Выбрать главу

‘Fraai,’ zei Thom, die met zijn knokkels over zijn snor streek. ‘Maar wel een beetje kinderachtig.’

‘Ik probeer terug te keren naar mijn wortels,’ zei Mart. ‘Je weet wel, iets van mijn verloren jeugd te doen herleven.’

‘Je bent amper twintig winters oud!’

‘Jawel, maar ik heb veel geleefd toen ik jonger was. Kom mee. Vrouw Anan blijft hier, en ik heb een ingeving.’

‘Je moet je nodig scheren, Martrim Cauton.’ Vrouw Anan sloeg haar armen over elkaar terwijl ze hem aankeek.

Hij voelde aan zijn gezicht. Lopin had dat altijd gedaan, elke morgen. De man was altijd zo chagrijnig geworden als een hond in de regen als Mart hem dergelijke dingen niet liet doen, maar de laatste tijd had Mart zijn baard laten staan om minder op te vallen. De stoppels jeukten nog altijd als een korst van een week oud. Hij had Setalle bij de bevoorradingstenten aangetroffen, waar ze toezicht hield op het middagmaal. Soldaten van de Bond zaten op hun hurken en hakten groenten of stoofden bonen, met de schichtige blikken van mannen die strenge instructies hadden gekregen. Setalle was hier niet nodig; de koks van de Bond hadden zonder haar ook altijd maaltijden klaargemaakt. Maar een vrouw deed niets liever dan mannen opsporen die zich ontspanden en die dan bevelen geven. Bovendien was Setalle vroeger herbergierster geweest en – opmerkelijk genoeg – ook Aes Sedai. Mart had haar vaak toezicht zien houden op dingen waarbij geen toezicht nodig was.

Niet voor het eerst wenste hij dat Tuon nog bij hem was. Setalle had vaak Tuons kant gekozen, maar haar omgang met de Dochter van de Negen Manen had haar meestal druk beziggehouden. Niets was gevaarlijker voor het gezonde verstand van mannen dan een vrouw met te veel vrije tijd.

Setalle droeg nog altijd kleding in de Ebo Daraanse snit, wat Mart wel beviel, vanwege die lage halslijnen. De kleding stond bijzonder goed bij een vrouw die zo rondborstig was als Setalle. Niet dat hij daar op lette. Ze droeg gouden ringen in haar oren, had een statige houding en grijs in haar haren. Het trouwmes met edelstenen om haar hals leek een soort waarschuwing te zijn, zoals het tussen haar borsten hing. Niet dat Mart dat natuurlijk opmerkte. ‘Die baard laat ik met opzet staan,’ zei Mart op haar uitspraak. ‘Ik wil...’

‘Je jas is vuil,’ zei ze, knikkend naar een soldaat die haar een paar gepelde uien kwam brengen. Schaapachtig schraapte hij ze in een pan, zonder naar Mart te kijken. ‘En je haar is een puinhoop. Je ziet eruit alsof je hebt geknokt in een kroeg, en het is nog niet eens noen.’

‘Het gaat best,’ zei Mart. ‘Ik knap me later wel op. Je bent niet met de Aes Sedai meegegaan.’

‘Elke stap naar Tar Valon zou me verder wegbrengen van de plaats waar ik moet zijn. Ik moet bericht sturen aan mijn man. Toen we uiteengingen, had ik nooit vermoed dat ik nota bene in Andor zou belanden.’

‘Ik denk dat ik misschien binnenkort toegang krijg tot iemand die Poorten kan maken,’ zei Mart. ‘En ik...’ Hij fronste toen er nog een groep soldaten met een paar kleine kwartels naderde. De soldaten leken zich te schamen voor hun magere vangst. Setalle beval hun de vogels te plukken zonder ook maar een blik op Mart te werpen. Licht, hij moest haar zijn kamp uit krijgen. Het zou hier pas weer gewoon worden als ze allemaal weg waren. ‘Kijk me niet zo aan, heer Mart,’ zei Setalle. ‘Noram is de stad in gegaan om te kijken wat voor voedingsmiddelen hij kon vinden. Ik heb gemerkt dat als de kok hier zelf niet is om de mannen aan het werk te zetten, de maaltijden veel te veel tijd kosten. We vinden het niet allemaal best om ons middagmaal pas bij zonsondergang te krijgen.’

‘Ik zei helemaal niks,’ zei Mart, die zijn stem vlak hield. Hij knikte opzij. ‘Kunnen we even praten?’

Setalle aarzelde, maar toen knikte ze en liep samen met hem bij de anderen weg. ‘Wat is er echt aan de hand?’ vroeg ze zacht. ‘Je ziet eruit alsof je onder een hooiberg hebt geslapen.’

‘Onder een wagen, eigenlijk. Mijn tent ligt vol bloed. Ik kijk er niet bepaald naar uit om me daar nu te gaan omkleden.’ Haar blik verzachtte. ‘Ik begrijp je verlies. Maar dat is nog geen uitvlucht om rond te lopen alsof je in een steeg woont. Je zult een andere bediende moeten aannemen.’

Mart keek haar boos aan. ‘Ik heb er nooit een nodig gehad. Ik kan best voor mezelf zorgen. Luister, ik wil je een gunst vragen. Ik wil dat je een tijdje op Olver past.’

‘Met welk doel?’

‘Dat monster komt misschien terug,’ zei Mart, ‘en zal dan mogelijk proberen hem iets aan te doen. Bovendien vertrek ik binnenkort met Thom. Ik kom misschien terug... Ik zou als het goed is terug moeten komen. Maar zo niet, dan... Nou, dan heb ik liever dat hij niet alleen achterblijft.’

Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Hij zou niet alleen zijn. De mannen in het kamp schijnen dol op dat kind te zijn.’

‘Jawel, maar de dingen die ze hem leren staan me niet aan. Die jongen heeft een beter voorbeeld nodig dan dat stel.’ Dat scheen haar om een of andere reden te vermaken. ‘Ik ben al begonnen hem te leren lezen. Ik kan wel een tijdje op hem passen, als het nodig is.’

‘Geweldig. Fijn.’ Mart slaakte een opgeluchte zucht. Vrouwen waren altijd blij met de kans om een jongen te onderwijzen als hij nog jong was; Mart dacht dat ze aannamen dat ze hem, als ze maar genoeg hun best deden, wel konden afleren een man te worden. ‘Ik zal je wat geld geven. Dan kun je in de stad op zoek naar een herberg.’

‘Ik ben al in de stad geweest,’ zei Setalle. ‘Alle herbergen daar schijnen vol te zitten.’

‘Ik vind wel een plekje voor jullie,’ beloofde Mart. ‘Zorg gewoon dat Olver veilig is. Als de tijd daar is en ik iemand heb om Poorten te maken, zal ik je naar Illian laten sturen zodat je op zoek kunt naar je man.’

‘Afgesproken,’ zei Setalle. Ze aarzelde en keek naar het noorden.

‘Dus... de anderen zijn weg?’

‘Ja.’ En opgeruimd staat netjes, dacht hij.

Ze knikte met een spijtige blik. Misschien had ze zijn mannen niet lopen commanderen bij het middagmaal omdat ze beledigd was geweest dat ze zaten te niksen. Misschien was ze op zoek geweest naar iets om zichzelf mee bezig te houden.

‘Het spijt me,’ zei Mart. ‘Van wat er dan ook met je gebeurd is.’

‘Het verleden ligt achter ons,’ antwoordde ze. ik moet het laten rusten. Ik had nooit moeten vragen of ik die hanger mocht zien die je draagt. In de afgelopen weken ben ik mezelf vergeten.’ Mart knikte, liet haar achter en ging op zoek naar Olver. En daarna zou hij toch echt eens een andere jas moeten aantrekken. En het Licht verzenge hem, hij zou zich ook gaan scheren. De mannen die hem zochten, mochten hem vermoorden als ze wilden. Een doorgesneden keel zou beter zijn dan die rotjeuk.

Elayne wandelde door de Dageraadtuin van het paleis. Deze kleinere tuin boven op het dak van de oostvleugel van het paleis was altijd een van de lievelingsplekjes van haar moeder geweest. Hij was omringd met een ovaal van wit steenwerk, met een hogere, gebogen muur aan de achterzijde.

Ze had een goed uitzicht over de stad beneden. Vroeger gaf Elayne de voorkeur aan de lagere tuinen, juist omdat ze een toevluchtsoord waren. In die tuinen had ze Rhand voor het eerst ontmoet. Ze drukte haar hand tegen haar buik. Hoewel ze zich reusachtig voelde, begonnen de eerste tekenen van haar zwangerschap pas net zichtbaar te worden. Helaas zou ze een heel nieuw stel gewaden moeten laten maken. En dat zou ze in de komende maanden waarschijnlijk nog wel een keer moeten doen. Wat een gedoe.

Elayne liep verder door de daktuin. Roze sneeuwbellen en witte morgensterren bloeiden in potten. De bloesems waren niet zo groot als ze hadden moeten zijn, en ze verwelkten nu alweer. De hoveniers hadden geklaagd dat niets hielp. Buiten de stad stierven hele velden vol gras en onkruid, en de lappendeken van akkers en gewassen zag er mistroostig bruin uit.