Ze konden hier niet veel langer tegen de Trolloks standhouden, niet met de aantallen waar ze tegenover stonden. Ituralde zou achteruit moeten gaan, stukje bij beetje verder Saldea in, verder naar Arad Doman. Vreemd, dat hij zich altijd terugtrok in de richting van zijn vaderland. Eerst vanuit het zuiden, nu vanuit het noordoosten. Arad Doman zou geplet worden tussen de Seanchanen en de Trolloks. Je kan maar beter woord houden, jongen, dacht hij. Helaas kon hij zich niet terugtrekken naar Maradon. De Saldeanen daar hadden heel duidelijk gemaakt dat ze Ituralde – en de Herrezen Draak – als indringers zagen. Stomme dwazen. Maar hij had in ieder geval een kans om die belegeringsmachines te vernietigen. Nog een lijk raakte de bevelstent, maar het dak hield het. Naar de stank – en in sommige gevallen de natte plof die ze maakten – van die dode Trolloks te oordelen, hadden ze geen pas gesneuvelden voor de aanval gekozen. Ervan overtuigd dat zijn officiers hun taken verrichtten – dit was geen tijdstip om zich daarin te mengen – legde Ituralde zijn handen op zijn rug. Toen ze hem zagen, rechtten soldaten zowel binnen als buiten het paviljoen hun rug wat meer. De beste strategieën hielden slechts stand totdat de eerste pijlen doel troffen, maar een vastberaden, vasthoudende bevelvoerder kon met zijn uitstraling orde in de chaos scheppen.
Boven hen kolkten de stormwolken, zilver en zwart als een geblakerde ketel boven een kookvuur, met doorschemerende stukjes staal langs de randen van het aangebrande roet. Het was onnatuurlijk. Zijn mannen moesten zien dat hij er niet bang voor was, zelfs niet nu het lijken regende.
Gewonden werden weggedragen en de mannen begonnen het lage kamp af te breken om het verder naar achteren te verplaatsen. Hij liet zijn boogschutters en kruisboogschutters doorgaan met vuren, zijn lansiers stonden klaar tussen de schansen. Hij had een vrij grote cavalerie, maar die kon hij hier niet inzetten. Die katapulten zouden, als er niets aan werd gedaan, zijn mannen uitputten met rotsen en stenen; maar Ituralde nam zich voor ze te verbranden, met gebruikmaking van een Asha’man of een aanvalstroep die met brandende pijlen door een Poort ging. Kon ik me maar terugtrekken in Maradon, wenste hij. Maar de Saldeaanse heer daar zou hem niet binnenlaten. Als Ituralde naar de stad ging, zou hij tegen de muren geplet worden door de Trolloks. Stomme, stomme dwazen. Wat voor stommelingen weigerden mannen nu een toevluchtsoord terwijl er een leger van Schaduwgebroed op de poorten bonsde?
‘Ik wil schadecijfers,’ zei Ituralde tegen luitenant Nils. ‘Bereid de boogschutters voor op een aanval op die belegeringsmachines, en neem twee Asha’man mee. Zeg tegen kapitein Credin dat hij een oogje moet houden op de Trolloks die de oversteekplaats doorkomen. Ze zullen hun inspanningen verdubbelen na deze tegenaanval, aangezien ze zullen aannemen dat het hier een chaos is.’ De jongeman knikte en haastte zich weg toen Rajabi de tent in strompelde, wrijvend over zijn brede kin. ‘Je had weer gelijk over die katapulten. Ze hebben ze inderdaad opgesteld om ons aan te vallen.’
‘Ik probeer altijd goed te gokken,’ zei Ituralde. ‘Als ik verkeerd gok, verliezen we.’
Rajabi gromde. Boven hen bleef de storm kolken. In de verte hoorde Ituralde Trolloks schreeuwen. Strijdtrommels werden geslagen. Mannen riepen naar elkaar. ‘Er is iets niet goed,’ zei Ituralde.
‘Deze hele rotoorlog is niet goed,’ vond Rajabi. ‘We zouden hier niet moeten zijn; de Saldeanen hadden hier moeten staan. Met hun hele leger, en niet alleen de paar ruiters die de Draak ons heeft gestuurd.’
‘Meer nog,’ zei Ituralde, turend naar de lucht. ‘Waarom karkassen, Rajabi?’
‘Om ons te demoraliseren.’
Dat was geen ongehoorde tactiek. Maar de eerste salvo’s? Waarom hadden ze geen stenen gebruikt, die de meeste schade aanrichtten, om dan op lijken over te stappen als de verrassing eraf was? De Trolloks waren geen goede strategen, maar de Schimmen... die konden sluw zijn. Dat wist hij uit eigen ervaring.
Terwijl Ituralde naar de hemel staarde, volgde er nog een uitgebreid salvo, alsof hij door de donkere wolken was voortgebracht. Licht, waar hadden ze zoveel katapulten vandaan? Voldoende om honderden lijken te gooien.
Volgens zijn telling zijn het er zestien, had die jongen gezegd. Bij lange na niet genoeg. En vielen sommige van die karkassen niet te ordelijk omlaag?
Het overviel hem als een ijskoude regenbui. Die smerige, sluwe monsters!
‘Boogschutters!’ schreeuwde Ituralde. ‘Boogschutters, kijk omhoog! Dat zijn geen lijken!’
Het was te laat. Nog terwijl hij schreeuwde, vouwden de Draghkar hun vleugels uit. Meer dan de helft van de ‘karkassen’ in dit salvo bestond uit levend Schaduwgebroed, dat zich verstopte tussen de vallende lichamen. Na de eerste aanval van Draghkar op zijn leger, een paar dagen geleden, had hij groepen boogschutters aangewezen om dag en nacht de hemel in de gaten te houden. Maar de boogschutters hadden niet het bevel om op vallende lichamen te schieten. Ituralde bleef brullen terwijl hij het paviljoen uit sprong en zijn zwaard uit de schede rukte. Het hoge kamp werd een chaos terwijl Draghkar zich tussen de soldaten lieten vallen. Een groot aantal van hen landde rondom de bevelstent, met die grote, glanzende zwarte ogen, en ze lokten mannen naar zich toe met hun zoete liederen.
Ituralde schreeuwde uit volle borst om zijn oren te vullen met het geluid van zijn eigen stem. Een van de beesten kwam op hem af, maar zijn geroep voorkwam dat hij het gezang ervan hoorde. Het keek verbaasd – voor zover mogelijk voor zo’n onmenselijk beest -toen hij ernaartoe strompelde, veinzend dat hij gelokt werd, en het toen vakkundig de nek doorstak. Donker bloed borrelde omlaag over melkwitte huid toen Ituralde zijn kling losrukte, nog altijd schreeuwend.
Hij zag dat Rajabi struikelde en op de grond viel toen een van de monsters boven op hem sprong. Ituralde kon niet naar hem toe; hij stond zelf oog in oog met zo’n beest. In een gezegend ogenblik merkte hij op dat Draghkar door vuurbollen uit de lucht werden gekegeld: de Asha’man.
Maar tegelijkertijd hoorde hij in de verte de krijgstrommels aanzwellen. Zoals hij had voorspeld, zou het leger van Trolloks met zo veel mogelijk kracht de oversteekplaats over komen. Licht, soms vond hij het vreselijk als hij gelijk had.
Je kunt je maar beter aan je belofte houden om me hulp te sturen, jongen, dacht Ituralde terwijl hij tegen de tweede Draghkar vocht en zijn geschreeuw hees begon te klinken. Licht, ik hoop het maar voor je!
Faile liep door Perijns kamp, omringd door kwebbelende stemmen, gegrom van inspanning en links en rechts geroepen bevelen. Perijn had nog een laatste verzoek naar de Witmantels gestuurd om te beraadslagen, maar er was nog geen antwoord gekomen. Faile voelde zich herboren. Ze had de hele nacht boven op de heuvel tegen Perijn aan gelegen. Ze hadden meer dan genoeg dekens gehad, en eigenlijk was het op de grazige heuveltop gerieflijker geweest dan in hun tent.