Выбрать главу

Hij wreef over zijn gezicht en keek in de spiegel in zijn nieuwe tent. Hij had eindelijk die stomme baard afgeschoren. Hoe kon Perijn die verschrikkelijke jeuk verdragen? Die man had vast een huid van schuurpapier. Nou, Mart zou wel iets anders verzinnen om zich te vermommen als het nodig was.

Hij had zich een paar keer gesneden bij het scheren, maar hij was heus niet vergeten hoe hij zichzelf moest verzorgen. Hij had geen bediende nodig om te doen wat hij zelf ook kon. Knikkend in zichzelf zette hij zijn hoed op en greep zijn ashandarei uit de hoek van de tent; de raven op het lemmet leken opgewonden op te zitten in afwachting van komende veldslagen. ‘Die zullen vast wel komen,’ zei Mart in zichzelf. Hij legde de ashandarei over zijn schouder en liep de tent uit. Onderweg naar buiten griste hij zijn ransel mee en zwaaide die over zijn andere schouder. Met ingang van vanavond zou hij de nachten in de stad doorbrengen.

Mart liep door het kamp en knikte naar een groep Roodarmen diehij tegenkwam. Hij had de wacht verdubbeld. Hij maakte zich zorgen over de gholam, maar ook over de vele militaire kampen in de streek. De helft ervan bestond uit huurlingen, de andere helft waren volgelingen van deze of gene lagere edele die eerbied kwam betuigen aan de koningin; verdacht genoeg waren ze pas aangekomen nadat de gevechten voorbij waren.

Hij twijfelde er niet aan dat ze stuk voor stuk hun hartgrondige trouw aan Elayne zouden uitspreken en zouden uitleggen dat zijn mannen haar al die tijd al hadden gesteund. Hun woorden zouden waarschijnlijk niet echt inslaan, aangezien Mart uit goede bronnen – drie afzonderlijke zatlappen in taveernes – had gehoord dat Elayne veel van Reizen gebruik had gemaakt om haar verdediging te rekruteren. Het was eenvoudiger een vertraagde aankomst te veinzen als je reageerde op een geschreven bericht. ‘Mart! Mart!’

Mart bleef op het pad voor zijn tent staan toen Olver kwam aanrennen. De jongen droeg de laatste tijd een rode band om zijn arm, zoals de Roodarmen, maar hij droeg nog altijd zijn bruine broek en jas. Hij had zijn opgerolde speelveld voor slangen-en-vossen onder zijn ene arm en een ransel om de andere.

Setalle stond een eindje verderop, samen met Lussin en Edder, twee Roodarmen die Mart had opgedragen haar en de jongen te bewaken. Ze zouden straks naar de stad vertrekken. ‘Mart,’ vroeg Olver hijgend, ‘ga je weg?’

‘Ik heb nu geen tijd om met je te spelen, Olver,’ zei Mart, en hij liet zijn ashandarei naar zijn elleboog zakken. ‘Ik heb een afspraak bij de koningin.’

‘Weet ik,’ zei Olver. ‘Aangezien we allebei naar de stad gaan, dacht ik dat we samen konden rijden om plannen te maken. Ik heb wat gedachten over hoe we de slangen en vossen kunnen verslaan! We zullen ze eens een lesje leren, Mart. Het Licht verzenge me, we leren ze een lesje dat ze nog verdomd lang zal heugen!’

‘Wie heeft je die taal geleerd?’

‘Mart,’ zei hij, ‘dit is belangrijk! We moeten voorbereidingen treffen! We hebben het nog niet gehad over wat we gaan doen.’ In stilte vervloekte Mart zichzelf omdat hij de poging om Moiraine te redden had besproken waar Olver bij was. Die jongen zou ontroostbaar zijn als hij werd achtergelaten.

‘Ik moet nadenken over wat ik tegen de koningin ga zeggen,’ zei Mart, wrijvend over zijn kin. ‘Maar je hebt wel gelijk, voorbereiding is belangrijk. Waarom ga je Noal niet over je plannen vertellen?’

‘Heb ik al gedaan,’ zei Olver. ‘En Thom ook. En Talmanes.’ Talmanes? Die ging niet met hen mee naar de toren! Licht, hoeveel had Olver hierover gekletst?

‘Olver,’ zei Mart, die hurkte om de jongen in de ogen te kunnen kijken, ‘je moet hier niet zoveel over praten. We willen niet te veel mensen laten weten wat we gaan doen.’

‘Ik heb het niemand verteld die we niet vertrouwen, Mart,’ zei Olver. ‘Maak je geen zorgen. De meesten waren Roodarmen.’ Geweldig, dacht Mart. Wat zouden de soldaten ervan vinden dat hun commandant zich had voorgenomen te gaan vechten tegen een stel monsters uit kinderverhalen? Hopelijk zouden ze Olvers opmerkingen afdoen als de verbeelding van een kleine jongen. ‘Wees gewoon voorzichtig,’ zei Mart. ‘Ik kom morgen bij je langs in jullie herberg, dan doen we een spelletje en praten erover. Goed?’ Olver knikte. ‘Goed, Mart. Maar... bloed en bloedas!’ Hij draaide zich om en liep weg.

‘En niet vloeken!’ riep Mart hem na, maar toen schudde hij zijn hoofd. Die rottige soldaten zouden Olver verpest hebben tegen de tijd dat hij twaalf was.

Mart liep verder en legde zijn speer weer over zijn schouder. Thom en Talmanes zaten te paard aan de ingang van het kamp, samen met een groep van vijftig Roodarmen. Thom droeg een buitenissige wijnrode jas en broek met goudwerk, een hemd met wit kant langs de polsen en een zijden halsdoek. Zijn knopen waren glanzend goudkleurig. Zijn snor was bijgeknipt en netjes gekamd. Die hele uitdossing was nieuw, ook de zwarte mantel die was gevoerd met een goudkleurige stof.

Mart verstijfde. Hoe had die man zich van een oude speelman zo volmaakt in een hoveling omgevormd? Licht! ‘Ik zie aan je reactie dat ons voorkomen effectief is,’ zei Thom. ‘Bloed en bloedas!’ riep Mart uit. ‘Wat is er gebeurd? Ben je soms niet goed geworden door een bedorven worstje bij je ochtendmaal?’ Thom zwiepte zijn mantel naar achteren en onthulde dat hij zijn harp aan zijn middel had gehangen. Hij zag eruit als een hofbard! ‘Het leek me dat als ik na al die jaren weer mijn opwachting ging maken in Caemlin, ik me daarnaar moest kleden.’

‘Geen wonder dat je elke dag voor fooien hebt gezongen,’ zei Mart. ’l)e klanten van die taveernes hebben veel te veel geld.’ Talmanes trok zijn wenkbrauw op; wat bij die man gelijkstond aan een grijns. Af en toe was hij zo stug dat donderwolken er vrolijk bij leken. Hij droeg ook een fraaie uitdossing, in kobaltblauw en zilver.

Mart voelde aan zijn eigen mouwen. Hij had ook wel wat kant kunnen gebruiken. Als Lopin hier was geweest, had hij de juiste kleding klaargelegd zonder dat Mart erom had hoeven vragen. Een beetje kant was goed voor een man, maakte hem toonbaar. ‘Is dat wat je aantrekt voor een bezoek aan de koningin, Mart?’ vroeg Talmanes.

‘Natuurlijk.’ Hij had het al gezegd voordat hij de kans had gehad erover na te denken. ‘Dit is een goeie jas.’ Hij liep naar Pips toe en pakte de teugels.

‘Goed voor gevechtsoefeningen, misschien,’ zei Talmanes. ‘Elayne is nu koningin van Andor, Mart,’ zei Thom. ‘En koninginnen zijn een kieskeurig stel. Je moet haar eerbied betuigen.’

‘Ik betuig haar verdomme ook eerbied,’ antwoordde Mart, die zijn speer aan een van de soldaten overhandigde en in het zadel klom. Hij pakte de speer weer aan en wendde Pips zodat hij Thom kon aankijken. ‘Deze jas is goed genoeg voor een boer.’

‘Je bent geen boer meer, Mart,’ zei Talmanes. ‘Wel waar,’ zei Mart koppig. ‘Maar Musenge noemde je...’ begon Thom.

‘Hij had het mis,’ zei Mart. ‘Dat een man nou toevallig met iemand trouwt, betekent nog niet dat hij plotseling een verrekte edele wordt.’ Thom en Talmanes wisselden een blik.

‘Mart,’ zei Thom, ‘eigenlijk is dat wél hoe het werkt. Het is zo ongeveer de enige manier om van adel te worden.’

‘Zo doen wij het hier, misschien,’ snauwde Mart. ‘Maar Tuon komt uit Seanchan. Wie weet wat ze daar doen? We weten allemaal hoe vreemd die lui kunnen zijn. We weten niks totdat we met haar praten.’

Thom fronste zijn voorhoofd. ‘Ik weet zeker, door dingen die zij zei, dat...’

‘We weten niks totdat we met Tuon praten,’ herhaalde Mart, nu wat luider. ‘Tot die tijd ben ik Mart. Ik wil niks over dat Prins van wat dan ook gedoe horen.’

Thom keek verward, maar Talmanes’ mondhoeken kwamen een heel klein stukje omhoog. Die man mocht branden. Mart begon te denken dat die norse uitstraling van hem alleen maar een toneelstukje was. Lachte hij stiekem vanbinnen?