Hij klauterde onder de wagen vandaan, stond op en rolde met zijn schouder, die kraakte. Bloedas. Een van de beste dingen aan geld hebben, was dat je niet in greppels hoefde te slapen. Er waren bedelaars die hun nachten gerieflijker doorbrachten. De wagen rook naar zwavel en poeders. Hij kwam in de verleiding om onder het oliedoek te gluren dat over de achterkant was gespannen, maar dat had toch geen zin. Aludra en haar poedertjes waren ondoorgrondelijk. Zolang de Draken deden wat ze moesten doen, vond Mart het niet erg om niet te weten hoe ze werkten. Nou, niet heel erg, in ieder geval. Niet voldoende om haar tegen de haren in te strijken.
Gelukkig voor Mart was ze niet bij de wagen, anders zou ze toch maar weer gaan klagen dat hij nog geen gieterij voor haar had gevonden. Ze scheen te denken dat hij haar boodschappenjongen was. Een opstandige boodschappenjongen, die weigerde zijn werk fatsoenlijk uit te voeren. De meeste vrouwen waren wel eens zo. Hij liep door het kamp en veegde stukjes stro uit zijn haar. Bijna ging hij op zoek naar Lopin om die een bad te laten vollopen, tot hij zich herinnerde dat Lopin dood was. Bloedas! Arme man.
Gedachten aan die arme Lopin verpestten Marts stemming nog verder terwijl hij naar een plek liep waar hij iets te eten zou kunnen krijgen. Juilin onderschepte hem. De kleine Tyreense dievenpakker droeg zijn platte, tapse hoed en een donkerblauwe jas. ‘Mart,’ zei hij. ‘Is het waar? Heb je de Aes Sedai toestemming gegeven om terug te gaan naar de Toren?’
‘Ze hadden mijn toestemming niet nodig,’ zei Mart grimassend. Als de vrouwen Juilin dat zo hoorden zeggen, zouden ze hem villen en zadelleer maken van zijn huid. ‘Maar ik geef ze wel een paar paarden mee.’
‘Die hebben ze al,’ zei Juilin, kijkend in de richting van de piketlijnen. ‘Ze zeiden dat jij toestemming had gegeven.’ Mart zuchtte. Zijn maag knorde, maar eten zou moeten wachten. Hij liep naar de piketlijnen toe; hij zou moeten zorgen dat de Aes Sedai er niet met zijn beste rijdieren vandoor gingen. ‘Ik heb overwogen of ik met ze mee zal gaan,’ zei Juilin, die met Mart meeliep. ‘Om Thera naar Tar Valon te brengen.’
‘Je mag vertrekken wanneer je wilt,’ zei Mart. ‘Ik zal je hier niet vasthouden.’ Juilin was best een goede kerel. Een beetje stijfjes af en toe. Nou, heel stijfjes. Juilin kon een Witmantel een ontspannen kerel laten lijken. Hij was geen man die je mee wilde hebben als je ging dobbelen; hij zou de hele avond iedereen in de taveerne kwaad aankijken en mompelen over de misdaden die ze ongetwijfeld hadden gepleegd. Maar hij was betrouwbaar, en een goede hulp in lastige situaties.
‘Ik wil het liefst terug naar Tyr,’ zei Juilin. ‘Maar de Seanchanen zijn daar zo dichtbij, en Thera... Het baart haar zorgen. Ze staat ook niet te springen om naar Tar Valon te gaan, maar we hebben niet veel keus, en de Aes Sedai hebben beloofd dat als ik met hen meeging, ze me werk zouden bezorgen in Tar Valon.’
‘Dus we nemen afscheid?’ vroeg Mart, die bleef staan en zich naar hem omdraaide.
‘Voorlopig,’ zei Juilin. Hij aarzelde, en toen stak hij zijn hand uit. Mart pakte hem aan en drukte hem, en toen vertrok de dievenpakker om zijn spullen en zijn vrouw te halen.
Mart dacht even na, veranderde van gedachten en liep naar de kook-tent. Juilin zou de Aes Sedai waarschijnlijk nog wel een tijdje ophouden, en Mart wilde iets halen.
Korte tijd later kwam hij bij de piketlijnen aan, met iets te eten in zijn buik en een in doeken gewikkelde bundel onder zijn arm. De Aes Sedai hadden natuurlijk een buitensporig grote karavaan samengesteld met enkele van zijn beste paarden. Teslyn en Joline schenen ook te hebben besloten dat ze wel een paar lastdieren konden vorderen, en een paar soldaten om alles op de dieren te laden. Mart zuchtte en liep de drukte in, kijkend naar de paarden. Joline zat op Manegloed, een merrie uit de Tyreense stallen, voorheen van een man die Mart had verloren in de gevechten om aan de Seanchanen te ontkomen. De meer ingetogen Edesina had Vuurpluim gekozen en keek af en toe naar twee vrouwen die aan de zijkant stonden. De donkerhuidige Bethamin en de bleke, blonde Seta waren voormalige sul’dam.
De Seanchaanse vrouwen deden erg hun best om hooghartig te kijken terwijl de groep zich verzamelde. Mart sjokte naar hen toe.
‘Hoogheid,’ vroeg Seta, ‘is het waar? Laat u hen zomaar vertrekken?’
‘Ik kan beter van ze af zijn,’ zei Mart, grimassend om hoe ze hem aansprak. Moesten ze nu echt met dat soort woorden smijten alsof het houten penners waren? Hoe dan ook, de twee Seanchaanse vrouwen waren veel veranderd sinds hun aankomst bij de groep, maar ze schenen het nog altijd vreemd te vinden dat Mart de Aes Sedai niet als wapens wilde gebruiken. ‘Gaan jullie mee, of willen jullie hier blijven?’
‘We gaan,’ zei Bethamin vastbesloten. Ze wilde kennelijk heel graag leren.
‘Ja,’ zei Seta, ‘hoewel ik soms denk dat het beter zou zijn om ons gewoon te laten sterven, in plaats van... Nou, wat we zijn, wat we vertegenwoordigen, betekent dat we een gevaar zijn voor het Rijk.’ Mart knikte. ‘Tuon is sul’dam,’ zei hij. De twee vrouwen keken omlaag.
‘Ga met de Aes Sedai mee,’ zei Mart. ‘Ik zal jullie je eigen paarden geven, zodat jullie niet van hen afhankelijk zijn. Leer te geleiden. Dat is nuttiger dan sterven. Misschien kunnen jullie Tuon op een dag van de waarheid overtuigen. Mij helpen een manier te vinden om dit op te lossen zonder dat het Rijk instort.’
De twee vrouwen keken hem ineens met meer zelfvertrouwen aan. ‘Ja, Hoogheid,’ zei Bethamin. ‘Dat is een goed doel voor ons. Dank u, Hoogheid.’
Seta had warempel tranen in haar ogen! Licht, wat dachten ze eigenlijk dat hij hun zojuist had beloofd? Mart trok zich terug voordat ze nog meer zonderlinge gedachten in hun hoofd kregen. Verrekte vrouwen. Toch had hij onwillekeurig medelijden met hen. De ontdekking dat ze konden geleiden, had hen bang gemaakt dat ze een gevaar zouden vormen voor iedereen om hen heen.
Zo voelde Rhand zich ook, dacht Mart. Arme kerel. Zoals altijd wervelden de kleuren toen hij aan Rhand dacht. Hij probeerde dat niet al te vaak te doen, en voordat hij de kleuren kon verjagen, ving hij een glimp op van Rhand die zich stond te scheren voor een mooie vergulde spiegel in een prachtige badruimte.
Mart gaf het bevel om de sul’dam van paarden te voorzien en liep toen naar de Aes Sedai. Thom was aangekomen en wandelde naar hem toe. ‘Licht, Mart,’ zei hij. ‘Je ziet eruit alsof je met een doornstruik hebt gevochten en hebt verloren.’
Mart voelde aan zijn haar, dat er waarschijnlijk niet uitzag. ‘Ik heb de nacht overleefd, en de Aes Sedai vertrekken. Ik zou bijna de horlepiep dansen.’
Thom snoof. ‘Wist je dat die twee met hen meegingen?’
‘De sul’dam? Ik vermoedde het.’
‘Nee, dié twee.’ Hij wees.
Mart draaide zich om en fronste toen hij Leilwin en Baile Domon zag komen aanrijden. Hun bezittingen waren ingepakt achter op hun paarden. Leilwin – voorheen Egeanin – was ooit een Seanchaanse edelvrouwe geweest, maar Tuon had haar van haar naam ontdaan. Ze droeg een gewaad met een split in de rok, in een ingetogen grijstint. Haar donkere haar was langer geworden en hing nu over haar oren. Ze liet zich uit het zadel glijden en beende in Marts richting. ‘Het Licht mag me branden,’ zei Mart tegen Thom. ‘Als ik ook van haar afkom, zou ik bijna gaan denken dat het leven me eindelijk eens eerlijk gaat behandelen.’
Domon volgde haar toen ze naderden. Hij was haar so’jhin. Of... kon hij nog wel so’jhin zijn, nu zij geen titel meer had? Hoe dan ook, hij was haar man. De Illianer was een stevige, sterke kerel. En hij was ook niet onaardig, behalve wanneer hij bij Leilwin was. En dat was hij altijd.
‘Cauton,’ zei ze terwijl ze naar hem toe stapte. ‘Leilwin,’ antwoordde hij. ‘Vertrek je?’
‘Ja.’
Mart glimlachte. Zo meteen ging hij echt dat dansje doen! ‘Ik heb altijd de bedoeling gehad naar de Witte Toren te gaan,’ vervolgde ze. ‘Dat heb ik besloten op de dag dat ik uit Ebo Dar wegging. Als de Aes Sedai vertrekken, dan ga ik met hen mee. Het is altijd verstandiger om je met je schip bij een konvooi aan te sluiten als de mogelijkheid zich voordoet.’