‘Het spijt me je te zien gaan,’ loog Mart, en hij tikte tegen zijn hoed.
Leilwin was zo taai als een honderdjarige eik waar de stukken bijl nog inzaten van de mannen die zo stom waren geweest om te proberen hem om te hakken. Als haar paard een hoefijzer verloor op de weg naar Tar Valon, zou ze het beest waarschijnlijk over haar schouder slingeren en het de rest van de weg dragen. Maar ze mocht Mart niet, ondanks alles wat hij had gedaan om haar te redden. Misschien was het omdat hij haar niet de leiding had laten nemen, of misschien omdat ze een tijdje gedwongen was geweest zich voor te doen als zijn geliefde. Nou, daar had hij ook niet bepaald van genoten. Net alsof je een zwaard bij de kling vasthield en moest doen alsof het geen pijn deed. Maar het was wél leuk geweest om haar te zien lijden. ‘Het ga je goed, Martrim Cauton,’ zei Leilwin. ‘Ik benijd je niet om de plek waar je jezelf hebt neergezet. Ergens denk ik dat de wind die jou draagt misschien nog wel sterker is dan die mij de laatste tijd heeft voort geblazen.’ Ze knikte naar hem en draaide zich om. Domon legde zijn hand op Marts arm. ‘Je hebt gedaan wat je had beloofd, mijn oude grootmoeder zij gezegend! Het was een hotsende rit, maar je hebt het gedaan. Mijn dank.’
Ze liepen samen weg. Mart schudde zijn hoofd, wuifde naar Thom en liep naar de Aes Sedai toe. ‘Teslyn,’ zei Mart. ‘Edesina. Joline. Gaat alles goed?’
‘Ja,’ antwoordde Joline.
‘Mooi, mooi,’ zei Mart. ‘Hebben jullie voldoende lastdieren?’
‘Het voldoet wel, meester Cauton,’ zei Joline. Toen, met een bedekte grimas, voegde ze eraan toe: ‘Dank je voor de paarden.’ Mart glimlachte breed. Wat was het toch vermakelijk om te horen hoe ze probeerde zich eerbiedig te gedragen! Ze had kennelijk verwacht dat Elayne haar en de anderen met open armen zou verwelkomen, niet dat ze werden weggestuurd bij het paleis zonder een audiëntie te krijgen.
Joline keek Mart aan, met haar volle lippen opeen geperst. ‘Ik had je graag willen temmen, Cauton,’ zei ze. ‘Ik heb nog altijd de neiging om op een dag terug te keren om te zorgen dat dat fatsoenlijk gebeurt.’
‘Daar zal ik dan maar ademloos op wachten,’ antwoordde hij, en hij haalde het in stof gewikkelde bundeltje onder zijn arm vandaan. Hij gaf het aan haar.
‘Wat is dit?’ vroeg ze, zonder ernaar te reiken.
Mart schudde ermee. ‘Afscheidsgeschenk,’ zei hij. ‘Waar ik vandaan kom, laat je een reiziger nooit vertrekken zonder iets voor onderweg. Dat zou onbeleefd zijn.’
Aarzelend pakte ze het bundeltje aan en gluurde erin. Ze was overduidelijk verbaasd te zien dat er twaalf zoete broodjes met poedersuiker in zaten. ‘Dank je,’ zei ze fronsend.
‘Ik stuur soldaten met jullie mee,’ zei Mart. ‘Die brengen mijn paarden weer terug zodra jullie in Tar Valon zijn.’ Joline deed haar mond open alsof ze wilde klagen, maar toen sloot ze hem weer. Wat kon ze ertegen inbrengen?
‘Dat is wel aanvaardbaar, Cauton,’ zei Teslyn, die haar zwarte ruin dichterbij bracht.
‘Ik zal ze opdragen te doen wat jullie zeggen,’ zei Mart, die zich tot haar wendde. ‘Dan hebben jullie in ieder geval iemand om te commanderen en jullie tenten op te laten zetten. Maar er is een voorwaarde aan verbonden.’ Teslyn trok haar wenkbrauw op.
‘Ik wil dat jullie de Amyrlin iets zeggen,’ zei hij. ‘Als het Egwene is, zou dat gemakkelijk moeten zijn. Maar zelfs al valt het je niet makkelijk, dan nog moeten jullie het haar zeggen. De Witte Toren heeft iets wat van mij is, en het is bijna tijd dat ik het kom ophalen. Ik wil het niet, maar wat ik wil schijnt tegenwoordig toch niks uit te maken. Dus ik kom eraan, en ik laat me verdomme niet wegsturen.’ Hij glimlachte. ‘Gebruik die exacte woorden.’
Teslyn, moest hij haar nageven, grinnikte zachtjes. ‘Ik zal het doen, hoewel ik betwijfel of de geruchten waar zijn. Elaida heeft heus de Amyrlin Zetel niet opgegeven.’
‘ Je kan nog wel eens verrast worden.’ Mart was in ieder geval wel verrast geweest toen hij vrouwen naar Egwene had horen verwijzen als de Amyrlin. Hij wist niet wat er in de Witte Toren was gebeurd, maar hij had het weeë gevoel dat de Aes Sedai die arme Egwene zo stevig in hun gekonkel hadden gewikkeld dat ze nooit meer zou kunnen ontsnappen. Hij had de neiging er zelf naartoe te rijden om te kijken of hij haar er weg kon krijgen.
Maar hij had andere dingen te doen. Egwene zou zich voorlopig zelf moeten redden. Ze was een vaardige meid; ze kon het waarschijnlijk nog wel even zonder hem stellen.
Thom stond naast hem en keek peinzend. Hij wist niet zeker of Mart op de Hoorn had geblazen; althans, Mart had het hem nooit verteld. Mij probeerde dat stomme ding te vergeten. Maar Thom had het waarschijnlijk wel geraden.
‘Nou, dan moesten jullie maar eens gaan,’ zei Mart. ‘Waar is Setalle?’
‘Zij blijft hier,’ zei Teslyn. ‘Ze wil voorkomen dat je te veel misstappen begaat, zegt ze.’ Ze trok haar wenkbrauw op, en Joline en Edesina knikten wijs. Ze namen allemaal aan dat Setalle een weggelopen bediende uit de Witte Toren was, misschien als meisje gevlucht vanwege een of andere wandaad.
Dat betekende dus dat hij niet van de hele groep verlost zou zijn. Maar toch, als hij al iemand had moeten kiezen om achter te blijven, dan zou het vrouw Anan zijn geweest. Ze wilde waarschijnlijk proberen haar man en familie terug te vinden, die per schip uit Ebo Dar waren gevlucht.
Juilin kwam aanlopen met Thera. Was dat angstige, spichtige vrouwtje werkelijk de Panarch van Tarabon geweest? Mart had muizen gezien die minder verlegen waren. Marts soldaten brachten paarden voor hen beiden. Al met al kostte dit uitstapje hem zo’n veertig dieren en een rij soldaten. Maar het zou de moeite waard zijn. Bovendien nam hij zich voor om zowel de mannen als de paarden terug te krijgen; samen met inlichtingen over wat er werkelijk gaande was in Tar Valon.
Hij knikte naar Vanin. De dikbuikige paardendief was niet al te blij geweest toen Mart hem had bevolen mee te gaan naar Tar Valon om gegevens te verzamelen. Mart had eigenlijk verwacht dat hij buiten zinnen van blijdschap zou zijn, gezien hoe verzot hij was op de Aes Sedai. Nou, hij zou nog minder blij zijn als hij ontdekte dat Juilin meeging; Vanin gedroeg zich altijd behoedzaam in de buurt van de dievenpakker.
Vanin besteeg een vosruin. Voor zover de Aes Sedai wisten, was hij een hooggeplaatste Roodarm en een van Marts veldverkenners, maar geen verdachte man. Hij zag er niet erg dreigend uit, behalve misschien als gevaar voor een kom gekookte aardappelen. Daarom was hij waarschijnlijk ook zo goed in wat hij deed. Mart hoefde geen paarden gestolen te hebben, maar Vanins vaardigheden kon je ook voor andere taken inzetten.
‘Nou,’ zei Mart, die zich weer tot de Aes Sedai wendde, ‘dan zal ik jullie maar niet langer ophouden.’ Hij stapte achteruit zonder Joline aan te kijken; de roofdierachtige blik in haar ogen deed hem veel te veel denken aan Tylin. Teslyn zwaaide en, opmerkelijk genoeg, Edesina knikte eerbiedig naar hem. Juilin zwaaide ook naar hem en Thom, en Mart kreeg een knikje van Leilwin. Die vrouw kauwde bij het ochtendmaal op kiezels en at spijkers bij het avondmaal, maar ze was wel eerlijk. Misschien kon hij eens met Tuon praten, haar in haar rang terug laten zetten of zoiets.
Doe niet zo stom, dacht hij, en hij zwaaide naar Baile Domon. Eerst zul je Tuon ervan moeten overtuigen dat ze geen da’covale van je maakt. Hij was er half van overtuigd dat ze zich had voorgenomen een dienaar van hem te maken, echtgenoot of niet. Bij de gedachte daaraan brak het zweet hem uit.
Even later keken ze naar een stofwolk op de weg. Thom kwam naast Mart staan en keek de ruiters na. ‘Zoete broodjes?’
‘Een gebruik bij ons in Tweewater.’
‘Nooit van gehoord.’
‘Het is vrij onbekend.’
‘Ach, op die manier. En wat heb je met die broodjes uitgespookt?’
‘Stofkruid,’ zei Mart. ‘Dat maakt haar mond een week lang blauw, of misschien wel twee. En ze zal die broodjes met niemand delen, behalve misschien met haar Zwaardhanden. Joline is verslaafd aan die dingen. Ze moet er wel zeven of acht zakken van hebben leeggegeten sinds we in Caemlin zijn aangekomen.’