Het komt er écht aan, dacht Elayne. Ze liep verder over een pad van verend gras, dat met zorg kort werd gehouden. De hoveniers boekten wel enige vooruitgang. Het gras hier was grotendeels groen, en de lucht geurde naar de rozen die tegen de zijkanten van de muur op groeiden. Er zaten wel bruine vlekken op, maar ze hadden in ieder geval gebloeid.
Een klaterend stroompje liep midden door de tuin, tussen zorgvuldig geplaatste rivierkeien door geleid. Het water stroomde alleen als zij hier was; water moest omhoog worden gedragen naar het verzamelvat.
Elayne bleef bij een ander uitkijkpunt staan. Een koningin kon zich niet zomaar afzonderen zoals een Erfdochter. Birgitte kwam naar haar toe, gekleed in een rode jas. Ze sloeg haar armen over elkaar en keek Elayne berispend aan.
‘Wat is er?’ vroeg Elayne.
‘Je loopt vol in het zicht,’ zei Birgitte. iedereen daarbeneden met een boog en een scherp oog zou het hele land weer terug kunnen werpen in de Opvolgingsoorlog.’
Elayne sloeg haar ogen ten hemel, ik ben veilig, Birgitte. Er gebeurt me niets.’
‘O, mijn verontschuldigingen dan,’ zei Birgitte vlak. ‘De Verzakers zijn op vrije voeten en kwaad op je, de Zwarte Ajah is ongetwijfeld woest dat je hun agenten gevangen hebt genomen, en je hebt meerdere edelen vernederd die hebben geprobeerd je de troon te ontworstelen. Uiteraard ben je in geen enkel gevaar. Nou, dan ga ik maar eens een hapje eten.’
‘Doe dat maar,’ snauwde Elayne. ‘Want ik ben wél veilig. Min heeft een visioen gehad. Mijn kindertjes komen gezond ter wereld. Min heeft het nooit mis, Birgitte.’
‘Min zei dat je kinderen sterk en gezond zouden zijn,’ zei Birgitte. ‘Niet dat jij gezond zou zijn als ze kwamen.’
‘Hoe moeten ze anders ter wereld komen?’
‘Ik heb mensen zo’n harde klap op hun hoofd zien krijgen dat ze nooit meer de oude werden, meisje,’ zei Birgitte. ‘Sommigen leefden nog jaren, maar spraken nooit meer een woord en moesten gevoerd worden en leven met een bedsteek. Zelfs als je een arm of twee kwijtraakt, dan kun je nog altijd gezonde kinderen op de wereld zetten. En hoe zit het met de mensen om je heen? Denk je niet aan het gevaar waaraan je hen kunt blootstellen?’
‘Ik vind het vreselijk van Vandene en Sareitha,’ zei Elayne. ‘En van de mannen die zijn gesneuveld om mij te redden. Waag het niét om te zeggen dat ik me daar niet verantwoordelijk voor voel! Maar een koningin moet bereid zijn de last te aanvaarden dat anderen sterven in haar naam. We hebben het hier al over gehad, Birgitte. We waren het erover eens dat ik nooit had kunnen weten dat Chesmal en de anderen zo zouden aankomen.’
‘We waren het erover ééns,’ zei Birgitte met opeengeklemde tanden, ‘dat het geen zin had om nog verder te redetwisten. Maar je moet niet vergeten dat er nog altijd heel veel mis kan gaan.’
‘Dat gebeurt niet,’ herhaalde Elayne, uitkijkend over de stad. ‘Mijn kinderen zullen veilig zijn, en dat betekent dat ik ook veilig ben. We hebben in ieder geval nog totdat zij geboren worden.’ Birgitte slaakte een geërgerde zucht. ‘Dom, koppig...’ Ze liet haar stem wegsterven toen een van de wachtvrouwen in de buurt wuifde om haar aandacht te trekken. Twee vrouwen van de Kinne stapten het dak op. Elayne had hun gevraagd haar hier te ontmoeten. Birgitte vatte post bij een van de kersenboompjes en kruiste haar armen. De twee Kinsvrouwen droegen onversierde gewaden, Sumeko in het geel, Alise in het blauw. Alise was de kleinste van de twee, met grijs in haar bruine haar. Zij was minder sterk in de Kracht, dus ze was niet zo traag ouder geworden als Sumeko. Beide vrouwen liepen de laatste tijd met meer veerkracht in hun tred. Er waren geen andere Kinsvrouwen verdwenen of vermoord; Careane had al die tijd achter de moorden gezeten. Een lid van de Zwarte Ajah, dat zich te midden van hen had verborgen. Licht, maar die gedachte bezorgde Elayne kippenvel!
‘Majesteit,’ zei Alise met een knicks. Ze sprak met een kalme, zachte stem en een lichte Tarabonse tongval.
‘Majesteit,’ zei Sumeko ook, en ze deed de knicks van haar metgezel na. De twee betoonden zich deemoedig; tegenover Elayne meer dan tegenover andere Aes Sedai, tegenwoordig. Nynaeve had de Kinne in het geheel een ruggengraat gegeven met betrekking tot de Aes Sedai en de Witte Toren, hoewel Alise nooit op Elayne was overgekomen alsof ze dat nodig had.
Tijdens het beleg was Elayne de houding van de Kinsvrouwen met ergernis gaan bezien. De laatste tijd had ze zich echter bedenkingen gemaakt. Ze waren bijzonder nuttig voor haar geweest. Hoe ver zou hun pas gevonden doortastendheid hen brengen? Elayne knikte om beurten naar elk van de Kinne en gebaarde toen naar drie stoelen, die in de schaduw van de afhangende takken van de kersenbomen waren gezet. De drie namen plaats rechts van het kronkelende stroompje. Er stond muntthee klaar. De andere twee namen elk een kom, maar zorgden er wel voor dat ze er gulle hoeveelheden honing aan toevoegden. Tegenwoordig smaakte thee zonder honing verschrikkelijk.
‘Hoe gaat het met de Kinne?’ vroeg Elayne.
De twee vrouwen keken elkaar even aan. Verdorie. Elayne deed te vormelijk tegen ze. Ze wisten dat er iets aan de hand was. ‘Het gaat ons goed, Majesteit,’ zei Alise. ‘De meeste vrouwen schijnen niet meer zo bang te zijn. Althans, degenen die zo verstandig waren om bang te zijn. Ik neem aan dat de vrouwen die niet bang waren, in hun eentje zijn vertrokken en nu niet meer leven.’
‘Het is ook fijn om niet meer zoveel tijd te hoeven besteden aan Heling,’ merkte Sumeko op. ‘Het werd erg vermoeiend. Zoveel gewonden, dag na dag.’ Ze trok een grimas.
Alise stond steviger in haar schoenen. Ze nipte met een mild gezicht van haar thee. Niet kalm en verstijfd zoals een Aes Sedai. Bedachtzaam en warm, maar behoudend. Dat was het voordeel dat deze vrouwen hadden ten opzichte van de Aes Sedai: ze werden niet met zoveel argwaan bekeken, aangezien ze geen rechtstreekse banden met de Witte Toren hadden. Maar ze hadden ook niet het gezag ervan. ‘Jullie merken wel dat ik jullie iets wil vragen,’ zei Elayne, die Alises blik ontmoette.
‘O ja?’ vroeg Sumeko verbaasd. Misschien schatte Elayne haar te hoog in.
Alise knikte moederlijk. ‘U hebt veel van ons gevraagd sinds we hier zijn, Majesteit, maar niet meer dan waar ik vond dat u recht op had. Tot nog toe.’
‘Ik heb geprobeerd jullie welkom te heten in Caemlin,’ zei Elayne. ‘Aangezien ik besef dat jullie nooit meer naar huis kunnen, althans niet zolang de Seanchanen in Ebo Dar heersen.’
‘Dat is waar,’ beaamde Alise. ‘Maar je kunt Ebo Dar moeilijk ons thuis noemen. Het was alleen maar een plek waar we ons toevallig bevonden. Niet zozeer een thuis als wel een noodzaak. Veel van ons verbleven toch alleen af en aan in de stad, om niet op te vallen.’
‘Hebben jullie al besloten waar jullie willen gaan wonen?’
‘We gaan naar Tar Valon,’ zei Sumeko snel. ‘Nynaeve Sedai zei...’
‘Ik ben ervan overtuigd dat er voor enkelen van jullie daar plaats zal zijn,’ viel Elayne haar in de rede. ‘Degenen die Aes Sedai willen worden. Egwene zal graag een tweede kans bieden aan elke Kinsvrouw die nog een poging wil wagen de stola te verkrijgen. Maar hoe zit het met de anderen?’
‘We hebben het hierover gehad,’ zei Alise behoedzaam en met samengeknepen ogen. ‘We willen een samenwerkingsverband aangaan met de Toren, als plek waar Aes Sedai zich kunnen terugtrekken.’
‘Maar jullie willen toch niet naar Tar Valon verhuizen? Wat voor nut hebben de Kinne als plek om je uit de politiek van de Aes Sedai terug te trekken, als ze zich zo dicht bij de Witte Toren ophouden?’
‘We hadden aangenomen dat we hier zouden blijven,’ antwoordde Alise.
‘Dat nam ik ook aan,’ zei Elayne voorzichtig. ‘Maar aannames zijn zwak. Ik wil jullie in plaats daarvan beloften bieden. Als jullie immers in Caemlin blijven, zie ik geen reden om jullie niet rechtstreeks de steun van de Kroon aan te bieden.’
‘ Tegen welke prijs?’ vroeg Alise. Sumeko keek met een verwarde frons toe.
‘Niet zo’n hoge,’ antwoordde Elayne. ‘Eigenlijk helemaal geen prijs.