Выбрать главу

Wat ze echter niet had, waren geleiders die ze voor de strijd kon inzetten. Ze wist dat ze dat niet van de Kinne kon vragen. Ze zouden er nooit mee instemmen, en Egwene ook niet. En Elayne zelf ook niet. Als ze vrouwen zou dwingen de Kracht als wapen te gebruiken, zou ze net zo erg zijn als de Seanchanen.

Helaas wist Elayne maar al te goed hoeveel verwoesting vrouwen met de Ene Kracht konden zaaien. Ze had vastgebonden gezeten in een wagen toen Birgitte de aanval leidde op de Zwarte Ajah die haar hier in Caemlin had ontvoerd, maar ze had de nasleep ervan gezien. Honderden doden, nog eens honderden gewonden, tientallen mensen weggebrand. Walmende, verwrongen lijken. Ze had iets nodig. Een voordeel ten opzichte van de Seanchanen. Iets om tegenwicht te bieden tegen hun geleidsters in de strijd. Het enige wat ze kon bedenken, was de Zwarte Toren. Die stond op Andoraans grondgebied. Ze had hun gezegd dat ze hen beschouwde als deel van haar natie, maar tot nog toe was ze niet verder gegaan dan wat inspectiegroepen te sturen.

Wat zou er met hen gebeuren als Rhand stierf? Durfde ze een poging te wagen zich hen toe te eigenen? Durfde ze te wachten tot iemand anders dat zou doen?

18

De kracht van deze plek

Perijn rende door de duisternis. Flarden waterige mist streken langs zijn gezicht en condenseerden in zijn baard. Zijn geest was wazig, afwezig. Waar ging hij naartoe? Waar was hij mee bezig? Waarom rende hij?

Hij stormde brullend verder, scheurde zich los uit de gesluierde duisternis en kwam uit in open lucht. Na een diepe ademteug belandde hij boven op een steile heuvel begroeid met onregelmatige vlakken kort gras, met een kring van bomen rondom de voet. Aan de hemel rommelden en kolkten wolken, als een pruttelende ketel teer. Hij was in de wolfsdroom. Zijn lichaam lag te slapen in de echte wereld, op deze heuvel, naast Faile. Hij glimlachte en haalde diep adem. Zijn problemen waren niet kleiner geworden. Eigenlijk leken ze, met het ultimatum van de Witmantels, groter te zijn geworden. Maar alles was goed met Faile. Dat eenvoudige feit veranderde ontzettend veel. Met haar aan zijn zijde was hij tot alles in staat. Hij sprong de heuvel af en stak het open terrein over waar zijn leger kampeerde. Ze waren hier al zo lang dat er tekenen van het kamp in de wolfsdroom verschenen. Tenten weerspiegelden de wakende wereld, hoewel de tentflappen elke keer als hij ernaar keek in een andere stand stonden. Kuilen voor kookvuren in de grond, wagensporen op de paden, hier en daar wat afval of vergeten gereedschap. Ze verschenen en verdwenen weer.

Hij verplaatste zich snel door het kamp, en elke stap bracht hem tien passen verder. Ooit had hij het ontbreken van mensen in het kamp misschien spookachtig gevonden, maar hij was nu gewend aan de wolfsdroom. Dit was natuurlijk.

Perijn naderde het standbeeld aan de zijkant van het kamp en keek op naar het van ouderdom gepokte steen begroeid met zwart, oranje en groen korstmos. Het standbeeld moest in een vreemde houding hebben gestaan, als het op die manier was gevallen. Het oogde bijna alsof het op deze wijze was gemaakt: als een reuzenarm die uit de aarde omhoogstak.

Perijn wendde naar het zuidoosten, waar het kamp van de Witmantels was. Hij moest iets aan hen doen. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat hij niet verder kon totdat hij met die schaduwen uit het verleden had afgerekend.

Er was één manier om eens en voor altijd met hen af te rekenen. Een zorgvuldige valstrik met gebruikmaking van de Asha’man en Wijzen zou Perijn in staat stellen de Kinderen zo hard te raken dat ze zich er niet van konden herstellen. Misschien kon hij hen als groep zelfs voorgoed vernietigen.

Hij had de middelen, de mogelijkheid en de motivatie. Geen angst meer in het land, geen schijnrechtszaken van de Witmantels meer. Hij sprong naar voren, ging dertig pas vooruit en landde lichtjes op de grond. Toen rende hij verder, in zuidoostelijke richting over de weg. Hij vond het kamp van de Witmantels in een beboste laagte: duizenden witte tenten die in nette ringen waren opgezet. De tenten van zo’n tienduizend Kinderen, samen met nog eens tienduizend huurlingen en andere soldaten. Balwer schatte dat dit de grootste groep Kinderen was die nog bestond, hoewel hij niet had uitgelegd hoe hij aan die kennis kwam. Hopelijk haatte die stoffige man de Witmantels niet zo erg dat zijn oordeel erdoor werd vertroebeld. Perijn liep tussen de tenten door, kijkend of hij iets kon ontdekken wat Elyas en de Aiel niet hadden gezien. Het was onwaarschijnlijk, maar hij dacht dat het een poging waard was. Hij was hier nu toch. Bovendien wilde hij deze plek wel eens met eigen ogen zien. Hij tilde tentflappen op, liep tussen groepen tenten door, keek goed rond en deed indrukken op van het kamp en de bewoners ervan. Het kamp was heel ordelijk ingedeeld. De binnenzijden waren minder stabiel dan de tenten zelf, maar wat hij zag leek ook netjes op orde te worden gehouden.

De Witmantels hadden alles graag opgeruimd, schoon en zorgvuldig opgevouwen. En ze deden graag alsof je de hele wereld op dezelfde manier kon opruimen en schoonmaken: mensen benoemd en verklaard in één of twee woorden.

Perijn schudde zijn hoofd en liep naar de tent van de Kapiteinheer-gebieder. De opstelling van de tenten maakte hem dat gemakkelijk en leidde hem naar de middelste ring. Dit onderkomen was niet veel groter dan de andere tenten, en Perijn dook naar binnen om te kijken of hij iets nuttigs kon ontdekken. De tent was eenvoudig, met een slaaprol die elke keer als Perijn ernaar keek in een andere positie lag, en een tafel waar voorwerpen op lagen die willekeurig verschenen en verdwenen.

Perijn stapte ernaartoe en pakte iets op wat daar verscheen. Een zegelring. Hij herkende het zegel niet, een dolk met vleugels, maar onthield het net voordat de ring uit zijn vingers verdween, te vluchtig om lang in de wolfsdroom te blijven. Hoewel hij de leider van de Witmantels had ontmoet en brieven met de man had gewisseld, wist hij niet veel over diens verleden. Misschien zou dit helpen. Hij liep nog een tijdje door de tent, vond niets nuttigs en ging vervolgens naar de grote tent waar volgens Gaul veel gevangenen werden vastgehouden. Hier zag hij de hoed van meester Gil even verschijnen, maar toen verdween die weer.

Tevreden liep Perijn de tent uit. Daarbij zat hem echter iets dwars. Had hij zoiets niet ook moeten proberen toen Faile gevangen werd gehouden? Hij had talloze verkenners naar Malden gestuurd. Licht, hij had zich ontzettend moeten inhouden om niet zelf naar Faile op zoek te gaan! Maar hij had nooit geprobeerd die plek te bezoeken in de wolfsdroom.

Misschien zou dat niets hebben uitgehaald. De mogelijkheid was echter niet eens bij hem opgekomen, en dat stoorde hem. Hij verstijfde toen hij langs een kar liep die naast een van de Witmanteltenten stond. De achterzijde was open, en erbinnen lag een zilvergrijze wolf naar hem te kijken.

‘Ik laat mijn aandacht te veel vernauwen, Springer,’ zei Perijn. ‘Als ik me laat meeslepen in een doel, kan me dat onvoorzichtig maken. Dat kan gevaarlijk zijn. Net als in de strijd, wanneer je aandacht voor de tegenstander die tegenover je staat je kwetsbaar kan maken voor de boogschutter aan de zijkant.’

Springer sperde zijn bek open en glimlachte zoals wolven dat doen. Hij sprong uit de wagen. Perijn voelde nog andere wolven in de buurt; de andere van het roedel waar hij eerder mee had gerend. Eikendanser, Vonken en Tomeloos.

‘Goed dan,’ zei hij tegen Springer. ‘Ik ben klaar om te leren.’ Springer ging op zijn achterwerk zitten en keek Perijn aan. Volg, zei de wolf in zijn gedachten.

Toen verdween hij.

Perijn vloekte en keek om zich heen. Waar was de wolf gebleven? Hij liep zoekend door het kamp, maar voelde Springer nergens. Hij tastte met zijn geest. Niets.

Jonge Stier. Ineens stond Springer achter hem. Volg. Hij verdween weer.