was geweest toen zijn zintuigen nog net zo beperkt waren als die van gewone mensen.
Faile leunde tegen hem aan en trok zijn arm om haar heen. ‘Dank je,’ zei ze.
Hij slaakte een diepe zucht, leunde tegen de stronk achter hem en voelde haar warmte.
‘Ik wil je vertellen over Malden,’ zei ze.
‘Dat hoef je niet te doen,’ zei hij. ‘Alleen omdat ik...’
‘Stil. Ik heb mijn mond gehouden terwijl jij vertelde. Nu ben ik aan de beurt.’
‘Goed.’
Het had onrustbarend voor hem moeten zijn om te horen over Malden. Hij lag met zijn rug tegen de stronk, de hemel boven hem knetterde van de energie, het Patroon zelf liep het gevaar te ontrafelen, en zijn vrouw vertelde hoe ze was gevangengenomen en geslagen. Maar het was merkwaardig genoeg een van de meest ontspannen ervaringen die hij ooit had gehad.
De gebeurtenissen in die stad waren belangrijk voor haar geweest, misschien zelfs goed voor haar, hoewel hij boos werd toen hij hoorde hoe Sevanna Faile naakt had vastgebonden en de hele nacht buiten had laten liggen. Op een dag zou hij die vrouw opsporen. Maar niet vandaag. Vandaag had hij zijn vrouw in zijn armen, en haar sterke stem was een geruststelling. Hij had moeten beseffen dat ze haar eigen ontsnapping zou regelen. In feite, terwijl hij naar haar zorgvuldige voorbereidingen luisterde, begon hij zich een dwaas te voelen. Ze was bang geweest dat hij het leven zou laten bij een poging haar te redden; dat zei ze niet rechtstreeks, maar hij wist dat ze het bedoelde. Wat kende ze hem toch goed.
Faile liet een paar dingen weg. Dat vond hij niet erg. Zijn vrouw zou als een gekooid dier zijn zonder haar geheimen. Hij kreeg echter aardig wat mee van wat ze verborg. Het had iets te maken met de Broederloze die haar gevangen had genomen, iets met Failes voornemen om de man en zijn vrienden zo gek te krijgen dat ze haar zouden helpen ontsnappen. Misschien had ze enige genegenheid voor hem gevoeld en wilde ze niet dat Perijn betreurde dat hij de man had gedood. Dat was niet nodig. Die Broederloze hoorde bij de Shaido, en die hadden mannen onder Perijns bescherming aangevallen en gedood. Geen enkele goede daad kon dat rechtzetten. Ze hadden hun dood verdiend.
Dat zette hem aan het denken. De Witmantels zeiden waarschijnlijk ongeveer net zoiets over hem. Maar de Witmantels hadden als eerste aangevallen.
Ze was klaar met haar verhaal. Het was inmiddels heel laat, en Perijn reikte naar een bundel die Failes bedienden naar boven hadden gebracht en trok er een deken uit.
‘En?’ vroeg Faile toen hij achterover ging zitten en weer een arm om haar heen legde.
‘Ik ben verbaasd dat je me niet hebt uitgescholden omdat ik als een dolle stier aan kwam stormen en over al je voorbereidingen heen walste.’
Dat ontlokte een tevreden geur aan haar. Het was niet het gevoel dat hij had verwacht, maar hij probeerde al heel lang niet meer te ontcijferen hoe vrouwen dachten.
‘Ik heb overwogen die kwestie vanavond ter sprake te brengen,’ zei Faile, ‘zodat we daar fatsoenlijk over konden ruziën en het fatsoenlijk konden goedmaken.’
‘Waarom heb je dat niet gedaan?’
‘Ik besloot dat deze avond op Tweewaterse wijze moest verlopen.’
‘Denk je dat echtparen in Tweewater geen ruzie maken?’ vroeg hij vermaakt.
‘Nou, misschien wel. Maar jij, echtgenoot, lijkt je altijd slecht op je gemak te voelen als we tegen elkaar schreeuwen. Ik ben heel blij dat je eindelijk voor jezelf begint op te komen, zoals het hoort. Maar ik heb veel van je gevraagd om je aan te passen aan mijn gebruiken. Ik dacht dat ik me vanavond maar eens moest proberen aan te passen aan die van jou.’
Dat waren woorden die hij nooit had verwacht van Faile te zullen horen. Het leek hem het meest persoonlijke wat ze hem ooit had kunnen schenken. Beschamend genoeg voelde hij tranen in zijn ogen, en hij trok haar tegen zich aan.
‘Maar,’ zei ze, ‘ik ben geen volgzaam schaap, moet je weten.’
‘Dat zou ik nooit denken,’ zei hij. ‘Nooit.’ Ze rook tevreden.
‘Het spijt me dat ik er niet voldoende bij heb stilgestaan dat je zelf zou proberen te ontsnappen,’ zei Perijn. ‘Ik vergeef je.’
Hij keek naar haar, naar die prachtige donkere ogen die het kaarslicht weerspiegelden. ‘Betekent dit dat we het kunnen goedmaken zonder dat we ruzie hebben gehad?’
Ze glimlachte. ‘Voor deze ene keer dan. En de bedienden hebben natuurlijk strikte bevelen om te zorgen dat niemand ons stoort.’
Hij kuste haar. Het voelde ontzettend goed, en hij wist dat de zorgen die hij had gehad – en de onbehaaglijkheid die sinds Malden tussen hen had bestaan – nu weg waren. Of het nu echt was geweest of slechts iets in zijn verbeelding, het was er niet meer. Hij had Faile terug, nu echt en volledig.
17
Afscheid en een ontmoeting
De ochtend na de aanval van de gholam ontwaakte Mart stijf en beurs uit dromen zo rot als eieren van een maand oud. Hij had de nacht doorgebracht in een holte onder Aludra’s voorraadwagen, een plek die hij willekeurig had gekozen met behulp van zijn dobbelstenen.