Perijn gromde en verplaatste zich in een flits door het kamp. Toen hij de wolf niet kon vinden, verplaatste hij zich naar het graanveld waar hij Springer de vorige keer had ontmoet. De wolf was er niet. Perijn bleef gefrustreerd tussen de wuivende halmen staan. Springer kwam een tijdje later naar hem toe. De wolf rook ontevreden. Volg! drong hij aan.
‘Ik weet niet hoe,’ zei Perijn. ‘Springer, ik weet niet waar je naartoe gaat.’
De wolf ging zitten. Hij stuurde een beeld van een jonge wolf die zich bij andere van het roedel aansloot. De welp keek naar de oudere dieren en deed hen na.
‘Ik ben geen wolf, Springer,’ zei Perijn. ‘Ik leer niet zoals jullie. Je moet me uitleggen wat je wilt dat ik doe.’
Volg me hierheen. Vreemd genoeg stuurde de wolf hem een beeld van Emondsveld. Toen verdween hij.
Perijn volgde en verscheen op het bekende dorpsveld. Er stonden gebouwen langs, en dat voelde verkeerd. Emondsveld had een dorp moeten zijn, geen stadje met een stenen muur en een met keien geplaveide weg langs de herberg. Er was veel veranderd in de korte tijd sinds zijn vertrek.
‘Wat doen we hier?’ vroeg Perijn. Verontrustend genoeg wapperde nog altijd de wolvenkopbanier aan de paal bij het veld. Het was misschien een misleiding van de wolfsdroom, maar dat betwijfelde hij. Hij wist maar al te goed hoe graag de mensen in Tweewater het vaandel van ‘Perijn Guldenoog’ plantten. Mensen zijn vreemd, zei Springer. Perijn wendde zich naar de oude wolf.
Mensen hebben vreemde gedachten, zei Springer. We doen geen moeite hen te begrijpen. Waarom vlucht de hertenbok, vliegt de mus, groeit de boom? Ze doen het. Dat is alles. ‘Goed dan,’ zei Perijn.
Ik kan een mus niet leren jagen, vervolgde Springer. En een mus kan een wolf niet leren vliegen.
‘Maar hier kun je wél vliegen,’ zei Perijn.
Ja. En dat is me niet geleerd. Ik kan het gewoon. Springers geur was vol gevoelens en verwarring. De wolven herinnerden zich alles wat hun soortgenoten wisten. Springer was gefrustreerd omdat hij Perijn wilde onderwijzen, maar niet gewend was dingen aan te pakken op de mensenmanier.
‘Alsjeblieft,’ zei Perijn. ‘Probeer me uit te leggen wat je bedoelt. Je zegt altijd dat ik hier “te sterk” aanwezig ben. Het is gevaarlijk, zeg je. Waarom?’
Je slaapt, zei Springer. De andere jij. Je kunt hier niet te lang blijven. Je moet nooit vergeten dat je hier een onnatuurlijke aanwezigheid bent. Dit is niet jouw hol. Springer draaide zich om naar de huizen om hen heen. Dit is jouw hol, het hol van je maker. Deze plek. Vergeet hem niet. Dat voorkomt dat je verdwaalt. Zo deed jouw ras dit ooit. Je begrijpt het wel.
Het was geen vraag, maar eerder een soort smeekbede. Springer wist niet hoe hij het nog beter kon uitleggen.
‘Ik zal het proberen,’ zei Perijn, die de gedachten van de wolf zo goed mogelijk interpreteerde. Maar Springer had het mis. Deze plek was zijn thuis niet. Perijns thuis was bij Faile. Dat moest hij nooit vergeten, om te zorgen dat hij niet te ver in de wolfsdroom werd meegetrokken.
Ik heb je vrouwtje in je geest gezien, Jonge Stier, zei Springer, die zijn kop schuin hield. Ze is als een korf vol bijen, met zoete honing en scherpe angels. Springers beeld van Faile was dat van een bijzonder verwarrende wolvin. Een wolvin die het ene ogenblik speels naar zijn neus hapte en het volgende naar hem grauwde en weigerde haar vlees met hem te delen.
Perijn glimlachte.
De herinnering is één deel, zei Springer. Maar het andere deel, dat ben jij. Jij moet zo blijven als Jonge Stier. De weerspiegeling van een wolf in het water, trillend en onduidelijk toen er rimpelingen doorheen trokken.
‘Dat begrijp ik niet.’
De kracht van deze plek, Springer stuurde een beeld van een wolf gehouwen uit steen, is jouw kracht. De wolf dacht even na. Sta. Blijf. Wees jezelf.
Met die woorden stond de wolf op en ging achteruit, alsof hij zich voorbereidde om op Perijn af te rennen.
Verward stelde Perijn zich voor zoals hij was, en hij hield dat beeld zo stevig mogelijk in zijn gedachten vast.
Springer rende op hem af, maakte een sprong en dreunde tegen hem aan. Hij had dit al eerder gedaan en daarmee Perijn uit de wolfsdroom geduwd.
Deze keer was Perijn er echter op voorbereid. Instinctief duwde hij terug. De wolfsdroom trilde om hem heen, maar werd toen weer vast. Springer stuiterde van hem af, hoewel de zware wolf Perijn tegen de grond had moeten duwen.
Springer schudde zijn kop alsof hij verdoofd was. Goed, zei hij verheugd. Goed. Je leert het al. Nog een keer.
Perijn zette zich nog net op tijd schrap voordat Springer opnieuw tegen hem aan beukte. Perijn gromde, maar hij hield stand. Hier, zei Springer, en hij stuurde een beeld mee van het graanveld. Springer verdween, en Perijn volgde. Zodra hij verscheen, dreunde de wolf tegen hem aan, met geest en lichaam. Deze keer viel Perijn op de grond en trilde alles om hem heen. Hij voelde dat hij werd weggeduwd, uit de wolfsdroom naar zijn gewone dromen werd gedwongen.
Nee! dacht hij, en hij hield vast aan een beeld van hemzelf, knielend in dat graanveld. Hij was daar. Hij beeldde het zich in, vast en echt. Hij rook het graan, de vochtige lucht vol geuren van aarde en afgevallen blad. Het landschap vormde zich weer. Hij knielde hijgend op de grond, maar hij zat nog steeds in de wolfsdroom.
Goed, zei Springer. Je leert snel.
‘Ik heb geen andere keus,’ zei Perijn, die opkrabbelde.
De Laatste Jacht komt eraan, beaamde Springer, en hij stuurde een beeld mee van het kamp van de Witmantels.
Perijn ging achter hem aan en zette zich schrap. Er volgde geen aanval. Hij keek rond op zoek naar de wolf.
Er beukte iets tegen zijn geest aan. Er was geen beweging, alleen de mentale aanval. Hij was niet zo sterk als de vorige, maar hij kwam onverwachts. Perijn wist hem amper af te weren. Springer viel uit de lucht en landde soepel op de grond. Wees altijd voorbereid, zei de wolf. Altijd, maar vooral wanneer je in beweging bent. Dit ging vergezeld van een beeld van een voorzichtige wolf, die de lucht opsnoof voordat hij een open wei opging.
‘Ik begrijp het.’
Maar zorg dat je niet te sterk aanwezig bent, maande Springer hem. Meteen dwong Perijn zichzelf te denken aan Faile en de plek waar hij sliep. Zijn thuis. Hij... vervaagde lichtjes. Zijn huid werd niet doorschijnend en de wolfsdroom bleef hetzelfde, maar hij voelde zich bloter.
‘Goed, zei Springer. Altijd voorbereid, maar nooit te stevig vasthouden. Alsof je een welp tussen je kaken draagt. ‘Dat zal geen gemakkelijk evenwicht zijn,’ zei Perijn.
Springer gaf een licht verwarde geur af. Natuurlijk was het moeilijk.
Perijn glimlachte. ‘Wat nu?’
Rennen, zei Springer. En dan weer oefenen.
De wolf draaide zich om en schoot in een waas van grijs en zilver in de richting van de weg. Perijn volgde. Hij bespeurde vastberadenheid bij Springer; een geur die merkwaardig veel leek op hoe Tam rook als hij de vluchtelingen leerde vechten. Dat ontlokte een glimlach aan Perijn.
Ze renden over de weg en Perijn oefende zijn evenwichtsgevoeclass="underline" niet te sterk in de droom aanwezig zijn, maar toch op elk ogenblik voorbereid te zijn om zijn gevoel van zijn te verstevigen. Af en toe viel Springer hem aan en probeerde hem uit de wolfsdroom te duwen. Ze gingen door totdat Springer heel plotseling tot stilstand kwam. Perijn zette nog een paar stappen en ging de wolf voorbij voordat hij kon stoppen. Er was iets vóór hem. Een doorschijnende, violetkleurige wand die dwars door de weg sneed. Hij reikte omhoog naar de hemel en strekte zich ver naar links en rechts uit.