Выбрать главу

De verkenners waren vanochtend uit Cairhien teruggekeerd; hun verslag zou snel volgen. Inmiddels had Faile een bad genomen en gegeten.

Het werd tijd om iets aan Berelain te doen.

Ze liep over het vertrapte gras naar het Mayeense gedeelte van het kamp, en onderweg nam haar woede toe. Berelain was te ver gegaan. Perijn beweerde dat de geruchten afkomstig waren van Berelains bedienden, niet van de vrouw zelf, maar Faile kende de waarheid. De Eerste was een meesteres in het manipuleren en sturen van geruchten. Dat was een van de beste manieren om te heersen vanuit een positie van betrekkelijke zwakte. De Eerste had dat gedaan in Mayene, en ze deed hetzelfde hier in het kamp, waar Faile als Perijns echtgenote de sterkere partij was.

Een paar Vleugelgardisten stonden bij de ingang naar het Mayeense deel, met rood geschilderde borstplaten en gevleugelde helmen in de vorm van potten met nekbeschermers aan de achterzijde. Ze rechtten hun rug toen Faile naderde. Ze hadden blauwe lansen in de hand die grotendeels voor de sier dienden en waren voorzien van vaandels met de vliegende gouden havik erop.

Faile moest haar hoofd in haar nek leggen om hen te kunnen aankijken. ‘Begeleid me naar jullie vrouwe,’ beval ze. De wachters knikten, en een van hen stak een gehandschoende hand op en wenkte twee mannen vanuit de binnenzijde van het kamp om de wacht over te nemen. ‘Er was ons verteld dat we u konden verwachten,’ zei de wachter met een lage stem. Faile trok haar wenkbrauw op. ‘Vandaag?’

‘Nee. De Eerste zei alleen dat als u kwam, we u moesten gehoorzamen.’

‘Natuurlijk moeten jullie me gehoorzamen. Dit is het kamp van mijn man.’

De wachters brachten daar niets tegenin, hoewel ze het er waarschijnlijk niet mee eens waren. Berelain was gestuurd om Perijn te vergezellen, maar hij had niet uitdrukkelijk het bevel over haar of haar soldaten gekregen.

Faile liep achter de mannen aan. Wonder boven wonder begon de grond op te drogen. Ze had tegen Perijn gezegd dat ze zich niet druk maakte om de geruchten, maar ze was wél gefrustreerd door Berelains stoutmoedigheid. Die vrouw toch, dacht Faile. Hoe durft ze... Nee. Nee, Faile mocht dat pad niet opgaan. Even lekker schreeuwen zou haar opluchten, maar het zou de geruchten alleen maar versterken. Wat konden mensen anders concluderen als ze haar de tent van de Eerste binnen zagen stormen en vervolgens tegen haar hoorden schreeuwen? Faile moest rustig blijven. Dat zou echter lastig worden.

Het Mayeense kamp was ingedeeld in rijen tenten die uitstraalden van de middelste tent als de spaken van een wiel. De Vleugelgarde had geen tenten – die had meester Gil meegenomen – maar de groepen waren erg ordelijk. Ze leken bijna te netjes: de opgevouwen dekens, de stapels lansen, de piketlijnen en hier en daar vuurkuilen. Berelains paviljoen, in het midden, was lavendelkleurig met donkerbruin; meegenomen uit Malden. Faile hield haar gezicht in de plooi terwijl de twee lange wachters haar naar de tent leidden. Een van hen klopte op de tentpaal om zich aan te kondigen. Berelains rustige stem antwoordde, en de wachter hield de tentflap voor Faile open. Toen ze naar binnen wilde stappen, hoorde ze geruis. Ze stapte weer achteruit toen Annoura naar buiten kwam. De Aes Sedai knikte naar Faile, waarbij de vlechten om haar gezicht heen en weer zwaaiden. Ze leek ontstemd; ze had de gunst van haar meesteres kennelijk nog niet terug gewonnen. Faile haalde diep adem en stapte het paviljoen in. Binnen was het koel. Op de vloer lag een donkerbruin met groen kleed met een gedraaid patroon van klimop. Hoewel het paviljoen er kaal uitzag zonder Berelains gebruikelijke reismeubels, had ze wel een paar stevige eiken stoelen en een lichtgewicht tafel uit Malden. De Eerste stond op. ‘Vrouwe Faile,’ zei ze kalm. Vandaag droeg ze de diadeem van Mayene. De smalle kroon had een eenvoudige grootsheid en was onversierd, op de vliegende gouden havik na, die leek te willen opspringen naar het zonlicht dat in vlekken door het dak van de tent kwam. Er waren daar flappen geopend om licht binnen te laten. Het gewaad van de Eerste was goudkleurig met groen, met een heel eenvoudige riem om haar middel en een lage halslijn. Faile nam plaats op een van de stoelen. Dit gesprek was gevaarlijk; het kon tot rampspoed leiden. Maar het moest gebeuren. ‘Gaat het je goed?’ vroeg Berelain. ‘Is de regen van de afgelopen paar dagen niet te bedrukkend voor je geweest?’

‘De regen was verschrikkelijk, Berelain,’ zei Faile. ‘Maar ik ben niet hier om over het weer te kletsen.’

Berelain tuitte haar volmaakte lippen. Licht, wat was die vrouw mooi! Faile voelde zich bij haar vergeleken maar een grijze muis; haar neus te groot, haar boezem te klein. Haar stem was lang niet zo welluidend als die van Berelain. Waarom had de Schepper zulke volmaakte mensen als Berelain gemaakt? Was dat als bespotting van de rest?

Maar Perijn hield niet van Berelain. Hij hield van Faile. Dat mocht ze niet vergeten.

‘Goed dan,’ zei Berelain. ‘Ik nam al aan dat dit gesprek zou komen.

Ik beloof je dat er geen enkele waarheid schuilt in de geruchten. Er is niets ongepast gebeurd tussen mij en je man.’

‘Dat heeft hij me al verteld,’ zei Faile, ‘en ik geloof hem eerder dan jou.’

Daar fronste Berelain om. Ze was een meesteres in politieke interactie, met een vaardigheid en fijnzinnigheid waar Faile haar om benijdde. Ondanks haar jonge leeftijd had Berelain haar kleine stadstaatje vrij gehouden van het veel grotere en machtigere Tyr. Faile kon alleen maar raden hoeveel evenwichtskunsten, politiek dubbelspel en regelrechte sluwheid daarvoor nodig was geweest. ‘Waarom ben je hier dan?’ vroeg Berelain, die ging zitten. ‘Als je hart rust heeft, dan is er geen probleem.’

‘We weten allebei dat het er niet toe doet of je met mijn man geslapen hebt of niet,’ zei Faile, en Berelains ogen werden wat groter. ‘Ik ben niet boos om wat er gebeurd is, maar om wat er wordt aangenomen.’

‘Geruchten heb je overal waar mensen bijeenkomen,’ zei Berelain. ‘Vooral waar mannen roddelen.’

‘Dermate sterke, aanhoudende geruchten zijn onwaarschijnlijk zonder aanmoediging,’ zei Faile. ‘Nu neemt iedereen in het kamp – ook de vluchtelingen die trouw aan me hebben gezworen – aan dat je met mijn man het bed hebt gedeeld terwijl ik weg was. Dat maakt mij niet alleen een dwaas, maar het werpt een schaduw over Perijns eer. Hij kan geen leiding geven als mensen hem aanzien voor het soort man dat naar de armen van een andere vrouw rent zodra zijn eigen vrouw weg is.’

‘Andere heersers zijn ook over dergelijke geruchten heen gekomen,’ zei Berelain, ‘en bij veel van hen waren die geruchten niet ongegrond. Monarchieën overleven ontrouw heus wel.’

‘Misschien in Illian of Tyr,’ kaatste Faile terug, ‘maar Saldea verwacht beter van haar monarchen. Net als de mensen uit Tweewater.

Perijn is niét zoals andere heersers. Het verscheurt hem te weten hoe zijn mannen over hem denken.’

‘Ik denk dat je hem onderschat,’ zei Berelain. ‘Hij zal er overheen komen en leren om geruchten in zijn voordeel te gebruiken. Dat zal hem sterker maken als man en als heerser.’

Faile keek de vrouw onderzoekend aan. ‘Je begrijpt hem helemaal niet, hè?’

Berelain reageerde alsof ze was geslagen en schoof achteruit. Kennelijk beviel de onomwondenheid van dit gesprek haar niet. Dat bood Faile mogelijk een klein voordeel.

‘Ik heb verstand van mannen, vrouwe Faile,’ zei Berelain kil. ‘En je echtgenoot is daarop geen uitzondering. Aangezien jij hebt besloten openhartig te zijn, zal ik dat ook zijn. Het was slim om Aybara te huwen en zo Saldea aan de Herrezen Draak te verbinden, maar je moet niet denken dat hij zonder strijd de jouwe zal blijven.’ Faile haalde diep adem. Het werd tijd om haar zet te doen. ‘Perijns faam is ernstig aangetast door wat jij hebt gedaan, Eerste. Voor mijn eigen schande zou ik je kunnen vergeven. Maar niet hiervoor.’

‘Ik zie niet in wat eraan gedaan kan worden.’

‘Ik wel,’ zei Faile. ‘En ik ben er vrij zeker van dat een van ons zal moeten sterven.’