Выбрать главу

‘Springer?’ vroeg Perijn. ‘Wat is dit?’

Iets verkeerds, antwoordde Springer. Het hoort hier niet. De wolf rook boos.

Perijn stapte naar voren en stak zijn hand naar het oppervlak uit, maar hij aarzelde. Het zag eruit als glas. Hij had nog nooit zoiets in de wolfsdroom gezien. Was het misschien een soort bel van kwaad? Hij keek naar de hemel.

Ineens flitste en verdween de muur. Perijn knipperde met zijn ogen en ging wankel achteruit. Hij keek naar Springer. De wolf zat op zijn achterwerk en staarde naar de plek waar de muur was geweest. Kom, Jonge Stier, zei de wolf uiteindelijk, en hij stond op. We gaan op een andere plek oefenen.

Hij draafde weg. Perijn keek om. Wat die muur ook was geweest, er was geen spoortje meer van zichtbaar.

Verontrust liep hij achter Springer aan.

‘Waar blijven die verrekte boogschutters!’ Rodel Ituralde klom naar de top van de heuvel. ‘Ik wilde ze een uur geleden al op de voorste torens hebben om de kruisbogen af te lossen!’ Beneden kletterde, krijste, gromde, dreunde en brulde de strijd. Een bende Trolloks was de rivier overgekomen op vlotten of ruwe drijvende bruggen die van balken waren gemaakt. Trolloks vonden het verschrikkelijk om water over te steken, en er was veel dwang voor nodig om ze zover te krijgen.

Daarom was dit fort ook zo nuttig. De heuvel leidde recht omlaag naar de enige oversteekplaats van redelijke afmetingen binnen een omtrek van roeden. Ten noorden stormden Trolloks door een pas uit de Verwording en renden recht de rivier de Arinelle in. Als ze naar de overkant konden worden gedwongen, stonden ze voor de heuvel, die was omringd met loopgraven, versterkt met schansen en bemand met boogschutters op de torens. De stad Maradon was vanuit de Verwording niet anders te bereiken dan door deze heuvel over te klimmen.

Het was een uitstekende plek om een veel groter leger tegen te houden, maar zelfs de beste verdedigingswerken waren te doorbreken, vooral wanneer je mannen vermoeid waren van wekenlange gevechten. De Trolloks waren overgestoken en hadden zich in een hagel van pijlen tegen de helling op gevochten. Daarna waren ze in de loopgraven gevallen en hadden moeite om tegen de hoge schansen op te komen.

De bovenzijde van de heuvel was vlak, en daar had Ituralde zijn bevelspositie, in het hoge kamp. Hij riep bevelen terwijl hij keek naar de ingewikkelde kluwen van loopgraven, schansen en torens. De Trolloks sneuvelden dankzij lansiers achter een van de schansen. Ituralde keek toe totdat de laatste Trollok – een gigantisch beest met de kop van een ram – brulde en stierf met drie lansen in zijn buik. Het leek erop dat er nog een golf onderweg was, dat de Myrddraal een volgende groep Trolloks door de pas dreven. Er lagen al zoveel karkassen in de rivier dat die tijdelijk verstopt was, het water rood was gekleurd en de dode Trolloks stapstenen vormden voor de rest. ‘Boogschutters!’ brulde Ituralde. ‘Waar blijven die verrekte...’ Eindelijk rende er een compagnie boogschutters langs, een deel van de reservetroepen die hij achter de hand had gehouden. De meesten hadden de koperkleurige huid van Domani, hoewel er ook een paar verdwaalde Taraboners bij waren. Ze droegen een grote verscheidenheid aan bogen mee: lange, smalle Domaanse bogen, welvende, korte Saldeaanse bogen geplunderd uit wachtposten of dorpen, en zelfs een paar Tweewaterse bogen.

‘Lidrin!’ riep Ituralde. De jonge officier met zijn harde ogen rende over de heuvel naar hem toe. Lidrins bruine uniform was gekreukeld en vuil bij de knieën, niet omdat hij een sloddervos was, maar omdat in deze omstandigheden zijn mannen belangrijker waren dan schone kleding.

‘Ga met de boogschutters mee naar de torens,’ beval Ituralde. ‘Die Trolloks gaan nog een aanval wagen. Ik wil niet dat er nóg een vuist doorbreekt naar de top, hoor je me? Als ze ons bolwerk in handen krijgen en tegen ons gebruiken, is mijn ochtend verpest.’ Lidrin glimlachte niet om die opmerking, zoals hij vroeger misschien wel zou hebben gedaan. Hij glimlachte helemaal niet meer vaak; meestal alleen maar als hij een Trollok wist te doden. Hij salueerde, draaide zich om en draafde achter de boogschutters aan. Ituralde draaide zich om en keek naar de achterkant van de heuvel. Het lage kamp lag daar, in de schaduw van de steile helling. Deze heuvel was ooit een natuurlijk deel van het landschap geweest, maar de Saldeanen hadden hem in de loop der jaren uitgebouwd, met een lange helling omlaag naar de rivier en een steilere aan de andere kant. In het lage kamp konden zijn soldaten slapen en eten en waren hun spullen veilig, allemaal beschut tegen vijandelijke pijlen door de steile helling waarop Ituralde nu stond.

Zijn beide kampen, het hoge en het lage, waren samenraapsels. Sommige tenten waren gekocht in Saldeaanse dorpen, sommige waren van Domaanse makelij, en tientallen andere waren via Poorten aangevoerd van overal in het land. Een groot aantal ervan waren reusachtige Cairhiense dingen met strepen. Maar ze hielden zijn mannen droog, en dat was het voornaamste.

Die Saldeanen wisten wel hoe ze verdedigingswerken moesten bouwen. Had Ituralde hen maar kunnen overtuigen hun schuilplaatsen in Maradon te verlaten en te komen helpen. ‘Zo,’ zei Ituralde, ‘en waar in...’

Hij brak zijn zin af toen de hemel verduisterde. Hij had nauwelijks tijd om te vloeken en weg te duiken voordat er een groep grote voorwerpen omlaag kwam en met een wijde boog op het hoge kamp belandde, waarop geschreeuw van pijn en verwarring uitbrak. Dat waren geen rotsblokken; het waren lijken. De grote lijven van dode Trolloks. Het leger van Schaduwgebroed had eindelijk de katapulten opgezet.

Onwillekeurig was Ituralde onder de indruk omdat hij hen daartoe had gedreven. Die belegeringsmachines waren ongetwijfeld meegebracht om Maradon aan te vallen, dat een stukje naar het zuiden lag. Dat ze de katapulten nu aan de overkant van het water hadden opgezet om Ituraldes gelederen aan te vallen, zou het Schaduwgebroed niet alleen vertragen, maar het zou de katapulten blootstellen aan zijn tegenvuur.

Maar hij had nooit verwacht dat ze met karkassen zouden gaan smijten. Hij vloekte toen de hemel weer donker werd en er nog meer lijken omlaag kwamen, tenten omver sloegen en soldaten verpletterden.

‘Helers!’ brulde Ituralde. ‘Waar zijn die Asha’man?’ Hij had de Asha’man erg onder druk gezet sinds het begin van deze belegering. Tot de rand van de uitputting. Nu hield hij ze achter de hand en zette hen alleen in wanneer de aanvallen van de Trolloks te dicht bij het hoge kamp kwamen.

‘Heer!’ Een jonge boodschapper met vuile handen krabbelde omhoog vanaf de voorste gelederen. Zijn Domaanse gezicht was asgrauw, en hij was nog te jong om een echte snor te laten staan. ‘Kapitein Finsas meldt dat het leger van Schaduwgebroed katapulten opstelt. Volgens zijn telling zijn het er zestien.’

‘Zeg maar tegen kapitein Finsas dat hij daar wel wat eerder mee had kunnen komen,’ gromde Ituralde.

‘Het spijt me, heer. Ze rolden ze al omlaag door de pas voordat wij in de gaten hadden wat er gebeurde. Hun eerste salvo raakte onze wachtpost. Heer Finsas is ook gewond geraakt.’ Ituralde knikte; Rajabi was onderweg om het bevel te nemen over het hoge kamp en de organisatie van de gewonden op zich te nemen. Beneden hadden een hoop karkassen ook het lage kamp geraakt. De katapulten konden voldoende hoogte en afstand bereiken om over de heuvel heen te schieten, en de projectielen kwamen nu ook op het tot nog toe beschutte gedeelte terecht. Hij zou het lage kamp verder naar achteren moeten verplaatsen, verder op de vlakte in de richting van Maradon, en dat zou hun reactietijd verlengen. Bloedas. Vroeger vloekte ik nooit zoveel, dacht Ituralde. Het kwam door die jongen, de Herrezen Draak. Rhand Altor had Ituralde beloften gedaan, sommige uitgesproken, sommige onuitgesproken. Beloften om Arad Doman te beschermen tegen de Seanchanen. Beloften dat Ituralde zijn leven kon behouden, in plaats van te sterven terwijl hij in de val zat door de Seanchanen. Beloften om hem iets te doen te geven, iets belangrijks, iets doorslaggevends. Iets onmogelijks. Houd de Schaduw tegen. Blijf vechten totdat er hulp komt. De hemel verduisterde weer en Ituralde dook de bevelstent in, die een houten dak had als voorzorg tegen belegeringsmachines. Hij had een hagel van kleinere stenen verwacht, niet van karkassen. De mannen verspreidden zich om de gewonden naar de betrekkelijke veiligheid van het lage kamp te slepen, en van daaraf de vlakte over naar Maradon. Rajabi had de leiding. De logge man had een nek zo dik als een es van tien jaar oud en armen die bijna net zo breed waren. Hij liep mank, omdat hij zijn linkerbeen had verwond tijdens de gevechten en het onder de knie was afgezet. De Aes Sedai hadden hem zo goed mogelijk Geheeld, en hij liep nu met een houten been. Hij had geweigerd zich samen met de ernstig gewonden terug te trekken door de Poorten, en Ituralde had hem niet gedwongen. Je zette geen goede officier aan de kant vanwege één gebrek. Een jonge officier kromp ineen toen er met een bons een opgezwollen karkas boven op het paviljoen belandde. De officier – Zhell -had niet de koperkleurige huid van de Domani, hoewel hij wel een zeer Domaanse snor en een schoonheidsvlek in de vorm van een pijl op zijn wang droeg.